+ Meer informatie

Het lezen van het Woord Gods

3 minuten leestijd

Mijn geliefden! Wij zijn zonderlinge mensen, zonderling ook bij het lezen van het Woord Gods. Wij lezen dat Woord menigmaal, zoals wij ook vaak het brood of andere spijs gebruiken; wij eten dikwijls zonder er aan te denken, dat wij eten; zelfs smaakt ons soms het eten niet, ofschoon wij tevoren gebeden hebben, dat God de spijze mocht zegenen. En wat de spijze is voor de buik, dat is het Woord Gods voor de gehele mens; ja voor de gehele mens, veel meer nog dan de lichamelijke spijs, aangezien het Woord Gods de mens niet alleen voedt en bij het eeuwige leven behoudt, inaar hem ook het eeuwige leven deelachtig maakt, gelijkerwijs de apostel Petrus schrijft: „Gij die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwigblijvende Woord Gods” (1 Petr. 1:23). In dit Woord Gods staan duizend dingen, die de mens bemoedigen kunnen in dit aardse leven; daarom rukt ook de duivel ons zo gaarne het Woord uit de handen, wijl hij ons zo gaarne bedrukt en moedeloos ziet, en dat wij het hoofd laten hangen, want hij weet wel, dat, als hij ons eerst eens zover gebracht heeft, ons hart voor iedere bedenking des ongeloofs en bijgevolg ook voor iedere zonde openstaat. Daarentegen weet de genadige God raad voor Zijn patiënten en maakt, dat zij in de aanvechting op het Woord acht geven. Hij troost hen dan met menig liefelijk woord, waarvan het hun weliswaar duidelijk is, dat het van God komt, immers zij bemerken dit aan de waarachtige troost, die zij van zulk een woord hebben, maar zij vragen desniettemin menigmaal of dat woord ook werkelijk in de Bijbel staat, en zoeken zolang, totdat zij hetzelve ook gevonden hebben, en zijn dan hoogst verblijd over zulk een vondst.

Er blijft intussen nog veel in de Heilige Schrift over, waarop zelden door ons de nodige aandacht gevestigd wordt; dat komt, omdat wij bij het lezen niet oplettend zijn, er niet altoos van doordrongen zijn, dat wij ellendige, arme en verdoemenswaardige mensen zijn, en dat God een groot Ontfermer is in al Zijn woorden. Wij zetten ons wel eens zeer voornaam en vol eigendunk voor de Schrift neer, als deden wij er God een genoegen mee dat wij Zijn liefelijk Woord in de hand nemen. Daar zijn wij dan wondergroot, en het Boek zeer klein, evenwel hoe kleiner en hoe ellendiger wij worden, des te groter wordt ons dat kleine Boek, en dan stoten wij vanzelf op menig ding, waaraan wij vroeger nooit zo gedacht hebben.

Welaan, laat ons in dit morgenuur bij zoiets uit de Schrift onze aandacht vestigen.

Inleiding van preek over Lukas 3 : 21 en 22.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.