+ Meer informatie

Voor de jeugd

9 minuten leestijd

BESTE JONGELUI!

Gideon 21 (Richt. 6 : 25, 26)

„En het geschiedde in dienzelfden nacht dat de HEERE tot hem zeide: Neem een var van de ossen die uws vaders zijn, te weten de tweede var van zeven jaren; en breek af het altaar van Baäl, dat uws vaders is, en houw af het bos, dat daarbij is; en bouw den HEERE uwen God een altaar op de hoogte dezei sterkte, in een bekwame plaats; en neem de tweede var, en offer een brand offer met het hout der haag, die gij zult hebben afgehouwen.”

Gideon moest dus het altaar aan de afgoden gewijd, afbreken, en een altaar bouwen, dat gewijd zou zijn aan de enige, waarachtige God, Die hemel en aarde gemaakt heeft. Dat hield (houdt) dus in: „afbreken” alles wat in strijd is met het Woord van God, en “opbouwen” datgene wat Hem welbehagelijk is. Dat was een hele opgaaf voor Gideon. Het is ook nu nog een hele opgaaf voor jullie, voor iedereen. In eigen kracht is deze opgaaf niet uit te voeren. Doch nu is het Israëls God, Die krachten geeft. Van Wie al het volk zijn sterkte heeft. Ik hoop dat jullie, jongens en meisjes, ja iedereen die dit leest, het alleen van de Heere zullen verwachten. Want ons „vlees” kiest altijd de weg van de minste weerstand. Het zoekt de strijd terecht.

Gideon moest op dat altaar een brandoffer offeren. Dat was een wijdingsoffer, waaraan de gedachte van een zoenoffer mede verbonden was. Zo kunnen jullie dat lezen in Lev. 1 : 3, 4: „Indien zijne offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren: aan de deur van de tent der samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen voor het aangezicht des HEEREN. En hij zal zijne hand op des brandoffers hoofd leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen.” Opmerkelijk is, dat Gideon niet zo maar z.m. gezegd werd, dat hij een offer brengen moest. Het werd niet aan hem overgelaten op welke wijze hij dit zou willen doen. De mogelijkheid van „eigenwillige godsdienst” werd hem daardoor ontnomen. O, die eigenwillige godsdienst toch! Misschien weten jullie wat er mee bedoeld wordt. Misschien is het ook verschillenden van jullie met duidelijk. Dat zou mij ook niet verwonderen. Want jullie leven in een tijd, waarin de „eigenwillige godsdienst” ontzettend „in” is. En een zaak, waar praktisch iedereen zich aan schuldig maakt, daar wordt door niemand acht op gegeven. Eigenwillige godsdienst wil mets anders zeggen dan dat een ieder zo de Heere denkt te kunnen dienen, op z’n eigen manier. Er wordt dan met gevraagd: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? Wel nee, dat is veel te lastig. Want dan krijg je met voorschriften en regels te doen. Let wel: Met voorschriften en regels van God! Niet van mensen. Want die zijn er ook natuurlijk. Menselijke voorschriften en regels te doen. Let wil: eMt voorschriften en regels van God! Niet Menselijke voorschriften, die in het Woord van God geen steun vinden en waarvan de Heere Zelf zegt: Tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden van mensen zijn. De farizeën in Jezus dagen zaten vol met dergelijke voorschriften, die ze de mensen oplegden en die ze zelf met hun vinger niet aanroerden. Daar moeten jullie ook voor oppassen. Want deze dingen bestaan nog, dat men jullie in een corset wil passen, waarvan in de bijbel niets te vinden is. Ook hiervan geldt, dat alles wat niet is naar het Woord van God geen dageraad zal hebben.

Wie God waarlijk wil dienen, die krijgt met de voorschriften en regels van God te doen. Die wil God dienen op de manier, zoals Hij dat in Zijn Woord bevolen heeft. Wie God waarlijk wil dienen, die móet dat niet, maar die wíl dat. Het wordt hem een lust des harten. Het komt uit de liefde tot God voort. De liefde zoekt immers altijd te behagen? En dan zijn de geboden des Heeren met zwaar. Zijn juk is zacht en Zijn last is licht. Ik hoop dat de „lust” om de Heere te vrezen, er bij jullie zal mogen zijn. Jullie kennen toch dat vers nog wel, Ps 25 : 6? Dat ik dit zo er tussen door vraag, moeten jullie mij maar niet kwalijk nemen. Want ik moet nog al eens konstateren dat jonge mensen heel weinig psalmen kennen. Dat is funest voor de toekomst van de kerk. Want van het gemeenschappelijke psalmen zingen gaat een samenbindende kracht uit. Hier speelt de nieuwe berijming ook een rol in. Ik heb deze nog nooit toe kunnen juichen, en heb daaromtrent ook mijn bezwaren ingediend, ter plaatse waar dit behoorde. Zonder resultaat overigens. Maar het resultaat is inmiddels geworden, dat de ouderen de oude berijming zingen. De jongeren leren (?) de nieuwe. Als deze nu niet wordt gezongen, dan zwijgen ze onder het zingen. Als de nieuwe wordt gezongen, dan zwijgen de ouden. Zo dat ook deze ‚vernieuwing’ een nieuwe bron van verwarring is gaan vormen. ’t Gevolg is, dat kerken en kerken, ouderen en jongeren steeds meer met de ruggen naar elkaar toe komen te staan. Men verstaat elkaar niet meer. Men spreekt tenslotte een verschillende taal. Het wordt daardoor een babylonische spraakverwarring. Dat je die in de wereld tegenkomt, daar is de wereld de wereld voor. Daar kun je niet anders van verwachten. Doch dat dit op het erf van de kerk ook hand over hand toeneemt, is des te erger. Het laat alleen maar zien, hoe wereldgelijkvormig de kerk is.

