+ Meer informatie

Kerk en ambt in: Het licht van de verhoging van christus

12 minuten leestijd

Tussen Pasen en Pinksteren

Wie de vraag stelt, wat de opstanding van Christus voor ons betekent, moet niet voorbijgaan aan de samenvatting die in Zondag 17 van de Heidelbergse Catechismus gegeven wordt. Daar wordt gesproken over de rechtvaardiging, de vernieuwing en de verheerlijking. Dat is volkomen schriftuurlijk.

Een beknopt leerboek als onze Catechismus kan echter niet volledig zijn. Er is meer van te zeggen. Zo heeft Pasen ook betekenis voor het leven van de kerk en voor het ambtelijk werk.

Meestal wordt Pinksteren meer met de kerk in verband gebracht dan Pasen. Van het heilsfeit van Pinksteren uit zijn er lijnen te trekken naar het kerkelijk leven met al zijn facetten. Het boek Handelingen laat ons dat duidelijk zien. Het is een boek van de kerk. Maar het is vooral een boek dat getuigt van het werk van de Geest van Christus in zijn kerk op aarde. Volgens het apostolische woord is de gemeente een woonstede Gods in de Geest (Ef. 2 : 22).

In onze tijd wordt daarbij dikwijls vooropgesteld, dat de Geest de gaven uitdeelt die de gemeente nodig heeft. Er is een verscheidenheid van gaven en ze dienen tot opbouw van het lichaam van Christus. Het gaat er volgens sommigen maar om dat de gemeente voor bepaalde taken mensen kiest die er de gelegenheid en de geschiktheid voor hebben. Het ambt zou puur functioneel op te vatten zijn, als een dienst aan de gemeente, aanvaard door de gemeente en controleerbaar door de gemeente.

Het gevaar is groot, dat men dan alles van de menselijke kant beziet. Er moet nu eenmaal allerlei werk gedaan worden. Aan de gemeente en aan haar leden zijn gaven van de Geest gegeven. Daarom kan zij een aantal begaafde mannen en vrouwen kiezen en in haar dienst nemen. De gemeenschap bepaalt wat recht en goed is.

Er wordt wel eens gezegd, dat men in deze tijd functioneel denkt. Het zijn in elk geval gedachten die heel gemakkelijk ingang vinden. Maar de Heilige Schrift spreekt er anders over. Zij leert ons niet uit te gaan van het kerkelijk leven zoals dat zich aan ons voordoet en van onze mogelijkheden om een bijdrage aan het geheel te leveren.

Als wij bij Pinksteren beginnen om op de vrucht van de Geest en de gaven van de Geest in de gemeente te wijzen, mogen wij niet uit het oog verliezen, dat de verhoogde Christus zijn Geest uitgestort heeft (Hand. 2 : 33). In dat licht zien we pas goed wat de Heilige Geest doet en schenkt. Het verwondert ons dan niet, dat in het Nieuwe Testament enerzijds staat, dat de Heilige Geest mensen tot opzieners gesteld heeft om de gemeente Gods te weiden (Hand. 20 : 28), en anderzijds, dat Christus, die ver boven alle hemelen opgevaren is om alles tot volheid te brengen, zowel apostelen als profeten gegeven heeft, zowel evangelisten als herders en leraars, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus (Ef.4 :10,11).

Pasen en Pinksteren zeggen ons, dat het niet waar is, dat het in de kerk alleen maar menselijk toegaat.

De kerk en haar werk in het licht van Pasen

Zonder de opstanding van onze Here Jezus Christus zou er geen gemeente als het lichaam van Christus zijn. Zonder Pasen geen kerk!

Als de opstanding van Christus geen realiteit was, zou het gebleven zijn bij een herinnering aan Jezus. Men zou kunnen spreken van de invloed van Jezus, die zich misschien wel ver zou uitstrekken. De prediking zou dan echter zonder inhoud zijn en het geloof eveneens (1 Kor. 15:14). Nu Christus opgewekt is uit de doden, heeft de verkondiging van het heil in Christus kracht en uitwerking. Nu wordt geloofd en beleden, dat Jezus Here is en dat God Hem uit de doden opgewekt heeft (Rom. 10:9).

We lezen in de Evangeliën, hoe de Heiland op de dag van zijn verrijzenis de verstrooide gelovigen al bijeen gaat brengen. De vrouwen, aan wie Hij verschijnt, zijn met de boodschap van Pasen op weg naar de discipelen. Jezus ziet ook naar Simon Petrus om en Hij herstelt hem openlijk in het ambt. Hij doet Thomas tot een belijdenis komen waarin het woord „Here” zijn volle klank heeft: Mijn Here en mijn God!

Zo is Jezus na zijn opstanding bezig met zijn kerkvergaderend werk. Er zijn mensen aan wie Hij bijzondere opdrachten geeft en die Hij ook de kracht van de Heilige Geest belooft. De apostelen moeten zijn getuigen zijn (Hand. 1:1-8).

