+ Meer informatie

MATHEID, LAUWHEID IN GEESTELIJKE ZAKEN EN VERLIES VAN IDENTITEIT

9 minuten leestijd

Matheid

In dit gedeelte willen we ons bezig houden met de matheid, de lauwheid in geestelijke zaken. De betekenis van deze twee woorden staat voor vermoeidheid en het gemis aan vuur en ijver. De vermoeidheid in het trouw zijn aan de Here; de vermoeidheid om zich in te zetten voor de ambten en het vrijwilligerswerk; de vermoeidheid in onderling dienstbaarheid. Parallel aan die vermoeidheid loopt het gemis aan vuur en ijver voor dezelfde zaken als bovengenoemd.

Het einde van de twintigste eeuw komt met rasse schreden. We leven in een samenleving waarin het christelijk geloof niet meer centraal staat. Men mag dan nog lid zijn van een kerk, het christelijk geloof valt buiten de publieke belangstelling en buiten het publiek belang. Er is een klimaat geschapen waarin de mens zichzelf zoekt, zijn eigen weg gaat, zonder dat hij God daarbij nodig heeft. Het is zelfs de vraag of hij God nog kent. De ego-cultuur staat voorop. In onze tijd van individualisering en van consumeren worden we dagelijks met deze zaken geconfronteerd. Het is een wereld waarin niet God, maar het ‘medium’ Jomanda de wonderbare genezing geeft. De Bijbel leert ons dat we afhankelijke mensen zijn, zowel afhankelijk van Gods genade als van onze medemens. Niemand is mens op zijn eentje. Niemand kan het alleen af in deze wereld. We leven in maatschappelijke verbanden waar we verantwoordelijkheid voor moeten dragen. De hedendaagse individualisering beperkt de verantwoordelijkheid naar de ander toe tot een minimum. Niet alleen de onkerkelijke mens, maar ook wij staan onder invloed van zo’n samenleving. Hoevelen van ons hebben niet de zorg voor het dagelijks bestaan. Hoe vaak worden we niet in beslag genomen door het leven van iedere dag: de opvoeding van de kinderen; de problemen die zich op het werk voordien; het verlies van een baan; de financiële situatie; de problemen die er kunnen zijn binnen huwelijken; de psychische problemen; de problemen omtrent de gezondheidstoestand.

Al deze zaken hebben hun weerslag in het gemeente-zijn vandaag. Niet te ontkennen valt, ook al zijn er uiteraard bloeiende gemeenten die dit niet zo ervaren, dat wij te maken hebben met een vorm van matheid binnen onze kerken. Het lijkt wel, om het met de woorden van Paulus te zeggen, of we zo vleselijk leven en zo weinig geestelijk zijn. We horen de woorden van het evangelie, maar de glans van het evangelie is zo weinig van onze gezichten af te lezen. Waar is de moed en het vuur om te willen vertellen wat we beleven in het geloof? Waarom zijn we zo terughoudend naar elkaar als we horen van de liefde van Christus? Hoe komt het dat de vacatures voor ambtsdragers niet of zo moeilijk vervuld kunnen worden? Hoe kunnen we in deze wereld een zoutend zout zijn, als we zelf een matheid uitstralen en elkaar zo weinig bemoedigen en in geestelijke zin enthousiasmeren? Waar is onze onderlinge betrokkenheid? Als wij ons als volwassenen zo gedragen, wat mogen we dan nog van onze jeugd verwachten?

Waarom is in de middagdienst de kerk nog maar voor de helft (en soms minder) gevuld? Waarom verlaten steeds meer jongeren de kerk? Waarom zijn de evangelische groepen zo aantrekkelijk? Ik hoorde van een gemeentelid dat hij met zijn kinderen naar een Praise-avond van de EO is geweest. Er waren 2500 positieve jongeren aanwezig. Waarom is er bij ons zo weinig jeugd in de kerk, op de jeugdverenigingen en de clubs? En als er voldoende jeugd is die meeleeft in de kerk, hoe is hun houding door de week? Veel jongeren leven in twee werelden. De wereld van de TV, van de muziek, van alles moet kunnen en ‘s zondags is er de gebruikelijke gang naar de kerk, al of niet met tegenzin. Voelen we ons nog verantwoordelijk voor de ontwikkeling binnen ons kerkverband?

Nog nooit is een tijd zo God-loos geweest als onze tijd in West-Europa. En dan bedoel ik met goddeloos niet dat onze tijd door en door siecht is, maar dat ze God-loos is. God kent men niet meer. Sterker nog, men wil geen God meer kennen. De mens in zijn handelen is norm geworden. Binnen onze kerken kent men God (uiteraard) wel. Maar in God geloven zegt niet zoveel. Het gaat erom of onze harten nog brandende zijn van liefde en van ijver voor de Heere. Soms lijkt het of we alleen maar in Gods huis komen om te consumeren, om aan te horen en vervolgens onze wegen te gaan. Waar is de doorwerking van de Heilige Geest? Het lijkt zo vaak zo dor en doods. De lauwheid straalt zo vaak van ons af. Enige tijd geleden sprak ik met een predikant die verzuchtte dat hij zo weinig readies hoorde op de prediking. En als die reacties er al waren dan getuigden ze niet van een daadwerkelijke blijdschap en bewogenheid. De dominee had alleen goed gesproken. Alsof hij sprak voor anderen.

