+ Meer informatie

Christus' opstanding: „onze rechtvaardiging"

Paaspreek in LuthersKerk-Postille

5 minuten leestijd

WITTENBERG — Luther, de grote reformator, heeft in de jaren 1522 tot en met 1547, zijn Kerk-Postille geschreven en uitgebreid. Het was de reformator zelf die eens gezegd heeft dat men deze Postille eigenlijk aan het volk zou moeten voorlezen, ook om der „predikanten wille".

Onder een postille wordt gewoonlijk een preek of schets verstaan, die handelt over een kerkelijke pericoop die thuis of in de kerk gelezen kan worden.

Luther was eigenlijk de eerste die er mee begon en zijn voorbeeld is in het Protestantisme nagevolgd. In een voorwoord schrijft de bekende Duitse theoloog Philip Jacob Spener dat Luther in de eerste plaats tot het schrijven van de kerkpostille gekomen is door de wens dat de Gemeenten tot een verdere kennis Gods zouden komen, zodat de mensen Christelijk leven en zalig sterven konden.

In de tweede plaats is, aldus Spener, Luther die arbeid niet op eigen initiatief begonnen. Het was de wil van de toenmalige Keurvorst van Saksen, Frederik de Derde, die als bijnaam de „Wijze" had.

Deze vorst was het die de aanzet gaf tot dit werk en later ook tot de Duitse vertaling.

Luther begint zijn Postille op de eerste zondag van de advent, parallel met het kerkelijk jaar. Wat opvalt is, dat Luther wel voor Nieuwjaarsdag een schets heeft maar niet voor Oudejaarsavond.

Pasen
Voorafgaande aan de schetsen voor het Paasfeest worden de vijf zondagen in de vastentijd behandeld, gevolgd door een schets voor het „Feest van Maria's Boodschap". Op Palmzondag nam Luther een tekst uit Mattheus 21 en wel de eerste negen verzen.

Op Witte Donderdag gaat het over het waardig ontvangen van het waarachtige lichaam van Christus. Vervolgens twee schetsen over de „Betragtinge van het Heilige Lyden van Christus" waarvan een over de zeven woorden.

Na een leerrede over de biecht en het sacrament volgen dan de preekschetsen over het Paasfeest. Luther behandelt rond Pasen in ruim twintig schetsen „De Vrugt en Nuttigheid der Opstanding".

De grote reformator neemt als Schriftgedeelte op de Paasdag het evangelie van Marcus, hoofdstuk 16, en daarvan de eerste acht verzen.

Als rede voor de keuze geeft Luther, dat hij hier kan spreken over de opstanding van Christus want dat is, zo zegt hij, onze rechtvaardigmaking en onze genoegdoening zoals Paulus zegt in zijn brief aan de Romeinen.

Heilzaam
Ons geloof wordt gesterkt door het zien dat Christus uit de doden is opgestaan. Het is niet voldoende als wij weten dat de Heere is opgestaan maar men moet ook preken en weten van het nut van het lijden en opstaan van Christus. Wij moeten weten wat Hij daarmee voor ons verworven heeft.

Want, zo vervolgt Luther, als het alleen maar om de geschiedenis is dan is het een nutteloze preek die door iedereen begrepen wordt, of dat nu duivelen, goddelozen of ware christenen zijn. Neen, het moet een preek zijn die nuttig, heilzaam en troostrijk is.

Luther zet vervolgens in een aantal gedachten de preek verder uiteen. Hij toont met het woord van de Heere Jezus zelf, uit het achttiende hoofdstuk vers tien, aan, wat het nut van de opstanding is. Samen met Christus hebben wij een Vader, wij hebben ook een erfenis. Die erfenis is geestelijk en die wordt in tegenstelling tot een materiële erfenis, alleen maar groter.

Erfenis
De reformator vraagt zich vervolgens af wat die erfenis van Christus nu inhoudt. De inhoud van die erfenis heeft gevolgen voor alles, lichamelijk en geestelijk, zowel in de hemel als op de aarde. Luther toont dit aan met Psalm vierendertig vers twee, waar David zegt: maar die de Heere zoeken hebben geen gebrek aan enig ding. Dit betekent dat wij broeders van Christus zijn en ook zo genoemd worden, niet uit verdienste maar uit louter genade. Ja, zo gaat het verder in deze schets: wanneer God het ons in ons hart geeft, zo waren wij genezen, maar het gaat het ene oor in en het andere weer uit.

Luther wijst daarvoor naar Paulus die in zijn Romeinenbrief zegt (hoofdstuk 8:14-17): Welke de geest Gods drijft die zijn Gods kinderen. Want gij hebt geen knechtelijke geest ontvangen, dat gij wederom vrezen moest, maar een kinderlijke geest, door welke wij roepen: Abba, lieve Vader!

Genade
Wij hebben een hoge titel, namelijk die van broeder van Christus. Het menselijk hart kan dat niet verstaan. Wanneer de Heilige Geest deze genade niet geeft dan kan niemand zeggen dat Christus zijn broeder is.

Wanneer gij in het hart dit waarachtig gevoelt, dan is dat voor u een grote zaak. Het gevolg zal zijn, aldus Luther, dat er veel meer gezwegen zal worden, want vanwege de grootheid van dit goed zal er nog getwijfeld worden of het wel waar is.

Pas op voor diegenen die schreeuwen dat Christus hun broeder is. Die mensen roepen en schreeuwen maar. Bij een Christen gaat dat heel anders toe. In de Paaspreek wordt gewezen op het nut en het gebruik van de Dood des Heeren door het woord van Christus in Johannes 20 vers 17.

De Heere Jezus zegt daar tot Maria Magdalena: „Ga heen tot Mijn broeders, en zegt tot hen: Ik vaar op tot Mijn Vader en tot uw Vader, en tot Mijn God en tot uw God".

Troost

Luther ziet in deze tekst een van de grootste en meest troostrijke spreuken. Deze opstanding heeft als gevolg gehad dat mensen die de straf en de eeuwige verdoemenis verdienden nu de Vader van de Heere Jezus Christus hun God mogen noemen.

De reformator besluit zijn schets met een samenvatting van Paulus over de opstanding met een korte spreuk uit de Romeinenbrief waar in het vijfentwintigste vers staat: Christus is om onze zonden overgegeven en om onze gerechtigheid opgewekt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.