+ Meer informatie

Leer en Leven

5 minuten leestijd

(31.)

II. Het Wezen Gods. (c)

Bij het onderwijs, dat de Heere Jezus aan de Samaritaanse vrouw gaf, sprak Hij: God is een Geest en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid." (Joh. 4 : 24.) Hij zei dus niet: e Vader is een Geest", maar: God is een Geest." Waarmede Hij het Goddelijke Wezen bedoelde, zodat Hij ook Zichzelf daarbij insloot naar Zijn Godheid.

Dat God een Geest is wil ons verder zeggen, dat Hij geen lichaam als instrument voor de geest van node heeft; maar Zijn geestelijk bestaan is zo volkomen, dat het alle stoffelijke hulpmiddelen kan ontberen.

Niettemin schijnt de Heilige Schrift soms met zichzelf in strijd, als op de ene plaats staat, dat God een Geest is, terwijl Hem op een andere plaats toch lichaamsdelen worden toegeschreven. Ja zelfs wordt in de Bijbel gesproken van verschijningen des Heeren aan mensen. Hoe is nu het een met het ander te rijmen?

Ais God een Geest is, heeft Hij geen handen, ogen of oren. En als Hij door mensen als Abraham, Jacob, Mozes, Salomo en anderen gezien en getast is, dan moet Hij toch een lichaam bezitten? :

Wie Gods Woord ernstig onderzoekt zal hier voor geen moeilijkheid staan en ook geen tegenstrijdigheid opmerken. Immers, Gods Woord spreekt nimmer zichzelf tegen; er is alleen een tegenstelling in onze voorstelling. Want het is allebei waar: God is een Geest, zonder lichaam; en ook: God heeft Zich laten zien aan mensen en heeft met hoorbare stem tot hen gesproken.

Het is niet zo moeilijk deze zwarigheid op te lossen.

Onze Godvruchtige vaderen spraken in dit verband altoos van de mensvormigheid Gods (Grieks: Anthropomorphisme), waarmee ze dan wilden zeggen, dat de Heilige Schrift over God de Heere spreekt in menselijke voorstellingen en termen, die wij vatten en begrijpen kunnen.

Volgens de Schrift heeft God ogen, oren, mond, handen, voeten, ingewanden, enz. Zo lezen we in Spr. 15 : 3. De ogen des Heeren zijn in alle plaatsen. In Jes. 59 : 1: iet de hand des Heeren is niet verkort, dat zij niet zou kunnen verlossen en Zijn o o r is niet zwaar geworden, dat het niet zou kunnen horen. In Jes. 1 : 20: ant de mond des Heeren heeft het gesproken. In 1 Kron. 28 : 2: e voetbank der voeten onzes Gods. In Jer. 31 : 20: aarom rommelt mijn ingewand over hem.

Evenzo worden aan de Heere menselijke aandoeningen en gewaarwordingen toegeschreven, zoals toorn, liefde, berouw, medelijden, enz. En hoe dikwijls wordt er geen melding gemaakt van Gods hart, om daardoor Zijn innerlijke genegenheid aan te duiden, die Hij tot Zijn schepselen bezit.

En zo bedient de Schrift zich niet alleen van deze mensvormige uitdrukkingen, maar ze worden nog bevestigd door de verschijningen des Heeren, waarvan we telkens in het O. Testament lezen. Herhaaldelijk kunnen we daarin bemerken, dat God gesproken heeft met gewone, menselijke stem en woorden; ja, dat Hij zelfs gegeten en gedronken heeft; gewandeld, de hand gegeven en meerdere menselijke handelingen verricht heeft.

Uit deze feiten blijkt allereerst, dat God een levend e God is; geen gedachtenbeeld dus, maar een God, die persoonlijk leeft, Die ziet, hoort, werkt, voelt en Die een eigen natuur heeft. Verder betoont God in Zijn openbaring, dat Hij Zich nederbuigt tot de mens, een menselijke gestalte aanneemt, omdat God als Geest door geen mens te benaderen zou zijn. God is de Hoge en de Heilige, Die in de hemel woont. Wij zijn stoffelijke wezens, die op de aarde wonen. Zal er ooit gemeenschap zijn tussen God en de mens, dan moet öf de mens zich opheffen tot het Goddelijke; öf moet Zich neerbuigen tot de mens. Het eerste is onmogelijk; en daarom is de Heere zo goed geweest, dat Hij Zich als een mens, met menselijke zintuigen en lichaamsdelen geopenbaard heeft, opdat de mens met dat Eeuwige Wezen in gemeenschap zou komen.

Ten slotte zijn die mensvormige voorstellingen in het Oude Testament de voorboden, de profetie van de menswording Gods, zoals die plaats vond, toen de Tweede Persoon van het Goddelijke Wezen het menselijk vlees en bloed uit de maagd Maria aannam en ons in alles gelijk werd, uitgenomen de zonde.

Gebleken is dus, dat we hier met geen tegenstrijdigheid te doen hebben, doch met de volle werkelijkheid. De Heere ziet en hoort, wandelt en betracht allerlei dingen, eigen aan de menselijke natuur. We moeten ons er echter voor wachten, dat we van de hemelse majesteit Gods niet aards gaan denken. (Zie H.C. Zondag 46). Al wat menselijk van God gezegd wordt, moeten wij Gode betamelijk verstaan; niet letterlijk, maar figuurlijk; zonder de gedachte van enige stoffelijkheid er aan te verbinden. De levende God heeft geen zintuigen en lichaamsdelen als een mens, maar Hij bezit de volmaaktheid van het gebruik en de werking van die leden wel. Daarom zegt de Psalmdichter zo terecht: ou Hij, die het oor plant niet horen? Zou Hij, die het oog formeert, niet aanschouwen? (Ps. 94 : 9.)

J. KRAMP.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.