+ Meer informatie

2. MILIEUBEHEER

12 minuten leestijd

A. DE OPDRACHT

Dat de strijd voor een verantwoord milieubeheer behoort tot de „goede werken” waarin „zij die hun vertrouwen op God gesteld hebben…. vooraan (moeten) staan” (Titus 3 :8) mag buiten discussie geacht worden voor wie God belijdt als Schepper en Herschepper.

Het is van belang zich te bezinnen op de motivering waardoor de gelovige hierbij gedreven wordt en op de plaats die de zorg voor het milieu in het geheel van het christelijk leven moet hebben.

Uitgangspunt voor deze bezinning is de positie die God aan de mens heeft gegeven, zoals die b.v. in Psalm 8 wordt getekend. Enerzijds is de schepping er om dienstbaar te zijn aan de mens: „Gij doet hem heersen over de werken uwer handen, alles hebt Gij onder zijn voeten gesteld” (vs. 7). Anderzijds is de mens er om, ook in zijn beheersing van de schepping, God te verheerlijken. Alles wat Psalm 8 zegt over die hoge positie van de mens wordt bepaald door het gedenken van God aan de mens (vs. 5) en staat ingeklemd tussen het „O HERE, onze Here, hoe heerlijk is uw Naam op de ganse aarde” (vs. 2, 10). Op grond daarvan belijden we, dat God de schepselen allen „ook nu nog in stand houdt en regeert……om de mens te dienen (1), opdat de mens zijn God dient (2)” (NGB art. 12).

1. „Om de mens te dienen”

De schepping is er niet terwille van zichzelf, maar terwille van de mens. „Heiliging van de natuur” betekent niet, dat ze beschouwd wordt als iets heiligs, maar betekent „de indienstneming van de natuur… voor de mens; ….daar wacht ze op” (H. Berkhof in: H. Bouma, De aarde is er ook nog, blz. 40).

2. „opdat deze zijn God dient”

De dienstbaarheid van de schepping aan de mens wordt omsloten door diens dienstbaar zijn aan God. De mens wordt geen autonome bezitter van de schepping. God blijft Eigenaar, de mens is rentmeester, beheerder. De schepping is het materiaal dat God aan de mens ter beschikking stelt voor zijn dienst aan God. Ook van de schepselen wordt in artikel 12 NGB beleden dat ze geschapen zijn „om hun Schepper te dienen”. De mens is er om door zijn beheer de schepping tot haar ontplooiing in dienstbaarheid aan God te brengen.

Terecht voegt H. Berkhof dan ook aan het zojuist van hem gegeven citaat toe: „…maar dan voor de mens naar zijn bestemming, dus voor de mens, die als kind van God en als partner van de medemens beheerder van de natuur is”. Wanneer het dienstbaar-zijn van de schepping aan de mens niet in dit kader wordt gezien, m.a.w. als de verhouding met God wegvalt, wordt de mens van beheerder tot bezitter „en wordt zijn beheersing van de natuur tot een brutale manipulatie met haar” (a.w., blz. 40 en 39).

Het huidige milieuvraagstuk is dan ook ten diepste uitvloeisel van het secularisatievraagstuk, m.a.w. van de geestelijke nood waarin de mens door de afval van de levende God en van zijn Woord is geraakt. Van de huidige verhoogde aandacht voor het milieu moet, ook als ze op zichzelf als juist erkend moet worden, helaas vaak gezegd worden dat ze opkomt uit dezelfde religieuze wortel, namelijk de afval van God, en dus wel de gevolgen van de zonde wil bestrijden maar niet de zonde zelf, als diepste oorzaak van de ellende. Zulk een zorg voor het milieu moet ten diepste gekarakteriseerd worden als „dweilen terwijl de kraan open blijft staan”.

Daarmee is echter allerminst gezegd, dat alle inspanning die op deze basis aan het milieubeheer ten koste wordt gelegd, op zichzelf zonder waarde zou zijn. Het tegendeel is het geval. In veel opzichten moet zelfs (met de woorden van Jezus uit Lukas 16:8) ook ten aanzien van de vragen van het milieubeheer gezegd worden dat de kinderen van deze wereld soms met veel meer overleg te werk gaan dan de kinderen van het licht. Samenwerking tussen christenen en niet-christenen is dan ook op dit gebied geenszins uitgesloten, maar dikwijls mogelijk en geboden. Wel dienen we oog te hebben voor de mogelijkheid dat een niet-christelijk ideologisch standpunt zo overheersend wordt, dat daardoor de basis voor samenwerking zou ontbreken.

