+ Meer informatie

HET EVANGELIE VAN CHRISTUS

6 minuten leestijd

18.

Zoals reeds gezegd is, spreekt Paulus in zijn Galatenbrief onderscheidenlijk tot ons opdat wij steeds meer klaarheid zouden bekomen in de eigenschappen van het genadeleven. Daarom spreekt hij hier van de werken van de wet.

„Want zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder de vloek; want daar is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.”

Wij zijn gedurig weer verkeerd werkzaam vanwege onze geestelijke onkunde. Vaak raakt dat onze innerlijke verhouding tegenover de wet des Heeren.

Doordat hij zijn ogen niet gevestigd hield op de enge poort van de waarachtige bekering, week de Pelgrim eerst te veel naar links, en zo kwam hij met pak en zak in de poel moedeloosheid terecht, en dat met al zijn verdrietelijkheden over zijn eertijds. Maar in geen geval wilde hij terug naar de stad des verderfs, al was dat voor hem de enige mogelijkheid om er zichzelf uit te verlossen. Als vanzelf gaat hij des te meer zuchten tot de Heere Die hem verhoorde, zodat hij door de hulp, die hem beschikt werd door de zorg van de Heere over hem, verlost werd.

Doch niet lang daarna week hij uit vrees voor het eerste te ver uit naar rechts, wat hem deed komen op het heilloze pad van wettische dienstbaarheid, waarmee hij zichzelf aan vele verschrikkingen blootstelde. En weer moest hij onder scherpe vermaningen gewezen worden op de enge poort van de waarachtige bekering. Maar onder dat alles maakte hij in het geestelijke leven weinig of geen vorderingen, omdat zijn werkzaamheden meer negatief waren. Door deze ervaring kwam hij wel aan de weet waar de bevrijding van het oordeel niet te bekomen was. Zo kreeg de poort van de waarachtige bekering voor hem meer waarde. Al was Gods wet, de wet van Gods liefde door Zijn Geest in zijn hart geschreven, waaruit de onberouwelijke keus de Heere te vrezen was voortgekomen, daarom is hij daarmee nog niet bevrijd van de vloek der wet, want dat was voor hem alleen te bekomen aan de voet van het kruis.

Degenen die gekomen zijn tot de onberouwelijke keus, doordat hun harten door de genade des Heeren ingenomen werden, komen hier dikwijls in de banden van de dood, daar hun hart bezwaard wordt door de vloek van de wet. Bij het smaken van Gods goedertierenheden zien zij wel enige ruimte in de waarachtige bekering, maar als het weer donker wordt, gaat de vloek der wet weer des te scherper spreken van het oordeel dat men zichzelf heeft waardig gemaakt door de zonden. Dat doet hen zuchten in de banden des doods en angsten der hel.

Het gaat hier om het blijven in het doen van al hetgeen geschreven is in het boek der wet. Ja, was ik daartoe in staat, kon ik daarin vorderingen maken, dan zou er nog enige hoop voor mij zijn. Maar vanuit de vorderingen die ik maak in de kracht van mijn goede voornemens, wordt ik telkens weer steeds verder teruggeslagen. En zo ga ik steeds meer achteruit. En wij zien geen kans dezulken vanuit de Schrift een enkel woord van troost toe te spreken. Voor mensen die het beter willen maken geeft de Schrift geen hoop, daar het ons duidelijk geleerd wordt dat we onverbeterlijke zondaren zijn. Door alles heen blijft de wet eisen, en daarom komt haar straf met des te meer kracht op ons hart af. Zodat er niets anders overblijft dan te buigen voor de majesteit en heiligheid van Gods wet, met de bekentenis haar gramschap waardig te zijn.

En wat dan? Ja, dat kan nog wel eens meevallen. Vanuit de liefde tot Gods heilige wet is het mogelijk haar toe te vallen en een welgevallen te bekomen in de straf van uw ongerechtigheid. Want de straf der zonde is geheel in overeenstemming met de daad van de zonde. Dat doet de mannen van deze ervaring uitroepen: „Het zijn de goedertierenheden des Heeren dat ik niet vernield ben.” En dan krijgt u van daaruit toch hoop op de Heere, want Hij handelt niet met ons naar onze ongerechtigheden.

„En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar; want de rechtvaardige zal uit het geloof leven.” Het leven dat uit God geboren is krijgt God in Zijn rechtvaardigheid lief en wil niet met krenking van Gods rechtvaardigheid zalig worden. Waartoe zij dan ook zijn op de leerschool van de Heilige Geest. Wij moeten leren leven uit het geloof en dat is vanuit Gods volheerlijke heilsopenbaring in Christus. „Doch de wet is niet uit het geloof; maar de mens die deze dingen doet, zal door dezelve leven.” Het kan alleen naar de eis van Gods rechtvaardigheid door de volmaakte onderhouding van de wet, want de Heere kan van Zijn recht geen afstand doen. En hoor maar: dat is in een Ander en niet in ons.

„Christus heeft ons verlost van de vloek der wet, een vloek geworden zijnde, voor ons want daar is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt.”

Maar denk nu niet dat de Schrift hier spreekt vanuit het deelachtig zijn van Christus en Zijn algenoegzame offerande. Het gaat in de Schrift in de eerste plaats om het Goddelijk schenken van Christus en Zijn enige en algenoegzame offerande. In Hem is de verlossing daar God Hem naar Zijn eeuwige Raad heeft overgegeven in de vloekdood des kruiser.

De apostel zoekt hier in afhankelijkheid van Gods Geest, het oog van de zondaar, die heeft leren bukken voor de majesteit van Gods rechtvaardigheid, te openen voor de enige en algenoegzame offerande van Jezus Christus. Door de vloek van Gods heilige wet is Hij op grond van recht en gerechtigheid genageld aan het vloekhout van het kruis.

In Hem is de verlossing, want Gods recht is door Zijn offerande verheerlijkt. Mogen wij dat bij het licht van Gods Geest aanschouwen, om Hem daarin te omhelzen, als de van God geschonken Zaligmaker, dan vloeit de vrede Gods die alle verstand te boven gaat door Zijn vergevende liefde in ons hart. De gerechtigheid van Christus wordt niet alleen geschonken doch ook deelachtig gemaakt om Hem daarin toe te eigenen. En dat, om door Hem tot God te komen in het vertrouwen op Zijn gerechtigheid die redt van de dood. En dat wordt door de Heere bekroond met de dierbare onderwijzingen en vertroostingen van de Heilige Geest. En zo wordt aan de voet van het kruis een Godeverheerlijkende lofzang gezongen.

Galaten 3 : 10 - 13.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.