Zij en allen die de Here later in zijn dienst gebruikt, moeten voortdurend in gedachten houden, dat Jezus Christus uit de doden opgewekt is. Zo zegt Paulus het tot Timoteüs (2 Tim. 2 : 8). De apostel Paulus doelt hier niet zozeer op het feit van de opstanding - dat staat voor Timoteüs wel vast - als wel op de noodzakelijkheid om er altijd weer aan te denken, dat Jezus leeft.

Timoteüs zag blijkbaar op tegen het werk, dat getekend wordt als een doorgeven van wat hij ontvangen had. Ambtsdragers kennen dat wel, zowel zij die niet lang geleden bevestigd zijn als zij die al jaren dienen. De vergelijkingen met de situatie van een soldaat, een kampvechter en een landman zijn op zichzelf al bemoedigend. Maar er is meer: Vergeet niet, dat Jezus leeft! Dat is wel eens het apostolisch recept tegen de moedeloosheid genoemd. Het gaat erom steeds te leven bij de overwinning en uit de kracht van Christus.

In 1 Korintiërs 15 : 58 vinden we nog een krachtige aansporing van Paulus: Daarom, mijn geliefde broeders, weest standvastig, onwankelbaar, te allen tijde overvloedig in het werk des Heren, wetende, dat uw arbeid niet vergeefs is in de Here.

Bij het werk van de Here kan men wel allereerst aan het werk van mannen als Paulus en Timoteüs denken (vgl. 1 Kor. 16:10), maar toch niet uitsluitend. Wat de geliefde broeders hier voorgehouden wordt, vloeit voort uit het voorgaande. Maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onze Here Jezus Christus. Daarin komt heel de boodschap van dit machtige hoofdstuk mee.

We moeten en kunnen standvastig zijn, omdat er grond is om op te staan. Die grond is wat God in Christus gedaan heeft. Wat beslissend is, is gebeurd. Het geloof in Christus en in zijn opstanding maakt actief. Er is door Hem perspectief voor ons leven en voor ons werk. Hier worden niet alle mogelijke werkzaamheden bedoeld. Het is het werk van de Here Jezus Christus, het werk dat in opdracht van Hem verricht wordt en dat daarom zijn werk mag heten. De Here verwacht niet, dat we er af en toe wat aan doen. Er staat: te allen tijde overvloedig in het werk des Heren.

De gebiedende wijs, die Paulus gebruikt, wordt omvat en gedragen door de boodschap van het volbrachte werk van Christus. De arbeid die we in gehoorzaamheid, in het geloof en uit liefde tot Hem mogen doen, is niet vergeefs in de Here. Dat mogen we weten.

In het Grieks van het Nieuwe Testament is sprake van moeitevolle arbeid, arbeid die inspanning kost. Het gaat niet vanzelf. De Schrift spreekt over lijden en strijd. Toch wordt het werk gedaan. De Here roept ertoe en Hij geeft er ook de kracht voor.

De arbeid is niet vergeefs in de Here. Het geheim ligt in de verbondenheid met Christus. Als Hij er niet achter stond, zouden we kunnen denken: Waar werken we eigenlijk voor? Heeft het zin en haalt het iets uit?

Zonder Pasen zou de prediking evenals alle andere arbeid in Gods Koninkrijk vruchteloos zijn. Maar nu niet! Soms zien of horen we later pas, dat het niet voor niets geweest is. Het is ook niet het belangrijkste, of we dat zelf merken of niet. Laten we onze roeping volgen, het werk van de Here blijven doen, dankbaar zijn dat wij het mogen doen en in het vertrouwen leven dat de Here het zegenen zal.

De betekenis van de hemelvaart van Christus

In de tijd tussen zijn hemelvaart en zijn wederkomst schakelt de Here Jezus Christus terwille van de voortgang van zijn werk telkens weer mensen in (vgl. Ef. 4:10,11).

Toen Hij ten hemel voer, zegende Hij de zijnen. Het laatste dat de gemeente van haar Heiland zag, was zijn zegenende gestalte. Om nooit te vergeten! Vanuit de hemel blijft Hij zijn zegen geven. De zegen die wij bij het werk in de kerk nodig hebben en die wij elkaar mogen toewensen, heeft Hij voor ons verworven. Van alle zegeningen is wel het voornaamste, dat Hij ons zijn Geest zendt als een tegenpand, als een onderpand van zijn kant (Heid.Cat., Zondag 18), door wiens kracht wij zoeken wat daarboven is, waar Christus is. We leven en werken dan wel hierbeneden, maar we mogen het van Boven verwachten.

Voordat de Here Jezus opvoer naar de hemel, droeg Hij de apostelen en in hen zijn kerk op de wereld in te gaan en de volken tot zijn discipelen te maken. Dat zou onbegonnen werk zijn, als Hij niet alle macht had in de hemel en op aarde en als Hij er niet zelf altijd bij was. Maar Hij heeft uitdrukkelijk beloofd: En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld (Mat. 28 :18-20).