Nu ben ik voor het oude. Het is niet zo, dat ik het oude goed vind, omdat het oud is, maar omdat ik geloof, dat het oude altijd nog beter is. Hier ligt daarom voor de ouders een zware taak. Ik zou hen die met alle klem op het hart willen binden, namelijk, dat ze er op toe moeten zien, dat hun kinderen de oude psalmverzen weer gaan leren, opdat we door het samen-zingen, nog samen-verbonden zullen mogen blijven.

Wie lust heeft om de Heere te vrezen, zal de Heere willen dienen, zoals Hij dat in Zijn Woord bevolen heeft. Het Woord van God wordt dan het richtsnoer voor onze handel en wandel.

Gideon was daar ook aan geboden. Hij moest maar met zo maar, willekeurig, een offer gaan brengen. Neen, de Heere geeft hem precies te kennen, welk offer gebracht moet worden en ook hóe het gebracht moet worden. Want hij moet de tweede var (een gesneden stier) nemen van de varren zijns vaders. Het moest die var zijn, die zeven jaar oud was. De vader van Gideon heeft dus verschillende varren gehad. Er zijn schriftverklaarders die denken dat Gideon twee varren nemen moest. Een voor zichzelf en een voor het volk. Doch dat staat er niet. Er staat de „tweede” var. We moeten het ons zo voorstellen dat Gideons vader verschillende varren heeft gehad. Hij moest nu van al die varren de tweede nemen. Dat zal wel de tweede in leeftijd geweest zijn. En waarom nu juist de twee de en niet de eerste of de derde? Hij moest de tweede nemen, omdat die var zeven jaren oud was. Het gaat hier om het getal „zeven”. Want de kinderen Israëls werden door de Midianieten verdrukt „zeven” jaren, zie vs. 1. De verdrukking was dus begonnen toen die var werd geboren. Door de verdrukking van de vijand, om ren onder de bedreiging van de dood geleefd. ren onder de bederiging van de dood geleefd. Doch de Heere heeft dit volk niet geheel ten dode overgegeven. Om het recht z’n loop te doen hebben, had God Zich, van meet af aan, die var afgezonderd. Die var is dus, van God uit gezien, zeven jaren lang bestemd geweest voor de dood. Nu die zeven jaren voleindigd waren, moest die var sterven en daardoor zou het oordeel van Israël worden afgewend. Het recht kreeg dus na zeven jaren zijn loop, en daardoor kwam er voor de genade, waardoor Gideon en Israël alleen maar leven konden, vrij baan. Het is dus ook hier: Genade door recht!

Laten we deze „gulden regel” in het koninkrijk Gods toch a.u.b. niet over het hoofd zien. Want er gaat een rijke prediking in schuil voor arme zondaren. Deze var wijst tenslotte ook weer heen naar het offer, dat God Zichzelf afgezonderd heeft en dat door de Heere Jezus gebracht is. Verstaan jullie dat? Want door de val in Adam ligt het ganse mensdom onder het oordeel besloten. Het ganse schepsel is voor God verdoemelijk. Zie Rom. 3 : 19. Ieder leeft onder de bedreiging van de dood. Alleen, iedereen ziet dit niet. De meeste mensen zien het helaas niet. Zij zijn er blind voor. En als God er de ogen niet voor opent, dan blijven ze blind. Doch als het wonder gebeurt, dan gaat men zien dat het zo is. Maar dan wordt het ook wonder, dat, toen de bedreiging des doods begon, namelijk in het paradijs, God van meetaf aan, in het Offer heeft voorzien, waarop te zijner tijd Zijn toorn zou als een getal van Goddelijke volheid – gebeurd kunnen worden afgewend. En dat is nu na zeven jaren - neem nu het getal „zeven” zinnebeeldig, op de kruisheuvel Golgotha. Daar was de maat van Gods toorn vol, en die is ten volle leeggegoten op de Zoon van God, Die met Zijn enige Offerande een volkomen genoegdoening heeft teweeggebracht. Jullie hebben inmiddels weer stof genoeg gekregen om over na te denken. Ik hoop dat dit gebeurt, met een voor alle lezers zielzaligheid gevolg. Daarom neem ik nu maar weer afscheid van jullie. Alleen nog dit: Jullie vergeten toch niet de ontmoetingsdag op 20 april te Sliedrecht, hè?

Hartelijk gegroet van jullie aller vriend.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.