+ Meer informatie

DE VADER VAN JEZUS CHRISTUS HEEFT HET IN HANDEN…

10 minuten leestijd

Een belijdenis onder spanning

Geen som die moet kloppen!

Wanneer in de gang van de catechismuspreken de zondagen 9 en 10 er weer aan komen ontstaat soms enige onrust in de gemeente. Vooral wanneer gemeenteleden in situaties van strijd en aanvechting ervaring hebben opgedaan met een wat ‘gladde’ manier van spreken over Gods voorzienigheid. Het lijkt er dan wel eens op, dat van deze belijdenis een optelsom kan worden gemaakt waarbij de dominee de uitkomst van de som levert met de boodschap dat God alles in handen heeft, terwijl gemeenteleden nog zitten te zwoegen aan die opgave die ze maar niet kloppend kunnen krijgen. De achtergrond daarvan zou wel eens kunnen liggen in een theologische benadering die vroeger nogal eens werd gevolgd. Dan werd gezegd: Natuurlijk belijden we Gods voorzienigheid op grond van Gods Woord, maar eigenlijk kunnen we ook wel zonder het Woord met ons verstand doorgronden dat het zo moet zijn. Een overigens vertrouwenwekkende schrijver als Wilhelmus à Brakel schrijft in zijn Redelijke Godsdienst ‘Dat in alles eene voorzienigheid Gods is, is zo klaar in de natuur en Schrift, dat hij niet beter dan een atheïst is, of ten beste een blinde mol geacht moet worden, die de voorzienigheid Gods loochent.’

In de recente geschiedenis hebben intussen heel wat gebeurtenissen ook het denken van gelovigen zozeer beroerd, dat we voorzichtiger zijn geworden. Met in gedachten de holocaust door het nationaal-socialisme, met de instortende ‘Twin Towers’ van het WTC in New York op 11.09.01 nog op ons netvlies, en met zoveel schrijnend leed op grote en kleine schaal dat we zomaar kunnen opsommen, is er geen gemakkelijk verhaal meer. Het is niet ‘natuurlijk’ dat God over alles regeert! Een cynicus die in de wereld rondkijkt, zou het tegengestelde kunnen zeggen van Brakel: Je moet wel een blinde mol zijn om nog te geloven dat God alles regeert…

Is het een uiting van ongeloof als we met de belijdenis van Gods voorzienigheid niet meer zo snel klaar zijn? Eerder moeten we iets anders zeggen. Namelijk, dat preken die ons vooral vermanen om geen twijfel te voeden wanneer het hier over gaat, wel eens even ver over de hoofden van de gemeenteleden heen zouden kunnen schieten als ze van de bijbelse realiteit verwijderd zijn. Waar het om gaat is die bijbelse realiteit. Die is nergens gemakkelijk!

Gelóófsbelijdenis

In de Catechismus is de belijdenis van Gods heerschappij over de wereld en de geschiedenis een uitvloeisel van de belijdenis van God als de Schepper. Is het gemakkelijk om God als Schepper te belijden? Kunnen we met ons verstand aannemelijk maken dat en hoe de Almachtige alles heeft gemaakt? We weten beter. Niet voor niets begint zondag 9 van de Catechismus over God te spreken als over’de eeuwige Vader van onze Here Jezus Christus’.

Het houvast ligt niet in wat wij er van snappen, maar in de kennis van de Here Jezus. Dat is taal van geloof. Van kennis die het verstand te boven gaat. Gods openbaring in het evangelie gaat vooraf aan ons verstaan. Daarom hebben we het over een kennis en een begrip die niet zonder Gods Heilige Geest bestaat, en niet zonder het gegrepen zijn door Gods heilig Woord. De Geest leert ons Christus kennen en de Vader. Maar die dingen gaan ver boven ons verstand uit.

Wel, dat geldt ‘natuurlijk’ net zo van de belijdenis van Gods voorzienigheid. In artikel 13 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, uitgerekend bij dit onderwerp, gaat het over dingen die God doet boven het begrip van het menselijk verstand. En dan staat er bij dat we die niet ‘curieuselijk’—nieuwsgierig dus—zullen onderzoeken. We zullen juist met ootmoedige aanbidding en eerbied ons nederig houden bij het besef, dat wij ‘leerjongeren van Christus’ zijn.

