+ Meer informatie

De Christinnereis is voor jong en oud

7 minuten leestijd

21

Vanuit de Schrift heeft Uitlegger aan Stoutmoedig de opdracht gegeven deze reisgenoten naar Sion te brengen aan de poort van het paleis tot onderhouding van de gemeenschap der heiligen. Door de portier van deze heer-lijke woning daarvan kennis te geven bij het overdragen van de pelgrims, heeft hij zich meesterlijk van zijn taak gekweten. Met al de liefde van zijn hart heeft hij uit liefde tot de Heere en het werk van Zijn genade de tijde-lijke, geestelijke en eeuwige belangen van deze familie behartigd. Onderwijzend en be-schermend trad hij menigmaal op in de naam van zijn Koning.

Aan het vriendelijk vragen van de deur-wachter: „Wilt gij hier niet binnenkomen en overnachten?” kan hij niet voldoen. “lk zal nog heden, in verband met mijn opdracht, naar mijn Meester terugkeren” , was zijn ant-woord.

Maar daar had Christinne niet op gerekend. „Ach mijnheer”, zo sprak zij, „ik weet bijna niet, hoe wij zonder u de tocht zullen voortzetten. Gij zijt altijd zo goed en trouw voor ons geweest; gij hebt zo kloekmoedig voor ons gestreden en gij hebt ons zo goed voorgelicht, nimmer zullen wij uw goedheid voor ons vergeten!

Toen zeide Barmhartigheid: „Ach, waarom kunt gij ons niet tot het einde van onze reis vergezellen? Hoe kunnen zulke weerloze vrouwen. als wij zijn, zulk een moeilijke en gevaarvolle weg zonder een vriend en be-schermer ten einde brengen?”

Ook Jacobus, de jongste van de knapen, sprak: „Och mijnheer, laat u toch overreden om met ons te gaan, en help ons toch, want wij zijn zo zwak en de weg is vol gevaren”.

„Ik moet doen” , sprak Stoutmoedig, „wat mijn Hcer mij beveelt. Indien Hij niij aanwijst om tot het einde toe uw gids te blijven, dan zal ik mij van ganser harte aan die taak wijden. In deze zaak zijt gij zeer nalatig geweest, want indien gij van den beginne aan gevraagd had of ik u gedurende de gehele reis m lit terzijde staan. zou uw bede zijn ver-hoord geworden. Maar nu is mijn tijd ge-komen om terug te keren, en dus. vaartvvel, goede Christinne en Barmhartigheid! en gij. mijn beste jongen, vaartwel!

Hierna begon de deurwachter Waakzaam Christinne te ondervragen naar haar land en naar haar maagschap.

„Ik kom van de stad Verderf” , gat zij ten ant-woord, „en ben een weduwe. Mijn overleden echtgenoot heette „Pelgrim” en was dat ook met woord en daad”.

„Wei”, riep de deurwachter uit, „was hij uw echtgenoot?”

„Ja”, zeide zij, „en dit zijn zijn kinderen (en op Barmhartigheid wijende) dit is ééen mijner stadgenoten.”

Op het horen van deze woorden trok de deurwachter, gelijk zijn beroep dit meebracht, aan de bel en nu kwam een der dienstmaagden, Bescheidenheid genaamd, tot wie de deurwachter zeide: „Wees zo goed binnen mede te delen, dat Christinne, de vrouw van de Pel-grim, en haar kinderen op de pelgrimsreis zijn aangekomen”.

Terstond ging zij naar binnen om deze tijding over te brengen en wie zal de vreugde beschrijven, die daar heerste, zodra het meisje die heerlijke boodschap had gebracht!

Nu kwamen alien naar de poort snellen, want Christinne stond nog steeds daar buiten. Enigen der anderen zeiden tot haar: „Kom binnen Christinne, kom binnen, echtgenote van zulk een goede man; kom binnen, gij gezegende! gij, en alien, die met u zijn!”

Toen ging zij het huis binnen met haar vriendin en haar kinderen. Hier werden zij ontvangen in een zeer ruime zaal, en men nodigde hen uit plaats te nemen. Vervolgens kwamen de voornaamste leden van het huisgezin hen begroeten en hartelijk verwelkomen. Toen zij wisten wie zij waren, gaven zij elkander een kus en zeiden: „Welkom, gij uitverkorenen des Heeren, wij ontvangen u als onze vriendinnen!”

