+ Meer informatie

EVANGELISATIE OP DE TOON VAN HET DIACONAAT

8 minuten leestijd

In 2006 beleeft de steeds kleiner wordende Veenhartkerk (GKV) in Mijdrecht een doorstart. Daarna groeit het aantal leden en moet het kerkgebouw verbouwd worden om de mensen te kunnen herbergen. In een krantenartikel over deze gemeente wordt als reden gegeven om door te starten i.p.v. te sluiten: ze heeft oog gekregen voor de nood van haar omgeving en het belang om een levende, wervende gemeente te zijn (FD, 18 juli 2009). Zo’n gemeente heeft haar missionaire roeping weer gezien en beleeft die nu van harte, zeggen we dan. Maar die missionaire roeping wordt gezien door de bril van het diaconaat: oog voor mensen in de omgeving, er zijn voor de samenleving. Natuurlijk met een missionair doel, maar toch!

WORMPJE

Op mensen met een sterk diaconaal hart komt zoiets over als ‘het diaconale wormpje aan de missionaire hengel’. En terecht, tenminste als zo’n gemeente niet ziet dat het diaconaat in de gemeente net zoveel recht van bestaan heeft als de evangelisatie. Heel simpel: ze kunnen niet zonder elkaar.

Lange tijd is dat in onze kerken afgedaan als activistisch en on-Bijbels. Want alles wat maar een beetje de schijn van ‘werkheiligheid’ opriep, was verdacht.

Aan de andere kant: evangelisatie is in de ogen van mensen binnen en buiten de kerk om verschillende redenen een probleem. Binnen de kerk omdat er nog te vaak gedacht wordt dat er iets gezegd moet worden. Buiten de kerk omdat onze samenleving allergisch geworden is voor het woord kerk en de naam van Jezus en daarom elk initiatief dat daaraan refereert, liever afserveert.

Een jaar of wat geleden deed de PKN predikant At Polhuis nog een stevige poging diaconaat en evangelisatie tegen elkaar uit te spelen. De kerk moest maar een jaar of vijf stoppen met diaconaat, vond hij en zich concentreren op de verkondiging. ‘Diaconaat is niet de weg om, eventueel met een ‘missionair sausje’, het gezicht van de kerk in Rotterdam naar buiten toe te worden’ (Friesch Dagblad, 4 februari 2005). Daartegenover hoor je mensen opmerken dat als we de diaconie op de tweede plaats zetten we als kerk nergens meer zijn.

EENZIJDIGHEID

Al kunnen beide opmerkingen in hun eigen context terecht zijn - ze zijn op zichzelf genomen eenzijdig. We moeten de eenheid van woord en daad vasthouden en niet de één overwaarderen ten koste van de ander. Stefan Paas (CV-Koers, juni 2005) schrijft in het kader van de problemen met de kerk in grote steden: ‘Bloed geven is mooi, maar een kerk die vergeet dat zij meer is dan een maatschappelijke beweging, bloedt leeg! En: ‘Wij kunnen geen water geven, als wij geen bronnen hebben. Van meet af aan zal ook de zorg voor de armen onderdeel moeten zijn van elke nieuwe gemeente. Dit is namelijk ook een ‹kerntaak›’. Zeker, de relatie tussen woord en daad is in onze kerken nog best spannend, maar iedereen zal beamen dat zending en diaconaat beide integraal onderdeel zijn van ons kerk-zijn en dat er in de gemeente een relatie van gelijkwaardigheid en wederkerigheid tussen beide is. En als gevraagd wordt wat het belangrijkst is: ‘woord’ of ‘daad’, dan blijkt vaak dat ‘woord’ met een hoofdletter wordt bedoeld en ‘daad’ juist vooral met een kleine letter. Maar Gods Woord komt nooit zonder Zijn daad. Ons woord en onze daad kunnen nooit op die hoogte komen. Laat staan dat we onze woorden en onze daden met die van onze God kunnen vergelijken.

EENHEID

De meesten van ons zullen wel weten dat het hebreeuws woord ‘dabár’ vertaald mag woorden met woord en met zaak of ding en soms zelfs met daad. Een prachtig voorbeeld daarvan is te vinden in Jesaja 55:11. ‘(Mijn Woord) zal niet ledig tot Mij wederkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt en dat volbrengen, waartoe Ik het zend’. Door Zijn woord maakt de God van het verbond de geschiedenis: Zijn hemelse daden doen op de aarde en in de geschiedenis door Zijn woorden wat Hem behaagt. Dit wordt onderstreept door Ezechiël 37:1-14. De profeet moet het woord (=dabar) van JHWH spreken tot de dorre botten in het dal, waardoor er beweging, leven, geest in komt. Daarmee wordt bedoeld dat God Israël weer tot leven wekt. En dat doet hij dan ook: wat Hij zegt, gebeurt metterdaad.

Datzelfde zien we in Johannes 1:1-18. De uitdrukking ‘het Woord’ in deze perikoop is te vervangen door de naam Jezus (bijv. in vs. 14). God spreekt tot ons door Zijn Woord, door Jezus, het vleesgeworden Woord! Woord en daad zijn één en niet apart verkrijgbaar. Wat God zegt, doet Hij en wat Hij doet, zegt Hij.