Christus is in de hemel onze Voorspraak bij de Vader. Dit deel van zijn ambtelijk werk is niet alleen van het grootste belang voor elke gelovige, maar ook voor alle ambtsdragers. De voorbede van Christus heeft betrekking op het leven in zijn gemeenschap en in zijn dienst. Hij heeft voor de zijnen gebeden: Heilige Vader, bewaar hen in uw naam, die Gij Mij gegeven hebt, dat zij één zijn zoals Wij. Heilig hen in uw waarheid; uw woord is de waarheid. En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen die door hun woord in Mij geloven.

Dat zijn woorden uit het hogepriesterlijk gebed (Joh. 17). Zo bidt Christus nog, want Hij is dezelfde gebleven in zijn liefde en trouw en de zijnen hebben het nu niet minder nodig dan toen Hij op aarde was, dat Hij het voor hen opneemt.

Als wij gemeente van Christus zijn, wil dat ook zeggen, dat wij op de dag van de Here samenkomen om de door ambtsdragers geleide eredienst te onderhouden. Dan zien wij op tot Hem, die de dienst verricht in het heiligdom (Hebr. 8 : 2), met de bede dat ons vergeven zal worden wat niet naar de maatstaf van het heiligdom is. Als gemeente en als ambtsdragers hebben wij immers altijd de vergeving van zonden nodig, die ons op grond van het verzoenend werk van Christus geschonken wordt.

Christus is nu gezeten aan de rechterhand van God

De plaats aan de rechterhand is voor ons besef de ereplaats. Bij de woorden van de Schrift over de plaats van Christus aan de rechterhand van de Vader moeten wij ook en vooral denken aan de hoogste macht. Hij maakt het woord waar dat Hij nog vóór zijn hemelvaart gesproken heeft: Mij is gegeven alle macht in de hemel en op aarde. Het woord dat hier staat (Mat. 28 :18), betekent eigenlijk volmacht of bevoegdheid. Het is macht en recht tegelijk. Het komt Hem rechtens toe dat Hij alles over allen te zeggen heeft.

De gemeente wordt door Christus niet alleen vergaderd, maar ook beschermd. Als leden van de kerk van Christus en zeker ook als ambtsdragers worden we telkens gewaar, dat de vorst der duisternis verwoede pogingen doet om het werk van de Here te verijdelen. De heerschappij van Christus stuit in de wereld op geduchte tegenstand. Maar wie ogen heeft om te zien, zal tekenen opmerken van zijn koninklijke heerschappij. Dat voorrecht wordt dikwijls juist aan hen geschonken die de Here in zijn bijzondere dienst wil gebruiken.

Het is voor de kerk en haar werk van de grootste betekenis, dat de Vader alle dingen regeert door Hem die het Hoofd van de gemeente is (Heid. Cat., Zondag 19). De gemeente van Christus krijgt ruimte op aarde. De wereld is haar werkterrein. Christus is als Hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, die zijn lichaam is (Ef. 1 : 22).

Dat betekent voor de wereld, dat alles zich voor Hem moet buigen - is het niet vrijwillig, dan eenmaal gedwongen. Alle tong moet belijden, dat Jezus Here is, tot eer van God, de Vader (Filip. 2 : 11).

Voor de kerk, haar ambtsdragers en haar leden, houdt het in, dat Hij erkend wordt als het enige Hoofd. Dat komt daarin uit dat men zich richt naar het zuivere Woord van God en alle dingen verwerpt die daartegen zijn (Ned. Geloofsbelijdenis, artikel 29).

Dat is ook de eis die aan de kerkelijke vergaderingen gesteld moet worden. De kerkregering heeft van het beginsel uit te gaan, dat Christus alleen Koning is.

Calvijn heeft samenvattend gezegd: „Hij is dus gezeten in de hoge plaatsen, opdat Hij door vandaar zijn kracht uit te storten op ons, ons zou levend maken, door zijn Geest ons heiligen, met verscheidene genadegaven zijn kerk versieren, door zijn bescherming haar veilig tegen alle schaden bewaren, de verwoede vijanden van zijn kruis en van onze zaligheid door de kracht zijner hand bedwingen, en eindelijk opdat Hij alle macht in hemel en op aarde zou hebben, totdat Hij al zijn vijanden, die ook de onze zijn, zal hebben ternedergeworpen en de opbouw zijner kerk zal hebben voltooid. En dit is de ware stand van zijn Rijk, dit is de macht, die de Vader Hem gegeven heeft, totdat Hij zijn laatste handeling volbrengt, wanneer Hij komt om te oordelen de levenden en de doden” (Institutie, II, 16, 16).

Het werk van Christus in zijn verhoging gaat zijn voltooiing tegemoet. Hij zal wederkomen om te oordelen. Dan zal de zaak van de vromen en uitverkorenen, die hier verdrukt en veroordeeld worden, de zaak van de Zoon van God blijken te zijn. De Here geeft hun heerlijkheid. Daarom verwachten wij die grote dag met een groot verlangen, om ten volle te genieten de beloften Gods, in Jezus Christus, onze Here (Ned. Geloofsbelijdenis, artikel 37).

Een van deze beloften is: Wanneer de Opperherder verschijnt, zult gij de onverwelkelijke krans der heerlijkheid verwerven (1 Petr. 5 : 4). De getrouwe dienstknechten zullen ingaan in de vreugde van hun Here.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.