+ Meer informatie

Zending in Korea

Toenemende druk onder de Japanners

5 minuten leestijd

ZENDINGSVELD 116

De kerk in Korea breidde zich zo uit, dat de Japanners moesten toegeven dat het Christendom de enige godsdienst was, die in het Koreaanse volk leefde en dat het een centrale plaats in het volksleven innam. Na veel schommelingen tussen hoogte-en dieptepunten bereikte de kerk ongeveer 1935 haar hoogtepunt. In Korea bestonden toen 3700 gemeenten met ruim 1 millioen leden; er waren twee theologische scholen, 568 volksscholen met ongeveer 40.000 leerlingen, 45 scholen voor middelbaar en hoger onderwijs. Er werden 5400 Zondagsscholen gehouden en er waren 217 kleuterscholen. Een voorname plaats in het nationale leven namen de zendingshospitalen in, waarvan er circa twintig waren.

Na 1930 werden de verhoudingen tussen de Japanners en de Koreanen steeds moeilijker. In Korea werd een nieuwe gouverneur aangesteld en zoetjesaan was het schiereiland een echte politiestaat, waarin het met de vrijheid voor een groot deel was gedaan. Een Koreaan zegt hiervan: „Elke gedachte, elk woord en elke handeling werd nagegaan; het feit van een ontwikkelde Koreaan te zijn stond gelijk met het zijn van een object van wantrouwen. Alles werd gedaan om de Kox-eaanse ziel te breken en ons tot een wedergeboorte als Japanse burgers te brengen." Overal werkte het spionnagesysteem met de vreselijke gevolgen hiervan.

Vooral voor de Christenen brak een zware tijd aan, toen het Shintoïsme weer tot nieuw leven werd gebracht. Het Shintoïsme was een oude volksgodsdienst, die naast het Boeddhisme een kwijnend bestaan leed. Doordat het militarisme tot grote bloei geraakte, kwam er een zgn. staats-Shintoïsme: alle godsdienstige gevoelens en krachten moesten dienen tot verheerlijking van de natie; het Japanse volk had een wereldtaak en was onoverwinnelijk, vooral ook omdat de keizer goddelijk was. (Vraagt men aan een Japannees of hij een Shintoïst of een Boeddhist is, dan schudt hij, niet begrijpend, het hoofd. Hij stelt zijn pasgeboren kind voor in de Shintotempel en laat zich begraven door een Boeddhistische priester. Zo is nu eenmaal de gewoonte. Hij is godsdienstig zonder godsdienst te hebben. Hij leeft zijn leven voor de ogen der doden: de geesten zien en beooi'delen zijn gedrag, en door dit gevoel van saamhorigheid met de voorvaders wordt de buitengewone vaderlandsliefde en de doodsverachting der Japanners verklaard. Voor hen is Japan het land der vaderen, het land van de ziel, het land der goden.)

Van alle Japanse onderdanen werd geëist, dat ze zouden deelnemen aan de Shinto-plechtigheden, dus ook de Christenen. Aan hen werd voorgehouden, dat het slechts ging om nationale erkenning en betoning van eerbied en trouw aan de keizer. Het godsdienstige Shintoïsme stond los van het staats-Shintoïsme, werd gezegd. De strijd tussen de kerk en de bewindhebbers in Japan en in Korea ging dus hoofdzakelijk over ge* noemde plechtigheden. Jammer was, dat de Christeneft" onderling verdeeld waren. Het vraagstuk in hoeverre men moest toegeven aan de verlangens van de overheid bracht een grote verdeeldheid teweeg tussen de kerken onderling, tussen de Koreaanse kerkleiders en de zendelingen en tussen de Koreaanse Christenen.

In 1935 werd de eis gesteld, dat de leerlingen van alle Christelijke scholen moesten deelnemen aan de Shintoïstische plechtigheden. Wat moest nu worden gedaan? De methodistische zending en de rooms-katholieke missie gaven toe (zij wilden met dol en geweld de arbeid op de scholen behouden), maar de presbyteriaanse zending (de grootste in Korea) kon zich er niet mee verenigen, omdat deelneming aan de plechtigheden een verloochening was van het Christelijk geloof. Het gevolg was, dat de zending zich geheel uit het onderwijs moest terugtrekken. In Seoel kon een meisjesschool zich nog tot 1941 voortzetten. Het was treurig dat in de moeilijke oorlogsjaren, nu men elkander zo nodig had, geen eensgezind optrekken werd gevonden.

Ondertussen werden de Chr. Jonge Mannen en Jonge Vrouwen vereen, gedwongen om hun zelfstandig bestaan op te geven en afdelingen te worden van de Japanse verenigingen. De Jonge Mannen Ver. had in Seoel een groot verenigingsgebouw, dat bij de eerste aanval op de stad werd verwoest.

De arbeid in scholen en ziekenhuizen verminderde sterk en ook het aantal zendingskrachten. Toch bleef een groep zendelingen op het schiereiland tot aan het ogenblik, dat Japan zich stortte in de tweede wereldoorlog.

Kenmerkend is wel, dat de Jonge Vrouwen Ver. bleef bestaan, eensdeels omdat de Japanse bezetting niet zo erg lette op de vrouwen, maar ook omdat de vrouwen zich steeds hadden onderscheiden door onverzettelijkheid, en zodoende vormden de vrouwen in de tijd van de Japanse bezetting de ruggegraat van de kerken. In Februari 1941 werd de Wereldgebedsdag voor vrouwen

gehouden in zeer uitgebreide kring. Het thema was: Uw Koninkrijk kome. De Japanners vatten dit op als landverraad, want er kon immers geen ander rijk komen als het Japanse dat onoverwinnelijk was. Er moest nu een verklaring worden getekend door de zendelingen dat er geen verraad in het spel was en dat er geen ander koninkrijk was dan Japan. De meeste zendelingen weigerden en het gevolg was, dat ze nu het land moesten verlaten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.