+ Meer informatie

„Levend in alle eeuwigheid”

5 minuten leestijd

„En Die leeft, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen." (Openb. 1 : 18a.)

Het is een paar dagen geleden, dat in 's Heeren gemeente het gezegend heilsfeit van de opstanding van Jezus Christus herdacht werd. Dit immers is de bron van onuitsprekelijke blijdschap. Hoe betoonde de Zaligmaker, dat Hij waarlijk de Zone Gods was. Hij toch is door Zijn Vader opgewekt, waardoor de kwitantie getekend werd, dat Hij door het verzoenend lijden en sterven verzoend geworden is door Jezus Christus, en in Hem met al de uitverkorenen.

Maar ook stond Hij op door Zijn eigen Goddelijke kracht, en bewees Zich te zijn de grote Overwinnaar over dood en graf. Ware Hij in de dood gebleven, dan was er wel voor de zonden Zijns volks betaald, maar het nieuwe leven was niet verworven. Dit toch is het grote heil, dat Jezus Christus gestorven is om de zonden, maar ook opgewekt is tot rechtvaardigmaking van alle Zijne gunstgenoten. En dat Hij nu dat leven komt mede te delen aan allen, die Hem van de Vader gegeven zijn. Daardoor is het mogelijk geworden dat zondaren uit de staat des doods over gaan in de staat des levens.

Dit is de grote genade, die als vrucht van Jezus' opstanding de uitverkorenen wordt deelachtig gemaakt, gelijk Paulus getuigt in Efeze 2:1: En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart, door de misdaden en de zonden."

Hoe bemoedigend was het voor Johannes in zijn verbanningsoord op Padmos, dat hij de verheerlijkte Christus aanschouwde en de gedaante van de grote Priester-Koning', die tussen de kandelaar van Zijn gemeente wandelt, om over haar te waken.

Zijn hoofd en haar is wit, gelijk witte wol, gelijk sneeuw, zijnde het zinnebeeld der hoge wijsheid, dat het deel der ouden van dagen is. Zijn ogen zijn gelijk vlammen vuurs, gelijk de bliksem en is zinnebeeld der alwetendheid, omdat de bliksem, door deuren en vensters heenslaat, en het oog van Jezus Christus zo ook overal doordringt tot in onze donkerste schuilhoeken toe. Zijn voeten zijn blinkend koper gelijk hetwelk ons wijst op Zijn vaste gang, die door niets te stuiten is, en waarin Hij alle tegenstand vertreedt. Maar die machtige voeten zijn gloeiend als een vurige oven, zij schroeien weg, alles wat . Hem mishaagt; het is deze Christus, die met een stem als een bazuin getuigt, wat u leest in onze tekst. Ziedaar onze Paas-Koning.

Hij is wijs om Zijn volk tot wijsheid te zijn, in alle hunne omstandigheden.

Hij is alwetend, die al de noden der Zijnen kent, en dezelve ook vervult.

Hij is almachtig, om al de Zijnen bij de verworven verlossing te beschutten en te bewaren. Wat zoete eigenschappen bezit dan de opgestane Zaligmaker en dat tot in alle eeuwigheid.

Hoe predikte het graf de bezoldiging der zonden en daarom moet ook Jezus, als Sions betalende Borg, beladen met de toegerekende schuld Zijns volks in de grafkuil nederdalen. En toch begint hier reeds de glorie, die door de vernedering heenspeelt, dat Hij bij de rijken in Zijn dood is geweest. Zie eens, hoe een Nicodemus uit het verborgene te voorschijn treedt, (die tot dusver geen vrijmoedigheid had, om Jezus openlijk te belijden) om, als Jezus Zijn Geest in de hand des Va-

ders bevolen had, direct het lichaam van Jezus aan Pilatus te vragen. Er was iets Vorstelijks in Zijn begrafenis. Maar op de opstandingsmorgen treedt de Zone Gods uit het graf, als die Grote Overwinnaar, achterlatende de doeken, als bewijs dat de schuld Zijns volks begraven was, ja geworpen in een zee van eeuwige vergetelheid.

Mochten wij door het geloof een blik werpen in dat graf, waarin Jezus Christus gelegen heeft. Daar kunt gij het geheim aanschouwen, hoe nu al Gods lieve volk, om niet worden gerechtvaardigd, door de verlossing die in Jezus Christus is. Nu heeft Hij dat graf geheiligd, en zien wij de rijkdom der genade, dat het sterven van Gods volk, nu geen betaling is voor de zonden, (want dat heeft Jezus gedaan), maar een doorgang tot in het eeuwige leven.

Wat heeft die Priester-Koning dan toch een onuitsprekelijke waarde voor allen, die het leven in eigen hand niet meer vinden kunnen. Hoe wordt ons aller toestand hier getekend, want van nature liggen wij allen in ons geestelijk graf. Die staat des geestelijken doods trad dadelijk in, na het verbreken van het verbond in het Paradijs. Ja, in welk een jammerdal worden wij allen ontvangen en geboren? Van onszelf kan er nooit enige verwachting gekoesterd worden om uit die staat verlost te worden. Maar dit is de blijmare van het dierbaar evangelie, dat Jezus Christus, de grote Paas-Koning in de dood niet gebleven is, maar dat Hij is opgestaan.

O, dat het opstandingsleven in ons gewrocht mocht worden, door wederbarende genade. Laten wjj tot die opgestane en verheerlijkte Zaligmaker onze toevlucht nemen. Ja Hem benodigen in de weg des gebeds. Hij, Die de wijsheid is, die de Alwetende is, maar Die ook de Almachtige is.

Hij mocht Zich over ons ontfermen; opdat allen, die Hem vrezen, door het dierbare geloof Zich op Hem mochten verlaten in wie alleen de Zaligheid voor al Zijn volk is. Hij is levend in alle eeuwigheid, en dat bevestigt Hij met het woordeke: „Amen", dat zegt, dat het waar en zeker is. Al gaat dan ook onze weg door vele donkerheden en diepten, ja met allerlei kruis en druk gepaard, dan zullen zij, die Hem met een waar geloof zijn ingeplant, èn in dit leven, èn ook in het sterven, de kracht Zijner opstanding ervaren.

Die troost mocht ons geschonken worden, om dan ook met lijdzaamheid te lopen, die loopbaan, die ons is voorgesteld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.