Die toonzetting van de belijdenis, die het hele artikel kenmerkt, geeft aan dat het belijden van het geloof hier niet als iets gemakkelijks wordt voorgesteld. Het gaat over de duivel en over vijanden op zo’n manier dat het geloof zich uitspreekt met de wonderlijke karaktertrek van het woordje ‘nochtans’.

Dat is de toonzetting van het onderwerp ‘voorzienigheid’. Onze belijdenis moet niet een glad verhaal worden. Er is—o.a. door de theoloog O. Noordmans—ooit scherpe kritiek op zondag 10 van de catechismus geleverd, omdat het daar om een soort burgerlijke belijdenis zou gaan die blijft steken in de belangen van een ‘herenboer’. Die is immers bij regen en droogte, eten en drinken, en bij de rest van de opsomming in dat antwoord gebaat. Die kritiek is een beetje onbillijk, gezien de verbanden waar ik op wees. Wel beseffen we dat bij de afgrond-diepe vragen waar de geschiedenis in de 20een 21e eeuw ons voor heeft geplaatst, het nochtans-karakter van dit belijden er best wat duidelijker in had mogen staan, waar in de NGB meer van meeklinkt.

Geloof in de Heer van de geschiedenis

Aan het geloofskarakter van deze belijdenis vast te houden is van belang tegen nog een andere achtergrond. Er zijn diverse toonaangevende theologen in binnen- en buitenland voor wie de geschiedenis—en met name de afloop van de geschiedenis—vol onzekerheden is.

Dat Gods voorzienigheid de geschiedenis en de toekomst omvat, is bijbels gezien heel duidelijk. In de kerkelijke leer wordt vanouds vooral met de twee woorden onderhouding en regering gesproken. Bij de onderhouding gaat het om de geweldige visie dat het God is die de mensen het leven en de adem geeft (Hand. 17:28); dat Gods hand de aarde heeft gegrondvest, en dat zijn rechterhand de hemelen heeft uitgebreid. Als God die roept-dan staan ze daar tezamen (Jes. 48:13). Het hele levende geheel van Gods schepping is nóg in zijn hand! Dat houdt heel wat meer in dan het onderhouden van iets uit het verleden zoals in een museum gebeurt.

Juist dat dynamische van het begrip onderhouding brengt ons heel dicht bij dat andere woord: de regering. God houdt alles niet slechts stilstaande in zijn hand, maar daar zit voortgang in. Als na de zondvloed God zijn belofte geeft dat een dergelijk oordeel niet nog eens komt, is dat een teken van Zijn barmhartigheid die meteen de geschiedenis en de toekomst omvat. Er is zelfs reden om in datzelfde verband het woord genade te gebruiken, in de zin van algemene genade. Daar zijn de nodige discussies bij ter sprake te brengen die we hier overslaan, omdat het in dit artikel om een hoofdlijn gaat. Ik geef slechts aan dat ook hierbij de voortgang van de geschiedenis aan de orde is, en wel op de manier die God bepaalt. Hij laat Zich daarbij nog kennen. Hij laat Zijn Zoon midden in deze door de zonde verdorven en verloren wereld binnenkomen. Hij geeft Zich op die manier te kennen, en maakt dat er zo ook ruimte voor het evangelie en voor het geloof in dat evangelie kan zijn.

Als we zo heel summier iets aanduiden van de hand van God in de geschiedenis, hebben we het met name over die verbanden: de verbanden tussen Gods schepping -Gods vaderschap—de komst van Jezus Christus—de verkondiging van het evangelie—de toekomst van Gods rijk. In zekere zin hoort het bestaan van de kerk, als een getuigenis van Zijn openbaring aan mensen, en van geloof in God, tot die zorg die God nog aan de wereld besteedt!

Het twijfelen aan Gods regering zal dan ook wel een domino-effect moeten hebben op wat van de Here Jezus Christus wordt geloofd, en op wat men van de kerk gelooft. Zal de kerk bruid van Christus kunnen heten, als de toekomst, en dus de bruiloft, alleen maar mooie beelden zijn maar geen werkelijkheid? Zal de bijbel erkend kunnen blijven als het boek waarin we Gods openbaring hebben ontvangen? Of wordt het een menselijk verslag van religieuze ‘ontmoetingen’ met God, die natuurlijk stichtelijk zijn voor de religieuze ervaring van mensen vandaag…?

