+ Meer informatie

Strijd rond geestelijke verzorgingkrijgsmacht

Hoeveel moet er bezuinigd worden?

6 minuten leestijd

DEN HAAG — De omvang en de taak van de geestelijke verzorging in de krijgsmacht vormen het onderwerp van een zich reeds jaren voortslepende discussie tussen de verschillende zendende instanties onderling en het ministerie van Defensie. Onlangs stuurde de bestreffende minister de diverse instanties een ambtelijk rapport waarin gewag wordt gemaakt van drastische bezuinigingen (40 procent). Doel van dit vertrouwelijke rapport is meer zicht te verkrijgen op dit zo verschillend gewaardeerde onderdeel van ons leger.

De zendende instanties (de Protestantse en Rooms-katholieke Kerken, de Joodse genootschappen en het Humanistisch Verbond) hebben de mogelijkheid om in totaal 265 geestelijke verzorgers in de krijgsmacht te plaatsen. Momenteel werken er daadwerkelijk zo'n 203 verzorgers in het leger. Organiek zijn er ongeveer 120 legerpredikanten, evenveel aalmoezeniers, 18 raadslieden (zij zijn in dienst van het Humanistisch Verbond) en een tweetal rabbijnen.

Hoewel de zendende instanties verantwoordelijk zijn voor de inhoud van de boodschap van de GV, zijn de verzorgers formeel door de overheid aangesteld. Zij hebben niet alleen .een uniform en een militaire rang, maar ontvangen ook een salaris van het ministerie.

De laatste jaren klinkt steeds weer de vraag naar de zin van de huidige grootte van de GV in de krijgsmacht. Het bewuste vertrouwelijke rapport is een produkt van een door de staatssecretaris ingestelde ambtelijke werkgroep die moest onderzoeken hoe de GV er de komende jaren uit moet gaan zien. Conclusie van dit rapport is dat de huidige omvang van de geestelijke verzorging niet meer in overeenstemming is met de maatschappelijke ontwikkeling in de krijgsmacht.

Vredestijd

Naar aanleiding van dit als discussiestuk bedoelde schrijven zullen de kerken, het Humanistisch Verbond en de minister de komende maand weer om de tafel gaan zitten. Eerder overleg tussen de zendende instanties liep vast door de zo verschillende uitgangspunten.

Reeds sinds de benoeming bij Koninklijk Besluit van 28 augustus 1914 door de koningin van vier vaste aalmoezeniers en acht veldpredikers (vier vrij- en vier rechtzinnig) wordt er gediscussieerd over de grootte van de GV en haar taak in vredestijd. Voor die tijd was de GV anders georganiseerd. Priesters en veldpredikers bewogen zich al jaren tussen de gelederen van de vaderlandse legers. Uit oude acta van de kerken valt op te maken dat er regelmatig zielszorgers werden uitgezonden. Bij deze arbeid stond de verkondiging van het Woord centraal. De prediking vond, mits er niet gevochten werd, plaats op woensdag- en zondagmiddag.

Koning Willem III vaardigde in 1850 een Koninklijk Besluit uit dat vaststelde dat er ook in vredestijd door de parochie of de gemeente in de gamizoensplaatsen voor de geestelijke welstand van de militairen moest worden gezorgd. De functionarissen werden door kerken Aangewezen, terwijl het „Departement van Oorlog" een tegemoetkoming betaalde.

Minimaal

Deze zielszorg, bedoeld voor militairen zonder officiersrang, voor wie de garnizoensplaats tegelijkertijd ook verblijfsplaats was, bleef minimaal. Er bleek behoefte te bestaan aan speciale verzorgers voor de militairen. De aanstelling van de acht speciale geestelijke verzorgers, en de mogelijkheid tot uitbouw van de verzorging zoals die in 1914 naar voren kwam, voorzag in deze behoefte.

De wettelijke regeling van vaste verzorgers in de krijgsmacht is nog steeds van kracht en het aantal GV'ers is in de loop der jaren steeds verder uitgebreid. Naast de protestantse en rooms-katholieke GV, kwam tijdens de Tweede Wereldoorlog ook de Joodse GV en na jarenlang touwtrekken werd het Humanistisch Verbond in 1964 de vierde zendende instantie.

