+ Meer informatie

HANDELINGEN OUDERLINGENCONFERENTIE 1961

10 minuten leestijd

De ouderlingenconferentie 1961, die op 18 oktober gehouden is in Amersfoort, werd door de voorzitter, broeder K. Geleijnse uit Wildervank, geopend met de volgende rede:

Het is mij weer een bijzondere vreugde u allen vanmorgen in dit ons zo welbekende kerkgebouw te mogen begroeten.

Vóór de aanvang van elke konferentie verwonder ik mij atlijd weer over de prettige stemming welke er heerst en de hartelijke begroetingen van de broeders onderling. ’t Is als bij de Schooldag waar men liefst een beetje op tijd is en men ook van de gezichten kan aflezen hoe blij men is er weer bij te kunnen zijn. Ik kan mij niet voorstellen dat dit alleen maar is omdat men een dagje uit is en weer eens wat bekenden ontmoet. Was dat wel het geval dan waren er wel andere gelegenheden te vinden en zouden de konferentie-werkzaamheden eerder afstoten dan aantrekken.

Ik meen echter te mogen vaststellen dat dit niet het geval is en dat men het juist aantrekkelijk vindt om als broeders van het zelfde huis een dag bezig te zijn met de dingen die ons ambtelijk leven raken, om van elkaar te leren en elkander op te scherpen in de juiste uitoefening van ons ambt opdat wij trouw mede-arbeiders Gods kunnen en mogen zijn.

Of we het dan in alles met elkander eens moeten zijn en of een konferentie dan pas goed geslaagd is als we allemaal dezelfde gedachte hebben over een bepaald onderwerp? Ik geloof het niet.

’t Zou misschien zelfs wel wat „taai” kunnen zijn.

Wel zullen we elkaar altijd eerlijk moeten behandelen en zeker geen kwade trouw mogen veronderstellen als een ander (door onze bril gezien!) eens een wat afwijkende mening heeft.

Men is er soms zo spoedig bij om etiketjes te plakken. Dat heeft ons kerkelijk leven al heel wat kwaad gedaan. We zien dat in eigen kerk en evenzo in de kerken om ons heen. Soms lijkt het wel of men er behagen in schept te zoeken naar wat verdeelt i.p.v. naar wat samenbindt. We zullen ons daar met alle kracht tegen dienen te verzetten en als ouderlingen altijd goed dienen te beseffen dat er leiding van ons moet uitgaan, wat alleen kan als de kerkeraad werkelijk een „team” vormt.

Hoe graag zou ik vanmorgen een optimistisch geluid willen laten horen over ons kerkelijk leven in ’t algemeen, maar dat zou mij eerlijk gezegd niet te best afgaan. U mag van mij verwachten dat ik de dingen eerlijk zeg, rekening houdend met het karakter van deze vergadering. U moet mij er dan ook niet van verdenken dat ik niet dankbaar zou zijn voor het vele goede dat er onder ons gevonden wordt. Natuurlijk ben ik dat wel maar ik ben toch eerlijk van mening dat wij wel erg ver van het „gemeente van Jezus Christus zijn” zijn afgedwaald.

Wordt U soms niet verschrikkelijk moe van de „strijd om beuzelingen” zoals wij die telkens en bijna overal weer aantreffen?

Benauwt het U niet heel erg dat wij als kerken, levende in een tijd waarin de naderende voetstappen van de wederkomende Christus steeds duidelijker gehoord worden, elkander nog maar steeds niet kunnen vinden. Hoeveel jaren wordt er nu al gekonfereerd en gedebatteerd, gepraat en geschreven met als enig zichtbaar resultaat dat we elkander hoe langer hoe minder gaan verstaan, een enkele uitzondering hier en daar nagelaten? Wat is er verschrikkelijk veel tijd gebruikt in de loop der jaren, die gezien de resultaten, beter anders gebruikt hadden kunnen worden.

En, om maar dicht bij huis te blijven, ik denk dat een ieder van ons het zal moeten zeggen: wat een vergadertijd en inspanning is er vaak nodig om alle mogelijke geschillen op te lossen.