Ik noemde theologen. Wel—er zijn er diverse, die bij het nadenken over de geschiedenis zeggen: zolang de geschiedenis nog niet afgelopen is, is Gods openbaring ook nog niet af. Er kan dus nog van alles veranderen. Er liggen wel bepaalde garanties in het verleden, maar we zullen allerlei opties voor de toekomst open moeten houden (Wolfhart Pannenberg). Natuurlijk heeft God zich bekend gemaakt in zijn Zoon Jezus Christus, maar God Zelf kan ook nog niet zeggen hoe het allemaal za! aflopen (A. van de Beek).

Als je op je laat inwerken wat het gevolg is van een dergelijke benadering van de geschiedenis, begrijp je hoeveel er vast zit aan de belijdenis van Gods regering die over alles gaat. Nogmaals, dat het gemakkelijk is wordt daarmee niet gezegd. Uit het feit dat in de psalmen zo dikwijls gesproken wordt over Gods regering, over zijn koningschap dat gaat over alles (Ps. 103:19; vgl. 148:13), mag je wel afleiden dat het toen ook niet zomaar ging. Juist zingend moest soms boven de aanvechting uit gestegen worden! ‘De HERE troonde boven de zondvloed, ja de HERE troont als koning in eeuwigheid’(Ps 29:10). Als in Exodus 19:5 de proclamatie klinkt’de ganse aarde behoort Mij’ dan kun je de goden van de omringende volken met hun aanbidders bij wijze van spreken de oren zien spitsen, net als wanneer de profeten de HERE als Koning belijden (Jes. 33:22; Jer. 10:7). Het belijden moest gelovig met een zingende proclamatie haat en dreiging rondom trotseren!

En zo liggen de einden van de geschiedenis in handen van de Koning Jezus Christus. ‘Mij is gegeven alle macht..’, en: ‘Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding der wereld’ (Matt. 28:18, 20). De Vader en de Zoon vervullen in volkomen harmonie de afloop van de geschiedenis. De zalige en enige Heerser, de Koning der koningen en de Here der heren, zal Hem doen aanschouwen (1 Tim. 6:14–15).

En wij dan intussen…?

Soms lijkt het gemakkelijker de grote lijn van de geschiedenis te geloven die God wel in handen houden zal, dan dat Hij intussen mij ook nog in het oog heeft.

Hoeveel vragen doen zich niet voor die in ons eigen leven, en in gezin, familie en gemeente het zicht op de hand van God in ons leven in de mist houden? Kanker, een verkeersongeval, de diepe wonden die seksueel misbruik in een kinder- en mensenleven achterlaten, een huwelijk dat strandt op wederzijdse onmacht elkaar te bereiken, ouders die een kind een verkeerde weg op zien gaan, en breid de lijst maar uit… En dan, in even zovele situaties, de stapels gebeden waarop geen verhoring kon worden ontvangen.

Natuurlijk—er is ook de menselijke verantwoordelijkheid. De verhouding tussen Gods soevereine heerschappij en het feit dat een mens ter verantwoording geroepen wordt, levert vraagstukken op die redenerend niet klein te krijgen zijn. Ook dat hoort bij dat ‘curieuselijk’ onderzoeken, dat maar niet moet. Het weten van Gods Zoon, die schuld, menselijke schuld, op zich genomen heeft tot de diepte van Golgota, wijst een weg. Maar die weg volgt geen logische route, maar een van overgave.

Wat ik hier schrijf, zijn dan ook geen recepten. Het zijn indicaties van de manier waarop de leer van de voorzienigheid van God, inclusief vragen en tranen, inclusief het nochtans van het geloof, geleerd wordt aan de voet van het kruis. Daar is onze schuld, en daar is Christus. En daar is een Vaderhart, dat voor de Zoon verborgen bleef. Daar lees je het boek Klaagliederen nog een keer met zijn in feite onbeschofte beschuldigingen aan Gods adres (‘Gij zijt mij een loerende beer..’3:10), en Asafs Psalm 73, en de vragen waar Job over struikelde. En je bent verwonderd dat God dat alles zo in de bijbel wil hebben! En dat dat gelezen mag worden! En dan weet je: Wanneer er helemaal niets van klopt, en niets te doorgronden is, is er toch de God en Vader van onze Here Jezus Christus.

Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Nee, niets. Maar vraag me niet het uit te leggen, want ik leg ook maar al te vaak de hand op de mond.

En toch…geloof!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.