+ Meer informatie

Ook voor hen?

8 minuten leestijd

(over het belijdenis doen en het vieren van het heilig avondmaal van verstandelijk gehandicapten)

Over wie het gaat ….

Dit artikel gaat over die medemensen, die t.g.v. een stoornis in hun geestelijke (ev. hovendien nog lichamelijke ) Vermogens belemmerd zijn in hun persoonzijn en in hun leefmogelijkheden en die alleen dank zij speciale hulp of voorzieningen gebruik kunnen maken van hun Vermogens.

Van de Nederlandse bevolking is circa 3% verstandelijk gehandicapt. U mag dus verwachten dat ook binnen onze kerken dit zo ligt. Je komt dan op een getal van zo’n 2000 leden.

Niet vergeten mag worden dat de mate van gehandicapt zijn, zeer verschillend is. Een zeer bekende onderscheiding is: idioten (5%), imbecielen (20%) en debielen (75%).

Wat doet de kerk ….

Naar de mening van de ouders: onvoldoende. Desondanks is men nog niet eens zo teleurgesteld in de kerk. Vooral vergeleken met vroeger is er vandaag aan de dag een toenemende aandacht van de kerk voor de verstandelijk gehandicapten te bespeuren. Erkend wordt dat ook zij volwaardige leden zijn van de gemeente. Maar het realiseren en concretiseren van dit alles, valt nog tegen.

Met dankbaarheid mag worden geconstateerd dat binnen onze Christelijke Gereformeerde Kerken deze toenemende aandacht ook te bespeuren valt. Het aantal gemeenten dat actief deelneemt aan de z.g.n. aangepaste diensten wordt steeds groter. Vragen van diaconieën over het „hoe” van de zorg aan dit deel van Gods kerk bereiken mij steeds meer. Van die vragen wil ik in dit artikel dan nader behandelen: het doen van belijdenis en ht vieren van het heilig avondmaal van verstandelijk gehandicapten.

Het geloof van een verstandelijk gehandicapte ….

Erg belangrijk bij het zoeken naar een antwoord op deze vragen is het antwoord op deze vraag: kunnen verstandelijk gehandicapten zich naast ons en aan onze, ook zelf voortbewegen op de weg naar de Here, onze God? Kunnen zij eigenlijk zelf wel geloven?

Om hierop een antwoord te vinden, is het goed ons eerst te realiseren, wat eigenlijk geloven is. U zult de beroemde definitie van de Heid. Cat. kennen: kennen en vertrouwen. Zonder dat element van kennen op de achtergrond te duwen, zou ik willen opmerken, dat vertrouwen toch wel de boventoon voert. Het Griekse woord voor geloven (pistis) betekent ook vooral „vertrouwen”. (V.g.l. u maar Hand. 16: 31 in de vertaling van het N.B.G.).

Er is nog zo’n Grieks woord, dat ook vaak in het N.T. gebruikt wordt als het gaat over „geloven”, in de zin van „belijden” (dus in de zin van „hardop geloven”, „publiek onder woorden brengen, wat je gelooft”). Het woord, dat daarvoor gebruikt wordt, betekent eigenlijk „hetzelfde zeggen” of „nazeggen, wat je eerst voorgezegd is”. Geloven is dus eigenlijk niet zo’n originele activiteit. Het is napraten, wat God ons heeft voorgezegd (Mt. 16: 17).

Als ik deze twee elementen in aanmerking neem, dan is mijn antwoord op de hierboven gestelde vraag niet onzeker. Dan moet ik zeggen dat onze jongens en meisjes ons meer dan eens tot een beschamend voorbeeld zijn. Hoe groot is vaak hun vertrouwen. Nazeggen wat God zegt, kunnen zij vaak beter dan wij. Natuurlijk weet ik dat er diep gestoorden zijn, die wij mensen niet kunnen bereiken, aan wie wij Gods Woord, hoe eenvoudig ook, niet kunnen verkondigen. En als er dan geen horen is, lijkt het mij ook bijzonder moeilijk om te spreken van geloof. Ik dacht dat voor ouders van deze kinderen de Dordtse Leerregels I, XVII tot grote troost kon zijn: „… zo moeten de godzalige ouders niet twijfelen aan de verkiezing en zaligheid hunner kinderen, welke God in hun kindsheid uit dit leven wegneemt”.

Ten diepste is de vraag van wel of niet geloven altijd erg moeilijk. Geloven is toch ook niet een zaak alleen van ons mensen. Ons geloof rust niet in een menselijke redenering maar in God zelf (H.C. 7: „hetwelk de Heilige Geest door het evangelie in mijn hart werkt”).

Waarom gelooft de één wel en de ander niet? Hoe God met en in eens mens werkt is voor ons vaak verborgen. We weten dat niets Hem in de weg staat. Ook het gehandicapt zijn van onze jongens en meisjes niet.

Daarom: zeg niet al te gauw „nee” op deze vraag, maar ook niet te gauw „ja”. Juist ook bij de verstandelijke gehandicapte is vaak een heel stuk gewoonte vorming … Maar ligt dat anders dan bij ons?

Het doen van belijdenis des geloofs ….

Verstandelijk gehandicapt zijn is voor mij niet hetzelfde als geestelijk onvolwaardig. Verstandelijk gehandicapt zijn is evenmin hetzelfde als arm van geest zijn (Mt. 5:3). Arm van geest is die mens, die klein van zichzelf denkt en groot van God. Van deze betekenis bezien moet ik wel zeggen dat ik deze gestalte wel vaak bij de verstandelijk gehandicapte aantref.

