+ Meer informatie

Ds L.. G. C. Ledeboer

5 minuten leestijd

(XIV.)

In de Christelijk Afgescheiden gemeente van Amsterdam is er omstreeks 1858 een ernstig geschil ontstaan, dat tenslotte oorzaak werd van een scheuring. In de gemeente daar was als lid aangenomen Antonius van der Linde, een jonge man, die aan de universiteit te Leiden theologie had gestudeerd. Al gauw had v. d. Linde bezwaar tegen de prediking van Ds de Waal en diende bij de kerkeraad een aanklacht in tegen Ds de Waal. De aanklachten waren, dat genoemde predikant onrechtzinnig was in het stuk van de rechtvaardigmaking en dat hij een algemeen welmenend aanbod van genade verkondigde. De kerkeraad wist er geen raad mee en verwees de zaak naar de classis. De classis oordeelde, dat de aanklachten niet gegrond waren en vermaande v. d. Linde op ernstige wijze tot belijdenis van schuld te komen. V. d. Linde ging echter door met nog meer onrust te verwekken, zodat hij tenslotte onder de eerste trap van censuur werd geplaatst.

Het eind van de zaak was, dat v. d. Linde zich losmaakte van de Chr. Afgescheidenen en nu contact wilde zoeken met Ds Ledeboer. Hij reisde nu naar Benthuizen en daarna naar Oudewater, doch zonder Ds Ledeboer te ontmoeten. Eindelijk gelukte het te Leksmond. Als doel van zijn komst vroeg v. d. Linde of „UEw. ons de gelegenheid wilt geven om langs de gewone Gereformeerde weg tot de wettige prediking en bediening der H. Sacramenten te geraken." Tot een bepaald resultaat kwam men niet.

Op 15 Aug. 1858 ging Ds Ledeboer naar Amsterdam om v. d. Linde persoonlijk te bezoeken. Er had toen ook een samenspreking plaats met de kerkeraadsleden, die aan de zijde van v. d. Linde stonden.

Tot een bevredigend resultaat kwam men toen ook nog niet. Doch er zou een classicale vergadering van de Ledeboeriaanse kerk worden belegd, om te oordelen over de bekwaamheid van Van der Linde voor het Ieraarsambt. 24 Nov. 1858 kwam deze vergadering te Benthuizen bijeen: Veel zaken werden daar besproken en over het meeste was men het met elkander eens. Toch kon de ordening tot leraar niet doorgaan, want Ds Ledeboer wilde daar eerst eens over spreken met Ds van Dijke. Met een „die geloven, haasten niet" werd van der Linde weggezonden.

Daar Ds Ledeboer er over wilde spreken met Ds van Dijke en de Zeeuwse broeders, moest er dus een algemene vergadering worden gehouden. Daarop is v. d. Linde naar Middelburg gereisd om ook eens met Ds van Dijke te spreken. Onder dit alles werd Ds Ledeboer steeds meer bezwaard en gevoelde hij dat v. d. Linde de ware broeder niet was.

Ds Ledeboer schrijft dan ook 3 Maart 1859 een brief aan v. d. Linde, waarin hij o.a. zegt: „en om oprecht en eerlijk te zijn in dezen en om U niet te misleiden, dan zover aan mij bekend is, begeert niemand U als leraar afgezonderd te worden in ons midden. Ik ben bevreesd voor onzuivere oogmerken en bedoelingen. Gij zelf zult dit goedkeuren, dat ik oprecht alzo aan U schrijve, dat is beter als bedekt om te gaan."

Tenslotte verbrak v. d. Linde alle onderhandelingen met Ds Ledeboer en de zijnen en schreef op 22 Maart 1859 een brief. Deze brief is zo vals en zo vol vijandschap, dat het mij niet lust, daaruit iets over te nemen.

Het is een voorrecht, dat Ds Ledeboer en de zijnen dit „paard van Troje" niet binnengehaald hebben. De latere geschiedenis heeft bewezen, dat v. d. Linde geen plaats in de Gereformeerde kerk waardig was.

V. d. Linde heeft toen te Amsterdam met de ontevredenen, die aan zijn zijde stonden, een afzonderlijke gemeente gesticht, welke A. v. d. Linde beriep als predikant.

Later is deze v. d. Linde verward geraakt in de strikken van de vrijdenkerij. In 1891 gaf hij zelfs een geschrift uit, getiteld: „Michaël Servet, een Brandoffer der Gereformeerde Inquisitie." Uit dit boek spreken zijn diepe afkeer van en bittere vijandschap tegen de vertegenwoordigers van de Protestantse geest, onder de Luthersen en Gereformeerden der 16e eeuw beiden. Al heeft Ds Ledeboer dan misschien enkele fouten gemaakt in de zaak „v. d. Linde", toch heeft de geschiedenis bewezen, dat hij juist gezien heeft en is het gelukkig geweest, dat Ds Ledeboer met deze man niet in zee is gegaan en daardoor voor veel ellende bewaard gebleven is.

Enkele volgelingen van Ds Ledeboer zijn afgetrokken door de Antinomiaanse leer, die een zekere Bekker verkondigde. „Daar onder hen zelfs zijn liefste volgelingen waren en van wie hij geloven mocht dat 't kinderen Gods waren, was het een smart voor zijn ziel, als hij des Zondags stond te prediken en die mensen een samenkomst hielden om over allerlei dingen te spi'eken en niet meer onder zijn gehoor wilden komen. Wanneer ds Ledeboer op de dag des Heeren driemaal predikte en soms van zijn leden miste bij de prediking, ging hij dikwijls de andere dag eens horen wat de oorzaak mocht wezen van hun afwezigheid." (Ter Gedachtenis; bldz. 37.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.