Helaas werkt het bij ons mensen niet zo. God heeft ons bedoeld als mensen ‘uitéén-stuk’, die weliswaar afwisselend dingen doen en zeggen, maar die in denken, doen en spreken integer zijn: onze woorden op onze daden laten aansluiten en andersom. In Genesis 1:26-28 wordt ons dat ook al verteld. De mens (m/v) ontvangt opdracht om in dienst van Zijn Schepper te zorgen voor al het geschapene. Die zorgtaak moet hij uitvoeren als Gods rentmeester - dus niet als actievoerder! - die namens Hem zorgzaam en respectvol optreedt. Want we zijn geschapen naar Gods beeld en gelijkenis en vertegenwoordigen Hem in Zijn Schepping. Dat betekent dat Gods opdracht, zoals die klinkt in vs. 28, meer inhoudt dan dat het menselijk geslacht zich verspreidt over de aarde. Kort samengevat betekent het:

• We zijn verantwoordelijk voor ons gedrag en onze omgang met wat ons is toevertrouwd;

• We laten ons leven tot bloei komen en maken onze gaven vruchtbaar voor Gods schepping;

• We helpen, stimuleren en ondersteunen elkaar om zo elkaar tot bloei te brengen;

• We zorgen ervoor dat dat overal op aarde bekend en beleden wordt!

Dat is woord en daad in één, missionair èn diaconaal tegelijk. En ondanks de zondeval heeft God die roeping om in woord en daad één te zijn nooit herroepen! Juist onze Heiland leert ons dat opnieuw en draagt het ons zelfs op (Matth. 25 & 28). Onze daden en onze woorden moeten eensgezind Gods eer vertellen!

BELEIDSNOTA

In het verlengde daarvan ligt Psalm 72:12. ‘Voorwaar, hij zal de arme redden, die om hulp roept, de ellendige, en wie geen helper heeft’ In deze Psalm heeft de ideale koning maar één taak: opkomen voor de armen. In de taal van de Bijbel is dat de arme in de ruimste zin van het woord. Je kunt arm zijn aan liefde, maar ook aan geld, aan geloof, aan barmhartigheid, aan gerechtigheid etc. De bedoeling van Psalm 72 is dat de koning ervoor zorgt dat er hulp hoort te zijn voor wie zichzelf niet helpen kan. De profeten vertellen dat de koningen dat niet hebben waar gemaakt. In deze Psalm zit (daarom ook) de belofte: eens zal er zo’n koning komen. In Lukas 4:16-21 haalt Christus de woorden van Jesaja 61 aan: ‘Ik ben gekomen om aan armen het goede nieuws te brengen…’. Hij kwam om te helpen wie geen helper heeft, om gerechtigheid terug te brengen in de wereld. En omdat God ons in Christus gerechtigheid (als herstel van de verhouding met Hem) gegeven heeft, krijgen christenen de opdracht om aan gerechtigheid te werken in deze wereld: herstel van hoe het hoort te zijn - in navolging van Christus. Psalm 72 is te zien als de beleidsnota voor het kerkelijk getuigenis in dezen: ‘Gods kerk helpt hem die geen helper heeft’. Want Gods kerk zoekt Gods koninkrijk en Zijn gerechtigheid in de gemeente en in heel de wereld.

OMKERING

Micha en Maleachi plaatsen het diaconaat gewoon voor het getuigenis, net als trouwens de Psalmen 58 en 145. Dat gebeurt ook in Matth. 25 (waar mensen diakenen zijn zonder het te beseffen), in Joh. 13 (‘Ik bengekomen om te dienen’), in Joh. 4 (de Samaritaanse vrouw begrijpt dat Gods Woord alles te maken heeft met haar leven van elke dag) en ook in Joh. 8 (Jezus komt op voor de overspelige vrouw en zegt daarbij: ‘Ga heen, zondig niet meer’). In Lucas 19, de geschiedenis van Zacheüs, zien we hetzelfde: Jezus komt bij hem thuis en spreekt met hem. Daardoor verandert Zacheüs en daaruit vloeien direct zijn ‘goede daden’ voort. Ook in Hand. 4 & 5 staan woord en daad naast elkaar, al verbreken de mensen die eenheid! De gemeente zet zich in voor anderen vanwege haar geloof dat God haar heeft gegeven. Paulus schreef al: Geen mens leeft voor zichzelf…! Zo zijn er talloze teksten waaruit we leren dat Gods Woord werkt, iets doet en tot leven brengt. Het spreekt ons aan en roept ons tot bekering en geloof. Vanuit de vernieuwing van ons leven door het geloof en door de genade van de Heilige Geest ontstaat de behoefte en de kracht om onze woorden en daden in overeenstemming met elkaar te doen zijn en op elkaar te laten aansluiten. Bijbels gezien zet het diaconaat de toon voor het zendings- en het evangelisatiewerk.

BELOFTE

We mogen deze twee nooit tegen elkaar uitspelen. Opmerkelijk genoeg belooft iedereen die een kind ten doop houden dat: ‘belooft u dit kind… …een voorbeeld van christelijke levenswandel te geven?’ Die belijdenis die we moeten uitdragen. Dietrich Bonhoeffer schrijft in zijn boek ‘Navolging’: Alleen de gelovige gehoorzaamt - èn: alleen de gehoorzame gelooft. Daar geeft de geweldige spanning aan die erin zit. Je inzetten voor anderen is geen opwelling of kortstondig idealisme, maar een gevolg van Gods liefde voor en in ons! Dat zet aan tot daden en dat wordt gezien en gehoord…

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.