Na de laatste wereldoorlog is de geestelijke verzorging per legeronderdeel in korpsen verdeeld. Deze reorganisatie viel samen met de voorbereidingen van de naar Nederlands-Indië uitgezonden legermacht. Het aantal militairen nam sterk toe, de garnizoenszielszorg verdween en de categorale GV voor militairen verzelfstandigde. Het beginsel dat de zielszorg niet ondergebracht moest worden in het leger werd hiermee verlaten.

Discussie

Sinds de Nederlands-Indië-kwestie wordt de praktijkregcl gehanteerd dat er een aalmoezenier en een predikant moeten zijn op 1500 militairen en bij de marine op 1000 soldaten. Officieel vastgelegde normen bestaan er niet. Om daar verandering in te brengen is de laatste tijd al heel wat afgepraat.

Aan het huidige vertrouwelijke rapport zijn al diverse andere discussiestukken voorafgegaan. Naast uitspraken van het ministerie in de defensienota's van '74, '81 en '83 over een herziening van een overigens „noodzakelijke GV" verscheen er in 1977 een eindrapport van de Stumik (Stuurgroep Maatschappelijke Invloeden in de Krijgsmacht). „Een probleem" noemde dit rapport de GV in de krijgsmacht, waarop de Hoofden van Dienst bij de minister pleitten voor behoud van de GV.

Een op verzoek van staatssecretaris Van Lent verschenen rapport over de „geestelijke verzorging in de krijgsmacht" onderstreepte de vragen naar de behoefte van de GV, de taak en de plaats van de verzorgers. Deze rapporten vormden pogingen om de discussie over de GV in concrete resultaten om te zetten. Het onlangs verschenen rapport is de zoveelste aanzet tot een mogelijke besluitvorming.

Inkrimping

Een argument voor de afslanking van de GV is in het rapport het verschijnsel dat de militairen de weekeinden en avonden veelal vrijaf zijn. Deze soepele verlofregeling zou de behoefte aan geestelijke verzorging in de krijgsmacht sterk verminderen. Bovendien heeft het ministerie moeite met het budget. Overigens hebben de plannen tot inkrimping geen betrekking op de GV bij de eenheden in Duitsland en de Nederlandse Unifiltroepen in Libanon.

De Commissie Interkerkelijk Contact in Overheidszaken (CIO), onder voorzitterschap van professor dr. I. A. Diepenhorst, heeft gereageerd dat de commissie wel begrip heeft voor de bezuinigingen, maar dat die niet meer dan tien procent mogen zijn. Een organisatie als de Algemene Vereniging Nederlandse Militairen (AVNM) liet duidelijk weten geen begrip te hebben voor de argumenten van de ambtelijke werkgroep.

Vrijblijvend

Er zijn echter ook andere geluiden. Op een vorig jaar gehouden conferentie van de Stichting maatschappij en krijgsmacht over de geestelijke verzorger sprak ook kolonel W. C. Louwerse, commandant van de opleidingsschool van de luchtmacht in Nijmegen. Hij stelde dat onder het beroepspersoneel (56.500 tegenover 47.500 dienstplichtigen) een negatieve houding wordt aangenomen tegenover de GV. Louwerse vond dat de verzorgers beter personeelsambtenaar konden worden. In de praktijk zijn ze dat vaak al volgens de officier.

De Vereniging van dienstplichtige militairen liet zich bij monde van haar oudsecretaris, J. G. A. Oudhuis, op dezelfde conferentie ook negatief uit over de dienst. Geluiden van officieren, dienstplichtigen en geestelijke verzorgers zelf geven aan dat bij veel lessen van de GV steeds minder over de Bijbel wordt gesproken en dat het meer en meer vrijblijvender wordt.

Al deze zaken zullen weer aan de orde moeten komen bij het overleg tussen de verschillende zendende instanties, maar ook daar binnen. De bezuinigingsvoorstellen van de minister dwingen de instanties min of meer de GV eens goed onder de loep te nemen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.