+ Meer informatie

Doodgeschoten om een pakje thee

Smokkelaar Sjef Slenter: Er moesten elf kinderen te eten hebben

7 minuten leestijd

Duizenden mensen in de Zuid-Limburgse grensstreek leefden in de jaren na de Tweede Wereldoorlog van de smokkel. Complete dorpen dreven op de illegale handel in boter en koffie. Niet zelden was armoe de drijfveer. De Akense journalist Wolfgang Trees publiceerde na decennialang onderzoek onlangs een boek over die roerige periode. "Smokkelen was een volkssport."

In gebogen houding sluipen drie mannen over een bospad op steenworp afstand van de Duitse grens. In Vaals, in het dal in de verte, pinkelt een enkel licht. De maan is zwak. Felle regenvlagen hebben het steile slingerpad in een modderpoel veranderd. De mannen zwijgen. Op hun rug dragen ze een zak. Er zit boter in. Kostbare boter. Die moet de grens over.

De voorste smokkelaar houdt ineens halt. Honderd meter verderop ontwaart hij een glimp van een paar laarzen en een lange jas. Dat moet een douanier zijn. "Liggen", commandeert de man. Onmiddellijk duiken de twee anderen naar beneden, een greppel in. De zakken met boter drukken ze diep weg. Een seconde later springt een lichtbundel aan.

Dergelijke toestanden zullen zich kort na de oorlog in de Limburgse grensstreek vele malen hebben voorgedaan.

Klompen

"Wij hebben vroeger heel wat in greppels gelegen om uit handen van de douane te blijven", gnuift Sjef Slenter (77) uit Reijmerstok-Gulpen. "We gingen altijd 's nachts op pad. Meestal met vies weer. Als het regende. Je moest oppassen. Je zorgde er wel voor dat je geen licht maakte. Pas kwam ik op een reünie een oud-douanier tegen. Die vroeg: Bent u meneer Slenter? Hoe slaagde u erin om telkens uit onze handen te blijven? Ik zei: Toen jij sliep, was ik aan 't lopen."

Doorgaans smokkelden Sjef en zijn broers boter over de grens. Het spul leverde in België en Duitsland goed geld op. Of een paar mooie klompen. En anders wel een stuk fraaie gordijnstof voor moeder thuis. Een regelrechte topper voor Slenter -toen de schrik van de buurt- was de smokkel van 3000 kilo boter. De waar was verpakt in vaatjes, die verscholen lagen onder bietenblad in een vrachtwagen.

Sjef en zijn broers hadden zo hun tactieken om de douane te slim af te zijn. "De voorste droeg vaak een zak hooi over z'n schouder, terwijl de anderen boter in de zak hadden. Als degene die vooropliep, werd gepakt, had de douane alleen maar hooi. Dan konden de anderen zich nog uit de voeten maken."

Bedwelmend middeltje

Ook het dronken -laten- voeren van douanebeambten bleek meer dan eens een beproefd middel om controles te omzeilen. "We zorgden ervoor dat de kastelein in een café een douanier zich helemaal zat liet drinken. Op die manier konden wij bijvoorbeeld ongezien sigaretten de grens overbrengen."

Verder aarzelden de smokkelaars niet om de honden van de douaniers tijdelijk naar een andere wereld te helpen. Sjef Slenter, glunderend: "We gaven die beesten stukjes vlees met een bedwelmend middeltje."

Slenter, destijds werkzaam in de brandstoffen- en foeragehandel, heeft geen moment spijt gehad van zijn smokkelpraktijken. "Ik kwam uit een arm gezin met elf kinderen. Mijn vader overleed toen ik zestien was. M'n moeder kreeg van de staat een paar gulden per maand voor haar onderhoud. Bitter weinig. Maar de hele mep moest wel te eten hebben. Wij apen moesten dus werken, werken, werken. Het geld van de smokkel kon moeder heel goed gebruiken. De pastoor zei dat smokkelen zonde was, maar daar denk ik anders over. Zaken zijn zaken."

Smokkelaars moeten kunnen zwijgen als het graf, was altijd het devies van de gehaaide Limburger. "Sommige collega's waren nogal loslippig, vooral als ze er een paar op hadden. Ik heb zus en zoveel kilo gesmokkeld, dit en dat. Het ene verhaal was nog mooier dan het andere. Het gevolg was dat die jongens gauw werden gepakt. Ik liet nooit wat los."

Hitlerkaffee

Kort na de Tweede Wereldoorlog sloegen bewoners in de grensstreek massaal aan het smokkelen. Alleen al in de Duitse stad Aken werd jaarlijks door het gesjoemel voor het toentertijd enorme bedrag van 20 miljoen mark aan belasting ontdoken. Er ging vooral Nederlandse boter en Belgische koffie naar Duitsland. Voor flinke sommen geld of in ruil voor goederen, zoals zilveren bestek, radio's, scheerapparaten of gouden kiezen.