De enige identiteit die we hebben is de Schrift en de belijdenis

Over de zorgen en de moeiten binnen de kerken is al veel geschreven. Onlangs las ik het boek van dr. F. Vellema “Lege preken, lege banken”. Het boek gaat over de grote leegloop binnen de Gereformeerde Kerken (synodaal). Hij geeft aan dat die leegloop te wijten is aan preken zonder oproep tot bekering, tot geloof te komen en Jezus te aanvaarden en zijn verlossingswerk centraal te stellen. Hij roept op om terug te keren tot het eeuwige fundament.

Gelukkig is de roep om terug te keren tot het fundament van het geloof, het verzoeningswerk van Christus, binnen onze kerken nog niet zo nadrukkelijk afwezig. Het fundament wordt nog van harte gepredikt. Toch is er zo nu en dan wel te bespeuren dat er mensen zijn die vinden dat de prediking moderner zou moeten zijn. De hedendaagse zorgen van de mensen moeten meer aan de orde komen. Er zou meer nadruk moeten liggen op het onderling dienstbetoon. Dat er aandacht gegeven wordt aan de medemens is goed. Het is zelfs een gebod onze naaste lief te hebben als onszelf. In de prediking moet daar plaats voor zijn. Maar het is niet het enige. Men vraagt om eerlijke, duidelijke en oprechte prediking.

Geen sociaal gepraat, maar een getrouw antwoord hoe de relatie tot God moet zijn. Een getrouw antwoord is alleen te vinden in de Schrift en de belijdenis. Dat is onze kracht.

Als we spreken over matheid, weinig vuur en ijver, dan wordt gedacht dat er meer dynamiek in de kerk moet komen. De onderlinge verbondenheid moet meer tastbaar worden. Er zou meer uit de Geest geleefd moeten worden. Vaak wordt een relatie gelegd met evangelische groepen. Jongeren halen vaak de voorbeelden aan van Youth for Christ of de Praise-avonden van de EO. Soms kunnen we met jaloersheid kijken naar de beleving van het geloof binnen die groepen.

En dat is vreemd. We hebben zo’n rijk evangelie. God is groot en heilig. Hij is almachtig en Hij is boordevol ontferming. Telkens weer spreekt God over zijn genade die Hij ons wil geven. Hij is trouw en wil als een schaduw zijn aan ons rechterhand. Onze hulp is van de Heere alleen. Als je dat kunt geloven dan neemt de Heere je leven in beslag en dat kan een geweidige uitwerking hebben. Het evangelie is een kracht Gods tot behoud. Binnen onze kerken staat vooral centraal dat het geloof een persoonlijk geloof is.

We uiten ons misschien anders. We zijn niet zo vertrouwd met uitbundig ons geloof te laten blijken. We zijn niet gewend om Gods genade en heil van de daken te roepen. Dat missen we. Maar wat we, naar ik hoop, niet missen is de vertrouwdheid met God. En de liefde tot Hem.

Oproep tot getrouwheid

In de brieven van Johannes aan de zeven gemeenten in Asia worden de positieve en negatieve zaken van de gemeenten genoemd. Het zijn brieven die als een rondschrijven aan de zeven kerken is gericht. Zeven is het getal van de goddelijke volkomenheid. Ze laten ons zien de volkomen toegewijde zorg die Christus voor zijn gemeente in Klein-Azië heeft. En in hen voor de kerk van alle eeuwen. Binnen die zeven gemeenten worden situaties beschreven die voor ons zo herkenbaar zijn. Verdrukking, laksheid en matheid, weinig enthousiasme, zelfingenomenheid. Aan het einde van de brieven is er telkens een oproep: “Wie een oor heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt!” De Geest spreekt elke zondag weer tot ons. Getrouwe prediking, waarin de zaken benoemd worden: hoe wij er voor staan en waar we ons aan te houden hebben en hoe groot de liefde en genade van God is; het zijn behoeften die niet alleen leven bij ouderen maar zeker ook bij jongeren. Getrouwe prediking, het lijkt dwaasheid, maar door die prediking roept God. In 1 Cor. 1:21 staat dat het Gode behaagd heeft door de dwaasheid der prediking hen te redden die geloven. Dat die prediking niet gepaard gaat met veel franje eromheen, is ons eigen. Dat is ook niet nodig. Het accent ligt op het vertellen van datgeen wat God ons te zeggen heeft. En de Geest getuigt onder het lezen van het Woord, tijdens het bidden en tijdens de prediking. Maar het is wel wederkerig. Wij zullen zelf ons moeten richten op datgene wat gezegd wordt. Dat vraagt van ons actie. Actie om geconcentreerd te luisteren, te bidden en ons niet te laten afleiden door prikkels van buiten.

Naarmate we de Heere meer leren kennen en meer naar Hem luisteren en geloven in Zijn beloften, zal het geloof en de vrucht van het geloof toenemen.

Voor de predikant ligt er een grote verantwoordelijkheid om de gemeente telkens daartoe op te wekken. We zullen elkaar moeten aanspreken op onze laksheden, omdat het hier gaat om zaken die eeuwigheidswaarde hebben. Voor ouders ligt er een grote verantwoordelijkheid om met hun kinderen in gesprek te gaan over het geloof. Dat vraagt van de ouders veel énergie, omdat het binnen de opvoeding een steeds terugkerend onderwerp van gesprek moet zijn. En met pubers, bij wie het accent vaker ligt op MTV en rap dan op de Bijbel en kerkgang, is dat gesprek een hele opgave.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.