+ Meer informatie

Voor de jeugd

7 minuten leestijd

Beste Jongelui!

We hebben het de laatste keer gehad over een „aangepraat geloof”. We hebben daar voor gewaarschuwd. En dat was geen overbodige zaak. Dat is het nog niet en daar moet blijvend tegen gewaarschuwd worden. Want dat aangeprate geloof is een artikel, dat steeds meer op de kerkelijke markt een plaats krijgt. Doch het is klatergoud. Het moet van het echte goud der genade onderscheiden blijven. Wie voor een koopje netjes uitgedost wil wezen, die grijpt naar dat klatergoud. Zo is het in het natuurlijke. Zo is het ook in het geestelijke. Dat klatergoud is echt naar de mens. In geestelijk opzicht wil dat dus zeggen: Een evangelie naar de mens. Dat is een evangelie zoals de mens dat graag wil. Een evangelie dat geen pijn meer doet. Daar kun je mee op de been blijven. Daar behoef je geen arme zondaar bij te worden.

Vroeger, toen ik nog jong was — de ouderen onder onze lezers weten daar ook nog wel van — toen werden we steeds gewaarschuwd tegen de leer van de veronderstelde wedergeboorte. Dat was de leer, die door Dr. A. Kuyper in de Gereformeerde Kerken is ingedragen en daar ook algemeen ingang heeft gevonden. Men ging er dan van uit, dat een kind des verbonds een wedergeboren kind was. Een levend kind van God dus. Het moest alleen nog opgevoed worden. Het moest te eten gegeven worden en dan werd het vanzelf wel groot. Dus net als het in het natuurlijke leven gaat. Dat was een mooie redenering. Die werd geloofd door duizenden. Doch ze was erg misleidend. Want we moeten niet veronderstellen dat een mens wedergeboren ter wereld komt. We moeten van Gods Woord uitgaan. En dat leert, dat we in zonden ontvangen zijn en in ongerechtigheid geboren.

Wij werden, zoals gezegd, daartegen gewaarschuwd, tegen deze zielsmisleidende leer. Want daar kwam je voor eeuwig mee om.

Nu leven we zoveel jaren later. Dr. A. Kuyper leeft al lang niet meer. Hij heeft zijn tijd gehad. Maar zijn invloed is nog niet verdwenen. De uitdrukking „veronderstelde wedergeboorte” is langzamerhand ook de wereld uitgegaan. Het zou mij tenminste niet verwonderen indien er vele van mijn jonge vrienden waren, die er nog nooit van hebben gehoord. Het gevaar wat hiermee samenhangt, is echter nog in geen enkel opzicht bezworen. Als er dan toch nog gevaar is, waarom praat men daar dan niet meer over, waarom komen deze dingen dan in de preken niet meer aan de orde? Moet er dan nu ook niet meer gewaarschuwd worden?

Het zou wel moeten, maar het gebeurt weinig of in het geheel niet. Want als men het nog doet, dan kom je achter. Dan versta je je tijd niet. Dan ben je niet bij. En in deze tijd van „vooruitgang” kun je toch niet achter komen. Zo wordt er geredeneerd.

Ik zie het nog een klein beetje anders. Ik zie het zo. We leven tegenwoordig in een tijd van „verbroedering”. We moeten elkaar zoeken. We moeten als gereformeerden zien, dat we elkaar vinden. En dan moet je al die oude „twistpunten” niet meer op tafel brengen. Want dan komen we er nooit. We moeten, want daar komt het in de praktijk op neer, de scherpe kanten er maar wat af halen. Je moet elkaar geen zeer doen. Je moet liefelijk met elkaar verkeren. En men is druk op weg om dat te doen. En het lijkt hier en daar nog aardig te gaan ook. Ze hebben elkaar op heel veel punten al gevonden. We zitten eigenlijk al op dezelfde stoel. Of liever: We zitten op dezelfde stoel. We hebben dezelfde belijdenis. We hebben dezelfde Bijbel. We moeten ook zien dat we dezelfde vertaling krijgen. Liefst de „nieuwe” natuurlijk. Want die gebruikt tegenwoordig iedereen. En, zoals ook reeds gezegd is, je kunt toch niet achterlopen.

We hebben toch ook hetzelfde geloof. Neen, niet praten over die veronderstelde wedergeboorte. Dat is uit de tijd. We hebben nu hetzelfde geloof. En dat is dan een geloof, beste vrienden — en let nu goed op — dat tot stand gekomen is als gevolg van een „geruisloze wedergeboorte”.

