+ Meer informatie

Besprekingen van de Heilige Oorlog

6 minuten leestijd

45.

„Nu zal,” vervolgde vorst Immanuël, „Mensziel een andere, een nieuwe, een betere, een vaster en bestendiger keus hebben om met steeds meer klaarheid en beslistheid des harten het goede te kiezen.” Vanwege onze geestelijke onkunde is het ons menigmaal niet mogelijk de juiste keus te maken uit de keur van zegeningen waarmee de Heere vanuit Zijn Woord tot ons komt, om daarmee op een rechte wijze werkzaam te zijn. Maar door de onderwijzingen van de Heilige Geest is het mogelijk uit die keur van zegeningen te kiezen wat wij in onze persoonlijke relatie nodig hebben. Dit is er een kort begrip van: „Ik, Immanuël, Vorst des vredes en Vriend van Mensziel, gun en geef uit naam Mijns Vaders en uit Mijn eigen goedertierenheid aan Mijn beminde stad Mensziel: Ten eerste, een vrije, volkomen en eeuwige vergiffenis van alle kwaad, ongelijk en belediging, die ooit aan Mijn Vader en Mij, aan haar naaste, of aan zichzelf gedaan heeft. Het is de verzoening door Mijn voldoening.

Ten tweede, Ik geef haar Mijn heilige wet en testament, met alles wat daarin is vervat en opgesloten tot haar eeuwige troost en altoosdurende verkwikking.” „En wij hebben gekend en geloofd de liefde die God tot ons heeft. God is liefde, en die in liefde blijft, die blijft in God en God in hem.” Maar ook dit: „Dewijl wij dan deze belofte hebben, geliefden, laat ons onszelf reinigen van alle besmetting des vieses en des Geestes, voleindigende de heiligmaking in de vreze Gods.”

Ten derde, Ik geef haar ook een deel van dezelfde genade en goedheid, die in het hart van Mijn Vader en in het Mijne is. „Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid o God! dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen. Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes, en Gij drenkt hen uit de beek Uwer wellusten,” zegt het hart in zoete geloofsgemeenschap.

Ten vierde, Ik geef en bespreek haar vrijelijk de wereld en al wat daarin is tot haar nut. „Niemand dan roeme op mensen, want alles is uwe. Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn allen uwe.”

Hij zal macht daarover hebben, zover het bestaan kan met de eer van Mijn Vader, de heerlijkheid die Mij toekomt en met haar vertroosting, ja Ik gun haar de voordelen van leven en dood, van tegenwoordige en toekomende dingen; dit voorrecht zal geen stad of gezelschap genieten dan Mijn Mensziel alleen. „Want hetzij dat wij leven, wij leven de Heere, hetzij dat wij sterven, wij sterven de Heere. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren.”

Ten vijfde, Ik geef haar ten alle tijde vrije toegang en verlof om tot Mij te naderen in Mijn paleis, ’t zij het hier beneden of boven is, om haar gebrek Mij bekend te maken. Ik geef haar daarenboven de belofte, dat Ik haar zal horen en ’t geen haar bedroeft herstellen.”

Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden.” Mijn Geest zegt u: „Maar die de Heere verwachten zullen de kracht vernieuwen, zij zullen opvaren met vleugelen gelijk de arenden; zij zullen lopen en niet moede worden. Zij zullen wandelen en niet mat worden.” Doch is het u niet mogelijk vanwege de druk der omstandigheden op te varen in de hoogte, weet dan dat het piepen als een zwaluw en het kirren als een duif met de zucht: „O Heere, ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg”, Mij ook aangenaam is. Ten zesde, Ik geef en begunstig de stad Mensziel met een volkomen macht en autoriteit, om te zoeken, te grijpen, dienstbaar te maken en te verdoen allerlei slag van Diabolisten, die zich in de stad of elders zullen bevinden omzwervende. „Ik zal de inwoners van dat land in ulieder hand geven, dat gij hen voor uw aangezicht uitstoot.”

Ten zevende, Ik gun ook aan Mijn geliefde stad Mensziel volmacht, om te beletten dat ooit een reiziger of vreemdeling vrij zal wezen binnen haar muren of deel hebben aan haar schone en uitnemende voorrechten. Al de gunsten, rechten en voordelen, die Ik het vermaarde Mensziel heb medegedeeld, zullen zijn voor de oude ingeborenen en goede ingezetenen; voor hen, zeg Ik, zullen ze zijn en voor hun zaad. Maar al de Diabolisten van wat geslacht, geboorte, landschap of koninkrijk zij ook zijn mogen, zullen daarvan uitgesloten wezen en geen deel daarin hebben. „Doodt dan uw leden die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid en de gierigheid, welke is afgodendienst.”

„Zo doet dan aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke beweging der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid. En boven dit alles doet aan de liefde dewelke is de band der volmaaktheid.”

Toen nu de burgers van de stad Mensziel deze keur, die veel uitgebreider was dan ’t geen dit kort begrip u daarvan heeft getoond, uit Immanuëls hand ontvangen hadden, zo brachten zij die ter plaatse van de afkondiging, te weten op de markt en daar las de heer registermeester ze in de tegenwoordigheid van al het volk overluid voor. Daarop werden zij naar de poorten van het kasteel gedragen en met sierlijke gouden letters op de deuren gegraveerd en dat naar dit woord: „Als die openbaar zijt geworden, dat gij een brief van Christus zijt, en door onze dienst bereid, die geschreven is niet met inkt, maar door de Geest des levenden Gods, niet in stenen tafelen, maar in vieses tafelen des harten.” Het volk van Mensziel moest onderwezen worden in de wet van Christus, de wet door Hem verheerlijkt opdat de stad steeds meer vermaak zou bekomen in de onderhouding van Zijn wet. „Want dat is het verbond, dat Ik met het huis Israëls maken zal na die dagen, zegt de Heere. Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven en in hun harten zal Ik die schrijven, en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn.”

Dat alles nu werd de stad met klaarheid voor ogen gesteld, opdat Mensziel en al zijn inwoners gedurig ’t gezicht daarop mochten hebben en gaan ter plaatse waar zij zien konden welk een gezegende vrijheid hun door Immanuël was verleend, opdat hun blijdschap in hen vermeerderd en de liefde die zij hun grote en goede Immanuël toedroegen, vernieuwd mocht worden.

Met verwondering werd dit woord gelezen: „Daarom zal de Heere Zelf ulieden een teken geven: „Zie een maagd zal zwanger worden en zal een Zoon baren en Zijn naam Immanuël heten. „Toen ’t teken van Gods vergevende liefde tot de stad werd opgeheven in de witte vlag werd ’t door al de burgers veracht. Maar nu is ’t toch geschied, tot roem van Gods genade in het hart van Mensziel door Immanuël ingenomen, en het volk heeft Hem hartelijk lief. O, welk een vreugde, welk een troost en verkwikking vervulde nu het hart der lieden van Mensziel! De klokken werden geluid, de lieden speelden, het volk huppelde, de kapiteins juichten, de vaandels zweefden in de lucht, de zilveren bazuinen werden geblazen, en de Diabolisten kwamen hun aangezichten te verbergen, want zij konden voor het aangezicht van Immanuël niet bestaan.

Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.