B. VERSTOORDE VERHOUDINGEN, MAAR… „ZIE, IK MAAK ALLE DINGEN NIEUW”

De ernst van de zonde moet bij dit alles bedacht worden. Door de zonde is namelijk niet alleen de verhouding tussen God en mens en tussen mens en mens, maar ook die tussen mens en schepping verstoord. De schepping die er is om de mens te dienen, staat sinds de zonde in de wereld kwam mede onder beheersing van machten, die maken dat zij zich openbaart als vijandin van de mens. De bevrijdende boodschap van het evangelie is echter, dat Christus door zijn verzoenend lijden en sterven over deze machten heeft gezegevierd (zie o.a. Col. 2 :15). Daarmee heeft Hij de grondslag gelegd voor de totale vernieuwing van de schepping. Als de verhoogde Koning werkt Hij ook aan die vernieuwing. Daarom blijft de opdracht, de aarde te bouwen en te bewaren voor de christen des te meer van kracht: God Zelf heeft die aarde niet losgelaten, maar haar door Christus in beginsel verlost. Daarin ligt tevens de zekerheid dat onze arbeid ook in dit opzicht „niet vergeefs is in de Here” (1 Cor. 15 :58).

Wel brengt de aard van Christus’ overwinning mee, dat, zolang de komst van Christus nog geen feit is, de machten die overwonnen zijn toch nog terdege actief zijn. De gelovigen hebben er dan ook nog tegen de strijden (Ef. 6:11,12). Het „alle dingen nieuw” wordt dan ook in deze bedeling primair gerealiseerd in de verzoening tussen God en mensen, en in de verkondiging van het evangelie der verzoening. Wie in Christus is, die is een nieuwe schepping - zie 2 Cor. 5: 17–21. Alleen vanuit deze vernieuwing van de mens is er verwachting voor de vernieuwing van de schepping. De totale vernieuwing zal dan ook pas een feit kunnen zijn wanneer de zonen Gods openbaar worden; tot zolang moet van de schepping worden gezegd dat ze in al haar delen zucht en in barensnood is - Rom. 8 :22. Het woord „barensnood” geeft aan dat het zuchten vol is van de blijde verwachting van Gods nieuwe wereld. Vanuit deze verwachting mogen de gelovigen nu al het mogelijke doen voor het welzijn van deze aarde als Gods wereld, maar in het besef dat deze aarde tot Christus’ wederkomst zal blijven lijden onder de gevolgen van de zonde.

Dat brengt met zich mee, dat ook na pasen en hemelvaart nog blijft gelden wat het OT ons laat zien over de wijze waarop de mens zijn heerschappij over de schepping moet realiseren, ten gevolge van de zonde. De aarde gedraagt zich jegens de mens als een „niets en niemand ontziende wrede tyranne” zodat zijn heersen het karakter moet aannemen van een strijd. „De mens moet zich kosmos scheppen om te kunnen leven, de mens moet steeds vechten om de cultuur te beschermen tegen de chaos die in zo menige gestalte zich binnen de kosmos doet gelden”. Het werkwoord „rdh” waarmee in Gen. 1 het heersen van de mens wordt aangegeven heeft de betekenisnuance van het „temmen” en draagt zo dit element van strijd in zich. Een van de consequenties hiervan is dat er soms niet aan te ontkomen zal zijn het behoud van een stuk natuur op te offeren aan het behoud van de mens (aldus het kamerlid Schakel met een beroep op Psalm 8). Zie voor een en ander C. Houtman in GTT 75/2, blz. 65 vv, 72,78; H. Bouma, Met reikhalzend verlangen, RhW 15/1, blz. 37.

C. WAT WORDT VAN ONS GEVRAAGD?

Het strijdkarakter van het heersen van de mens over de schepping brengt met zich mee, dat de wijze waarop de mens zich van de schepping bedienen mag moeilijk onder formule te brengen is, en ook dat moeilijk de grenzen zijn aan te geven, die de mens ten opzichte van de natuur in acht heeft te nemen.

Maar wel is duidelijk, dat de natuur die aanvankelijk door de mens bedwongen werd zich bij te ver gaande uitbuiting opnieuw tegen de menselijke samenleving gaat keren. Daarom is bezinning nodig op de verhouding tussen welvaart en welzijn.

Het streven naar groei van de welvaart neemt onverantwoorde vormen aan, wanneer daarbij het risico wordt genomen van een aantasting van het milieu, die op korte dan wel op langere termijn, een bedreiging vormt voor het leven van de mens.

Wanneer de nagestreefde groei van de welvaart op zichzelf niet ongeoorloofd is te achten dienen daarvoor wegen gezocht te worden die deze aantasting van het milieu voorkomen. Juist de - veelgesmade - natuurwetenschap en techniek kunnen, bij een goed gebruik ervan, een niet te onderschatten rol spelen bij het behoud van het milieu - denk b.v. aan afvalwater zuiveringsinstallaties. De noodzaak van voortgaande industrialisatie zal echter ook kritisch beschouwd moeten worden. Technische research en economische groei zijn immers geen zaken die - ook afgedacht van de vraag of ze het welzijn van de mens dienen - zonder meer ongehinderd door móeten gaan.

Of is het wellicht zo, dat de economische wetmatigheden, waar de samenleving aan onderworpen is, het stoppen van de economische groei onmogelijk maken?

Moeten we in het licht van de milieuproblematiek misschien spreken van de „demonie van de economie” die blijkbaar onze samenleving in zijn greep heeft - en in hoeverre is deze samenhang van economie en milieuverstoring dan een teken van „Babylon” (Openbaring)?