"Aken lag in puin en de mensen wilden eindelijk eens goede koffie drinken. De Hitlerkaffee was niet te pruimen", vertelt Wolfgang Trees in het restaurant van Kasteel Bloemendal, een rustiek, imposant Van der Valk-hotel in Vaals. In zijn boek "Schmuggler, Zöllner und die Kaffeepanzer" (Smokkelaars, douaniers en de koffiepantserwagens) beschrijft de Akense journalist de naoorlogse smokkelpraktijken in het grensgebied rond het Drielandenpunt.

Dure auto's

In de strijd tussen smokkelaars en douaniers ging het er niet bepaald zachtzinnig aan toe. "Sommige smokkelaars beschikten over dure Amerikaanse auto's, zoals de Cadillac, in die dagen een van de snelste wagens. Ze waren sneller dan de voertuigen van de douane. De smokkelaars gebruikten pantservoertuigen met gekamerde banden, die waren dus niet zomaar lek te schieten. De pantserwagens waren nauwelijks te stoppen. Ze ramden gewoon door de slagbomen."

Om de douaniers van zich af te schudden strooiden de smokkelaars kraaienpoten op de weg, puntige stukken metaal, waardoor menige autoband lek sloeg. Ook probeerden de smokkelaars hun achtervolgers te verblinden met schijnwerpers. Soms vlogen er zelfs granaten over en weer.

In de verbeten strijd kwamen in de grensstreek ongeveer vijftig smokkelaars en een viertal douaniers om het leven. In 1947 lag de Duitse douane flink onder vuur omdat er een 14-jarige jongen uit Liechtenbusch was doodschoten. De jongen smokkelde 100 gram koffie en een pakje thee over de grens. De laatste smokkelaar werd in 1964 door de Duitse douane omgebracht. Het betrof een 36-jarige arbeider. "Hij smokkelde twintig eieren, een pakje thee en 57 gram koffie", verhaalt Trees. "Voor eigen gebruik nota bene. Hij werd kennelijk als een misdadiger, een gangster gezien. Dat is onbegrijpelijk."

Eén paar laarzen

Menig douanier keek de andere kant op en speelde onder één hoedje met de smokkelaars. Trees schat dat een op de vier grensbewakers het op een akkoordje gooide met de tegenpartij. "Douaniers werden slecht betaald. Er waren weinig voorzieningen. De mannen moesten het bijvoorbeeld doen met één paar laarzen en een jas. De verleiding was groot om illegaal wat bij te verdienen. Als de douaniers meewerkten met de smokkelaars konden ze in één avond meer dan een maandsalaris opstrijken."

Niet zelden stuurden ouders hun kinderen op pad om etenswaren de grens over te smokkelen. "Het kwam voor dat jongens en meisjes zich urenlang in een boerenschuur schuil hielden voor de douane. Gevolg was dat meisjes op heel jonge leeftijd zwanger raakten."

Aan de massale smokkel kwam in 1953 plotseling een einde. In dat jaar voerde de Duitse regering-Adenauer een drastische belastingverlaging op koffie door. Toen was de smokkel lang niet meer zo lucratief.

Trees is mild in zijn oordeel over de smokkelpraktijken in de naoorlogse jaren. "Ik zie het als eerlijke smokkel. Het was een soort volkssport, een ambacht. Maar dat is misschien een antireformatorische opmerking. De smokkelaars in die dagen brachten niemand schade toe. Ik ken niet één smokkelaar uit die tijd die later in drugs is gaan handelen."

Trots

De vader van Dolf Baltus uit Vaals was een van de douaniers die samenwerkten met de smokkelaars. "Ik ben daar trots op", zegt Baltus, secretaris van de heemkundekring Sankt Tolbert in Vaals. "Zo hadden wij iedere dag vlees, verse melk, boter en eieren op tafel. Dat was lang niet bij alle families het geval."

Vader Baltus wist in de smokkeljaren de bewoners van een naburig klooster voor zijn karretje te spannen. "De smokkelaars konden ongehinderd gebruikmaken van een sluiproute door de kloostertuin. Als dank lieten de smokkelaars levensmiddelen op een tafeltje achter." Vader Baltus moest wel boeten voor zijn omstreden praktijken. De Limburger kreeg vier weken cel.

Dolf Baltus is een van de mensen die het voormalige douanehuisje in Vaals in ere hebben hersteld. Het monumentale pandje staat te boek als het "kleinste en hoogst gelegen" museum van Nederland. In het gebouwtje zijn tal van attributen uit de vroegere douanetijd te bewonderen. De historische collectie bestaat uit onder meer een telefoon, een tabaksdoos, een oude rekenmachine, een douanejas en tal van douanedocumenten.

Dubbele bodem

Aan vindingrijkheid was onder de smokkelende Limburgers geen gebrek, weet Baltus. "Sommige mensen hadden een dubbele bodem in de kleerkasten om hun smokkelwaar te verbergen. Anderen lieten flessen cognac aan een touwtje in de schoorsteen zakken." Zelf werd Dolf als kind van een jaar of acht meermalen de hort op gestuurd. "Dan ging ik met een half pond koffie, verpakt in een laken onder m'n jas, de grens over."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.