Misschien zeggen jullie wel: Wat is dat nu weer? Een geruisloze wedergeboorte. Daar heb ik nog nooit van gehoord. Ik ben dat woord nog in niet één kerkblad tegengekomen.

Nu, ik ook niet. Maar bij het overdenken van al deze dingen is dat woord mij in de gedachte gekomen. En ik geloof, dat het echt wel typeert wat ik er mee bedoel. Wat bedoel ik er dan mee?

Een „geruisloze wedergeboorte” is een wedergeboorte waar je niets van merkt, waar je niets van ziet en die er toch is. Hij is in je leven ingekomen zonder geruis.

Ja maar, merkt iemand op, dat gaat toch zo maar niet? Inderdaad! Zo gaat het ook niet. Maar menigeen wordt het zo wijsgemaakt. En menigeen maakt het zichzelf zo wijs.

Hoe dan? Wel zo: Men gaat naar de katechisatie. Men komt tot de leeftijd, dat men belijdenis doen moet. Dat moet natuurlijk een belijdenis des geloofs zijn. Akkoord! Maar ja, dat geloof is toch maar een moeilijk ding. Wat is nu eigenlijk geloof? De dominee die vraagt er straks naar. En dan moet je toch een antwoord kunnen geven. Hij vraagt als het zover gekomen is, dat men voor de kerkeraad verschijnt: Nu jeugdige broeder, zuster, hoe staat het er mee? Je bent een kind des verbonds. Je bent gedoopt. Je komt altijd trouw naar de kerk. Je hebt de belijdeniskatechisatie gevolgd. En nu doe je straks „belijdenis des geloofs”. Heb je geloof?

Een moeilijke vraag. Zeg nu eens zo maar, dat je geloof hebt. Dat doe je niet zo gemakkelijk. Het antwoord blijft achterwege.

Maar gelukkig, de dominee is een begrijpend man. Hij kent jonge mensen. Die moet je een beetje helpen. Je moet het ze wat voorzeggen. Daarom neemt de dominee maar het woord. Beste broeder, zuster, ik begrijp het best. Het valt niet mee voor je om te spreken. Maar als ik je zo na ga wat je allemaal niet doet, of: wel doet, dan vind ik dat toch geen kleine zaken. Misschien dat je het zelf zo niet ziet, maar ik zie het wel zo. Er staat ook in de Bijbel: Veracht de dag der kleine dingen niet. Dat moet jij ook niet doen. Want je gaat toch graag naar de kerk? Het antwoord is bevestigend. Je gaat toch ook naar de vereniging — als je tijd hebt tenminste? Weer wordt er,ja” geantwoord. Je leeft toch netjes? Ook dat is waar. En je bent toch van plan om trouw naar de kerk te komen als je belijdenis gedaan hebt? (Zeg dan eens „neen” als je er voor staat. Dat doe je niet.) Dus weer klinkt het antwoord bevestigend. En dan kom je natuurlijk ook naar het Heilig Avondmaal, want dat is tot versterking van het geloof. Dat hebben vooral de jonge lidmaten nodig. Er volgt op deze vraag een aarzelend knikje.

De predikant is tevreden. De kerkeraad heeft niets meer te vragen. Ze worden met volle vrijmoedigheid toegelaten tot de „gemeente des Heeren” ais „gelovigen”. Zo worden ze dan ook steeds aangesproken. En na zoveel „getuigen” gelooft men het nu zelf ook, dat men het echte geloof toch wel heeft. Men „houdt zich nu voor een wedergeborene”.

Kijk, dat bedoelden we met een „geruisloze wedergeboorte”.

Gevolg van een „aangepraat geloof”.

Prof. Wisse heeft in zijn tijd eens gezegd: De gereformeerden veronderstellen de wedergeboorte bij de doop. Wij zijn op weg om het te doen bij het afleggen van belijdenis.

Een waar woord waar jullie maar veel over denken moeten.

Misschien begrijpen jullie nu ook waarom ik aan het begin schreef over die verondersteldewedergeboorte-leer van Dr. A. Kuyper. Het woord is in onbruik geraakt. Maar de „zaak”, die er door aangeduid wordt, heeft het bij velen gewonnen.

Ik hoop echter van niet bij jullie. En daarom herhaal ik waar ik de vorige keer mee geëindigd ben: Daar moet echt iets anders gekend worden. En wat dat dan is, daar willen we het een volgende keer over hebben.

Hartelijke groeten van jullie aller vriend

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.