Zie, hier werden zij met woord en daad geleid in de onderhouding van de gemeenschap der heiligen. Met een innige band der liefde zijn zij aan elkander verbonden, waarvan de Schrift ons iets laat zien in de hartelijke liefde van David en Jonathan in de Heere. Dat zijn banden door de Heere gelegd bij het deelachtig worden van de Goddelijke natuur in de verheerlijking van wederbarende genade. Deze heilige familie weet wat het is van hart tot hart met elkander te spreken van de wegen en daden des Heeren, en dat tot verheerlijking van Zijn naam.

Maar met dat a lies was het reeds laat geworden en de pelgrims waren zeer vermoeid van de reis en nog onder de indruk van de zware strijd, die zij hadden zien voeren, zodat zij wensten zich vroegtijdig ter ruste te begeven. Maar de huisgenoten zeiden: „Eerst moet gij enig voedsel nemen”.

Er was intussen reeds een lam met de daarbij behorende saus gereed gemaakt, want de deurwachter had namelijk al een poos voor hun aankomst bespeurd, dat de pelgrims in aantocht waren, zodat men daarbinnen in het huis op de ontvangst had gerekend.

Op Gods bevel sprak Mozes tot gans Israël: „Slacht het Pascha”, want gans Israël moest gewezen worden op het Lam Gods toen de engel des verderfs door Egypte trok. Alleen in de bedekking van Zijn dierbaar bloed werden de Israëlieten niet geslagen door de engel des verderfs. En het was door Zijn kracht dat het volk uittrok om de vervulling van Gods beloften te verkrijgen. ’t Lag dan ook vast in aller hart dat deze pelgrims van wier komst zij gehoord hadden, van nature niet beter waren dan de andere burgers van de stad Verderf. Door de gerechtigheid van Christus waren zij het nieuwe leven der genade deelachtig geworden, en door Zijn kracht werd het aangezicht naar Sion gekeerd. „Het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt”, is en blijft de geestelijke maaltijd tot onderhouding van het nieuwe leven der genade.

Toen de maaltijd geeindigd was en zij een psalm hadden gezongen, gaven zij de wens te kennen te ruste te gaan. „Maar vergun mij”, zeide Christinne, „indien het niet onbescheiden is, te verzoeken in dezelfde kamer te mogen rusten waar vroeger mijn echtgenoot heeft vertoefd”.

Nu werden zij naar hun vertrekken geleid, en toen Christinne en Barmhartigheid zich hadden nedergelegd, begonnen zij nog eens te spreken over de weg, die zij achter zich hadden.

„Weinig vermoedde ik”, zei Christinne vanuit haar verwondering over de nederbuigende goedheid des Heeren, „toen mijn man op reis ging, dat ik hem gevolgd zou zijn!”

„En nog veel minder dacht gij dat gij in dezelfde kamer en op dezelfde legerstede als hij zoudt rusten”, merkte Barmhartigheid op.

„Ja, maar nog minder dacht ik dat ik ooit zijn aangezicht zou wederzien en eens met hem samen de Koning aanbidden gelijk ik nu vast geloof, dat ik doen zal!” getuigt Christinne, daar zij in hope zalig geworden is.

„Stil! hoort gij niets?” vraagt Barmhartigheid. „Wat zou dat zijn? Ja, ik geloof dat het muziek is; vreugdegezang om ons welkom te heten”. Christinne krijgt bij het spreken vanuit het hemelleven hemelvreugde in haar hart, en dat merkt haar vriendin.

„Ja”, dat vindt Barmhartigheid wonderlijk. „Muziek in dit huis, muziek in onze harten en muziek in de hemel uit blijdschap dat wij hierheen zijn gekomen. Met deze hartelijke vreugde in God door Christus kwamen deze vrouwen in verwondering en aanbidding. Zo spraken zij nog een tijd samen en vielen toen in een rustige slaap. Toen zij in de morgen ontwaakten, zei Christinne tot Barmhartigheid: „Waarorn hebt gij toch gelachen in uw slaap? Ik denk dat gij een droom had”.

„Juist Christinne, een heerlijke droom heeft mijn hart verblijd”, zei Barmhartigheid. „Maar zijt gij er zeker van dat ik lachte?”

„Ja zeker”, zei Christinne, „gij hebt hartelijk gelachen. Maar toe, vertel mij uw droom!”

„Zalig zijn die treuren, want zij zullen vertroost worden”, zegt de Heere Jezus. Ja, zij zullen lachen. Het was een vervulling van hetgeen de Heere beloofd heeft. Maar wat zou nu toch wel de inhoud zijn van haar droom?

N.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.