Wat een liefdeloosheid menigmaal en een strijden voor eigen zaak inplaats van dat wij met elkaar de eer van onze Heiland zoeken te bevorderen en er naar staan om Zijn Naam uit te dragen en bekend te maken aan hen die van Jezus Christus zijn afgedwaald of nog nimmer van Hem hoorden. U mag bij de rondvraag rustig uw mening zeggen als u vindt dat ik het verkeerd zie.

Heus, we zullen ons moeten afvragen of hier misschien ook de oorzaak ligt van de groei der verschillende „bewegingen” en de geringe werfkracht der kerk. Houdt u er van overtuigd dat ik beslist niet alle verschillen maar zou willen bagatelliseren, en dat ik niet overtuigd ben van het bestaansrecht van de kerken die wij door Gods genade dienen mogen. Integendeel, maar wel kan ik mij heel goed begrijpen dat, terwijl er nu al zovele jaren zijn voorbijgegaan waarin werd gepolemiseerd, waarin kranten zijn volgeschreven en brochures zijn uitgegeven om eigen standpunt te verdedigen en aan anderen duidelijk te maken, er stemmen opgaan om hier nu eindelijk maar eens mee op te houden.

Ik wil volkomen onderschrijven hetgeen Ds. Toorman heeft geschreven in het Haags Kerkblad van 30 dec. 1960, welk artikel voor een groot deel door Ds. Maris werd overgenomen in het Jaarboek 1961, pag. 154 en 155.

U zult er goed aan doen broeders dit nog eens rustig na te lezen en te overdenken. Wat verder onze ambtelijke arbeid betreft is het misschien goed vandaag elkaar er nog eens aan te herinneren dat we ons hebben in te stellen op de mensen die leven in 1961. Wat liggen de vraagstukken heel anders dan b.v. 25 jaar en meer geleden. Alles is veel ingewikkelder en gekompliceerder geworden en vanzelfsprekend ondergaan we daar allen de invloed van, maatschappelijk en zeker ook geestelijk. Denk maar eens aan alles wat geschreven wordt over de moderne oorlogsvoering. Er ontstaat daardoor een mentaliteit (en heus niet alleen onder de ongelovigen) van: „och, wat zullen we ons druk maken, als er nu weer een oorlog komt dan is het toch met ons allemaal gebeurd”. Iets van die veranderde houding hebben we kortgeleden kunnen bemerken toen de spanning rond Berlijn toch wel erg kritiek was en bekend werd dat onze Regering enige suggesties t.a.v. voorraadvorming zou doen. Persoonlijk ben ik er dankbaar voor dat hierop niet als in een angstpsychose is gereageerd maar ik zou toch niet willen beweren dat dit het gevolg is van de innerlijke rust van ons volk doch veeleer van de gedachte: Laten we ons maar niet al te druk maken, we zullen wel zien wat er van komt.