Het is goed deze vragen onder ogen te zien. We zullen ons er echter wel voor moeten hoeden onze waakzaamheid en ons verantwoordelijkheidsbesef er door te laten verlammen. Die verantwoordelijkheid moet ons uitgangspunt zijn zolang we niet door overmacht gedwongen worden er van af te zien. De zekerheid van Christus’ overwinning over de machten mag en moet ons daartoe dringen. Daarbij moeten we wel opnieuw bedenken dat bij dit alles het hart van de mens centraal staat. Daar leeft immers de begeerte, die in zo sterke mate de processen in de samenleving bepaalt;dáár alleen kan ook de vernieuwing beginnen.

D. MILIEUBEHEER EN KONINKRIJK GODS

Wanneer Jezus ons er toe roept eerst het koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid te zoeken wil dat zeggen dat in de levenshouding van christenen primair zijn: het najagen van de gehoorzaamheid aan God als Koning van zijn wereld, en aan zijn geboden.

Dat betekent dat de zorg voor het milieu niet hiervan losgemaakt mag worden. Ze moet beheerst worden door een krachtig getuigenis voor het koningschap van God en voor het leven naar zijn geboden in heel het leven. Wanneer we dit uit het oog verliezen worden de dingen gemakkelijk scheefgetrokken.

Illustratief voor het gevaar dat hier dreigt is de wijze waarop in „Bezitten of bezeten zijn” (handreiking ter bezinning op een nieuwe levensstijl) Jes. 24:4–6 wordt geciteerd. De woorden „de aarde is ontwijd” worden daarbij toegepast op menselijk wangedrag ten aanzien van het milieu. In hun verband gelezen slaan ze echter op de afval van God en het overtreden van geboden in het vergieten van onschuldig bloed (Num. 35 :33), echtbreuk (Jer. 3:11) en kinderoffers (Ps. 106 :38). En het gericht van God dat over deze zonden komt bestaat juist hierin dat God de áárde verwoest!

Dat betekent voor christenen allerminst een vrijbrief om werkeloos toe te zien hoe wij mensen de aarde verwoesten. Integendeel: zij die Christus belijden zijn geroepen om èn in hun persoonlijk leven èn in de gemeente, èn in de samenleving over de hele linie te jagen naar de gerechtigheid van het koninkrijk - daarom ook in hun omgaan met en beheren van de aarde en haar volheid. Ook op dit punt zouden christenen voorop moeten gaan in het zoeken naar een levensstijl waarin Christus’ vernieuwend werk zichtbaar wordt.

Wanneer we erkennen dat op dit punt bekering nodig is, zullen we er niet onder uit kunnen de vraag, hoe deze bekering gestalte moet krijgen samen onder ogen te zien.

Gespreksvragen:

1. Onder A wordt gesteld dat voor christenen de noodzaak om te strijden voor een verantwoord milieubeheer buiten discussie mag worden geacht. Bent u het daarmee eens? Waarom wel of - eventueel - niet?

2. Hoe ziet u het - onder A genoemde - verband tussen de afval van God en zijn Woord, en het milieuvraagstuk?

3. Hoe kan en moet de zorg voor een verantwoord milieubeheer in ons eigen leven gestalte krijgen?

4. Bent u het er mee eens „dat op dit punt bekering nodig is” (zie de laatste zin van D), en wilt u in het gesprek „de vraag hoe deze bekering gestalte moet krijgen samen onder ogen zien”?

5. Waar liggen naar uw mening op het terrein van de strijd voor het milieubeheer mogelijkheden èn grenzen van samenwerking met niet-christenen?

6. Hoe denkt u over het vraagstuk van het gebruik van kernenergie?

7. Welke consequenties dient de zorg voor het milieu naar uw inzicht te hebben voor industrialisatie en economisch beleid?

Voor verdere studie:

In het werk reeds genoemde literatuur:

H. Bouma (red.), De aarde is er ook nog. Wageningen, 1974. Dit boek biedt de weergave van gesprekken die Hans Bouma „op zoek naar een ethiek van het milieubeheer”, voerde met mensen van onderscheiden wetenschappelijke disciplines en kerkelijk-geestelijke signatuur.

Idem, Met reikhalzend verlangen, in Rondom het Woord, uitgave NCRV, 15e jaargang no. 1,1973, blz. 35–60.

C. Houtman, Het vertekende beeld: „Plus royaliste que le roil” in: Geref. Theol. Tijdschrift, 75e jaargang no. 2, 1975, blz. 65–81.

Bezitten of bezeten zijn, handreiking ter bezinning op een nieuwe levensstijl (zie ook literatuuropgave bij „Levensstijl”).

Andere literatuur:

K.H. Voous, Natuur, milieu en mens. Kampen, 1970.

Leve de aarde; de kerken en de milieucrisis; „Ter sprake”, no. 13, Delft, z.j. Referaten gehouden op en artikelen geschreven voor het congres „Leve de aarde” in 1973.

B. Goudzwaard, Schaduwen van het groeigeloof. Kampen, 1974.

P. Nijkamp en J. Douma, Het gelaat van de aarde. Groningen, 1974.

KI. Scholder, Grenzen aan de toekomst. Kampen, 1975.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.