Nee, ik zou niet graag de toegang tot het doen van openbare belijdenis des geloofs voor hen versperren. Ook al mogen zij dan lang niet zoveel weten, geloofskennis is nog wat anders …

Iets anders is of wij de verstandelijk gehandicapte per se tot het doen van openbare belijdenis moeten brengen. Er zijn er onder hen die nooit tot volle wasdom zowel kerkelijk als geestelijk zullen komen. Maar wanneer zij er om vragen, en het voor diegene ook wenselijk en zinvol blijkt te zijn, zullen alle mogelijkheden moeten worden aangegrepen, opdat die belijdenis een feit kan worden. Wegen hiervoor zijn: aangepaste catéchese, of (waar dat mogelijk is) een aparte belijdeniscatechisatie. Vaak zal het beste zijn om dit in interkerkelijk verband te doen.

In het algemeen dient de belijdenis plaats te vinden in die kerk, waarvan de ouders lid zijn en wel in een normale kerkdienst. Voor de verstandelijk gehandicapten die in een gezinsvervangend tehuis wonen kan een aangepaste kerkdienst de voorkeur verdienen.

In de belijdenisdienst zou ik persoonlijk, eenvoudige vragen stellen.

Na het afleggen van de geloofsbelijdenis kunnen de verstandelijk gehandicapten ook weer gewoon de aangepaste catechese blijven volgen, omdat zij toch ook daarna nog op bijzondere aandacht van de zijde van de kerk blijven aangewezen en de geestelijke begeleiding van deze kerkleden op deze wijze vaak nog het meest tot zijn recht komt.

Het gaan aan het heilig avondmaal ….

Belijdenis doen en aan het heilig avondmaal gaan, zijn heel nauw aan elkaar verbonden. Ik weet dat daar in het verleden nog wel eens verschillend over gedacht is. Maar algemeen is vandaag toch de visie (die we trou wens al bij de reformatoren vinden) dat wie belijdenis doet, tevens toegang vraagt tot de viering van het heilig avondmaal.

Het zal overigens niet eenvoudig zijn om dit aan de verstandelijk gehandicapte duidelijk te maken dat ze na de belijdenis aan het avondmaal mogen deelnemen, als logische consequentie van hun belijdenis. Maar aangaan mogen ze, zoals een ieder dat mag die belijdenis des geloofs heeft afgelegd.

Toch liggen hier moeilijke problemen.

In een verslag van de Commissie voor interkerkelijke diensten voor geestelijk gehandicapten in Rotterdam over de jaren 1971 en 1972 lees ik dat na een aangepaste kerkdienst waarin het heilig avondmaal gevierd werd, „onrust en verdriet was”. Een jongen en een meisje uit een tehuis moesten weerhouden worden van het toetreden tot de tafel omdat zij geen belijdenis des geloofs hadden afgelegd! Dit alles leidde tot een breedvoerige discussie. Deze commissie is van mening dat „voor geestelijk gehandicapten een uitzondering op de regel dient te worden toegepast en dat hun simpel getuigenis, de Here Jezus lief te hebben, voldoende motivering geeft hen toe te laten tot het heilig avondmaal”.

Zonder te willen zeggen dat dit voor mij geen probleem is, komt het mij voor dat reacties zoals deze, vooral te verwachten zijn wanneer het sacrament bediend wordt in aangepaste kerkdiensten. Juist in zulke diensten zijn grote aantallen kinderen. En zij zullen moeilijk kunnen begrijpen waarom de één wel mag en de ander niet.

Mogen kinderen aan het heilig avondmaal, is een moeilijke vraag. Mogen verstandelijk gehandicapten, zonder belijdenis te hebben gedaan, aan het heilig avondmaal, vind ik een nog moeilijkere. Zou het in één van de kerkdiensten voorkomen dat zo’n kind naar voren kwam, ik zou het niet weigeren. Maar om dit tot een algemene gewoonte voor hen te maken?

We willen dat de verstandelijk gehandicapte vandaag niet in een hokje geplaatst wordt. Ook hij is een volwaardig lid van de gemeente, zeggen wij. Hij hoort er bij. Verstandelijk onvolwaardig is nog iets anders dan geestelijk onvolwaardig … Nu, mede vanuit dit gezichtspunt moeten we ook van onze verstandelijk gehandicapte jongens en meisjes geloof vragen, geloof in de Here Jezus Christus. In de preken, die ik geregeld voor hen mag houden, vraag ik ook van hen dat ze van Hem moeten houden, dat Hij in hun hartje moet wonen … Daarom zal ik ook van hen, als zij graag belijdenis willen doen en aan het heilig avondmaal willen gaan vragen: „Heb jij de Here Jezus lief?”

Ook voor de verstandelijk gehandicapte sta ik geen ontkoppeling voor van belijdenis doen en gaan aan het heilig avondmaal. Dat betekent wel een geweldige opgave om dat aan hen uit te leggen.

We spreken tot de verstandelijk gehandicapte dan wel in een eenvoudige taal en op een eenvoudige manier, maar ten diepste is de weg tot God voor hen en voor mij dezelfde. Het grootste wonder is dat ik hen vaak mijzelf zie voorgaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.