Daarom zal het „letten op de tekenen der tijden” weer onderstreept moeten worden opdat de kerk niet zij een „afwachtende” maar een „verwachtende” kerk. Een ander aspekt is de welvaart waarvan we allen min of meer profiteren. Men kan soms uitdrukkingen horen als: de Diakonie kan wel met emeritaat gaan”. br. v. d. Brink heeft daarop in het laatste no. van Diakonaal Kontakt nog ge wezen. Natuurlijk zijn we het daar allerminst mee eens. De praktijk leert ons echter dat voorspoed lang niet altijd dankbaarheid teweeg brengt. Wat is er vaak een klakkeloos aanvaarden van de zegeningen van God en hoe menigmaal zien we juist ook in deze tijd dat de ondankbaarheid toeneemt ondanks de gestegen welvaart. Wellicht terecht moesten in het verleden meerdere werkgevers gewezen worden op een verkeerd gebruik maken van de omstandigheden t.a.v. hun werknemers, en gelukkig is daarin veel ten goede veranderd. Nu leven we echter in een tijd waarin ook menige Chr. werknemer zich moet afvragen of hij waarlijk in oprechtheid en trouw tegenover zijn of haar werkgever handelt en men niet in dezelfde fout vervalt die men anderen eertijds zwaar aanrekende. Ik noem zo maar enkele zaken broeders opdat wij er toch goed om zullen denken dat zowel „leer” als „leven” tijdens het huisbezoek besproken dienen te worden. Wellicht was u even verwonderd dat ik ter opening o.a. een artikel van onze Ned. Geloofsbelijdenis las. Vanzelfsprekend hebt u dit toen direkt in verband gebracht met het feit dat dit jaar wordt herdacht hoe voor 400 jaar onze belijdenis het licht zag. Het kennen van onze belijdenisgeschriften is belangrijk en ik geloof dat we er goed aan zouden doen hiervan meer Studie te maken. Immers, wanneer we iets willen verdedigen moeten wij ook de inhoud kennen en we zullen deze toch alleen maar kunnen onderschrijven als we ons die inhoud eigen hebben gemaakt. We zullen er goed aan doen er bij het huisbezoek op te attenderen hoe belangrijk het is om naast Gods Woord in de gezinskring óók de belijdenisgeschriften te lezen. ’t Is niet altijd even gemakkelijk maar het lezen van de „37 artikelen” kan ons tot troost en bemoediging zijn.

Uit het duidelijke artikel van Prof. v. Genderen in ons kerkelijk jaarboek citeer ik: „Het is deze konfessie die ons verbondt met onze vaderen. Wat er in 4 eeuwen ook veranderet is, wij belijden in 1961 ons geloof niet anders dan zij het hebben gedaan.

Onze belijdenis is allerminst verouderd. Het is de taal van het geloof die wij er in horen en die taal blijft ons aanspreken omdat ze overeenstemt met het Woord van God. „En verder:

„Natuurlijk heeft zij een historisch karakter. Het zijn de gelovigen van de 16e eeuw die wij van hun verwachting horen getuigen. „Hun zaak die nu tegenwoordiglijk door vele rechters en overheden als ketter en goddeloos verdoemd wordt, zal bekend worden de zaak van Gods Zoon te zijn. En tot een genadigde vergelding zal hen de Here zulk een heerlijkheid doen bezitten als het hart eens mensen nimmermeer zou kunnen bedenken” (art. 37). Dan volgt: „Daarom verwachten wij die grote dag met een groot verlangen om ten volle te genieten de belofte Gods, in Jezus Christus onzen Here”. Woorden, aldus Prof. v. Genderen, die in de kerk altijd weerklank moeten vinden. Het: „Wij geloven met het hart en belijden met de mond” staat ook in 1961 in de tegenwoordige tijd. Tot zover prof. v. G. v. G.

U begrijpt nu ook waarom ik juist art. 27 heb gelezen. Vijanden van binnen en van buiten belagen de kerk. Wij zien het vaak maar somber in en missen de moed om verder te gaan. Wij geloven sóms dat er niets van terecht zal komen. Wij vrezen vaak dat de onderlinge verdeeldheid alsook het gescheurd zijn der kerken de ondergang van de kerk zal betekenen.

Wij zullen er goed aan doen onze kerkelijke schuld voor God te belijden en biddend te vragen om de leiding van de Heilige Geest opdat Die ons als kerk leide en besture; opdat de harten geneigd worden tot ware eenheid.

Dan kunnen wij ook als ambtsdragers weer bemoedigd voortgaan want dan werken we niet ons eigen werk maar dan mogen we zien dat de Koning der Kerk ons, zondige mensen, wil gebruiken, door alles heen, om Zijn werk te werken. We geloven en belijden een enige Katholieke of algemene Kerk. Deze heilige Kerk wordt van God bewaard tegen het woeden der gehele wereld.

Na dit openingswoord werd het Lutherlied gezongen, waarop de voorzitter een welkomswoord richtte tot de referent van deze dag, ds. J. P. v. d. Boomgaard en tot ds. J. C. Maris, die een slotwoord zou spreken. Vervolgens werd een begin gemaakt met de afhandeling van de meer huishoudelijke zaken.

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.