+ Meer informatie

Naar de Catechisatie

6 minuten leestijd

72.

De weg der verlossing (4)

Het genadeverbond

We zouden nu ingaan op de vraag: wie moeten als „bondgenoten” van het genadeverbond aangemerkt worden? Deze vraag raakt de kwestie over „uitwendig” of „inwendig” genadeverbond, uitwendig in-zijn of inwendig in-zijn in het genadeverbond.

We menen, dat hierover veel verwarring van gedachten en meningen is. Ook hier geldt weer het verschil tussen „theorie” en „praktijk”, gelijk dit het geval vaak is met de kwestie van het „belijdenis-doen”.

De Heere laat in Zijn Woord duidelijk uitkomen, dat het Hem niet te doen is ten opzichte van het welzijn van de mens voor de eeuwigheid of men de zaken verstandelijk keurig weet te beredeneren. De Heere vraagt altijd „het hart”! Het komt altijd maar op de beleving der zaken aan. Zo is het ook ten aanzien van het „verbond der genade”.

De vraag waarom het gaat is eigenlijk deze: Zijn alleen de uitverkorenen bondgenoten of moeten we hierin allen betrekken, die onder het Evangelie leven en die het teken van het verbond, de doop, dragen?

Allereerst dienen we te luisteren naar de Heilige Schrift zelf. Wat Gods Woord zegt, is beslissend.

En dan laat de Schrift ons klaar horen, dat God Zijn verbond heeft opgericht met Abraham en zijn zaad, Gen. 17. Al zijn zaad moest besneden worden, zelfs ook die behoorden tot zijn dienst-personeel. Ook Ismaël en Ezau zijn besneden. Dit betekende, dat ook zij dus behoorden tot de kring van het verbond Gods, afgezonderd door het teken der besnijdenis van de heidenen. En dit gold dan ook van geheel Israël als volk des verbonds.

Heel sterk sprak Mozes in dit verband, wanneer Hij Israël zelfs noemde „kinderen des Heeren”, Deut. 14 : 1: „Gijlieden zijt kinderen des Heeren, uws Gods, want gij zijt een heilig volk de Heere, uw God, en u heeft de Heere verkoren om Hem tot een volk des eigendoms te zijn, uit al de volken, die op de aardbodem zijn”.

En in Ezechiël 16 : 21 spreekt de Heere ook van hun kinderen als van Zijn kinderen: „dat gij Mijn kinderen geslacht hebt”. Hier gaat het niet over een „volksverbond”.

Bij het geven van de Wet op Sinaï sprak God: „Ik ben de Heere, Uw God, Die u uit Egypteland uitgevoerd heb”.

En toch bedoelde de Heere niet, dat zij allen ware kinderen van God waren, geestelijke kinderen, door wedergeboorte. Dit blijkt uit Rom. 9 : 6b: „want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn”.

Hoe moeten we dan de uitdrukkingen verstaan als: „gijlieden zijt kinderen des Heeren”, „Mijn kinderen, „Mijn volk” op veel plaatsen, „uw God” enz.?

Wel, deze stellen een bepaalde relatie. Geen zaligmakende, maar een algemene, een uiterlijke.

In verband hiermede moeten we wijzen op gedachten als: „uiterlijk in-zijn” in het verbond. De bedoeling is om uit te laten komen, dat hier geen sprake is van wezenlijk deelachtig zijn van de beloften en weldaden des verbonds door wedergeboorte. Maar we mogen ook niet stellen, dat dit „uiterlijk” betrekking heeft op wat de Heere belooft in Zijn verbond en Zijn verbond als zodanig stelt. Dat kan niet. Wat God belooft is zeer positief op zichzelf, bedoelend het heil van de zondaar!

Er is daarom ook geen „uiterlijk verbond” naast het „genadeverbond”, zoals sommigen wel gesteld hebben. Brakel verwerpt dit ook ten stelligste in zijn „redelijke godsdienst”.

Willen we de uitdrukking „uiterlijk in-zijn” in het verbond vasthouden, dan wijst het „uiterlijk” op de houding van de mens, b.v. uiterlijk gehoorzamen, uiterlijk in Gods inzettingen wandelen.

Nu is het krachtens deze uiterlijke relatie dat de Schrift spreekt van „kinderen des koninkrijks”, die buitengeworpen zullen worden. Petrus noemt hen in Handel. 3 : 25: „Gijlieden zijt kinderen der profeten en des verbonds, hetwelk God opgericht heeft met onze vaderen”.

Ons doopsformulier noemt zelfs de kinderen „erfgenamen van het rijk Gods en van Zijn verbond”.

Onze vaderen hebben dit niet „subjektief”, onderwerpelijk bedoeld, maar „objektief’, voorwerpelijk. Dit houdt ook verband met de vraag: voor wie gelden de beloften van het verbond?

Sommigen zeggen: alleen de uitverkorenen.

De Schrift zegt: „Want u komt de belofte toe en uw kinderen en allen die daar verre zijn, zovelen als er de Heere, onze God, toe roepen zal”, Hand. 2 : 39. En Paulus schrijft in 1 Kor. 7 : 14: „want anders waren uw kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig”. „Heilig” betekent hier „afgezonderd van de wereld”. Geen innerlijke heiligheid dus als beginsel van het nieuwe leven.

In Hebr. 10 : 29 schrijft de apostel: „hoeveel te zwaarder straf, meent gij, zal hij waardig geacht worden, die de Zoon van God vertreden heeft en het bloed des testaments onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was”. Ook hier kan de apostel nooit bedoeld hebben: innerlijke heiliging.

Nu zijn er wel specifieke beloften voor Gods kinderen. B.v. „Zijn brood wordt hem gegeven, zijn wateren zijn gewis”, Jes. 33 : 16b. Maar we lezen ook duidelijk van beloften, waarmede de Heere de zondaar tegemoet treedt. U kunt er wel verschillende van opnoemen. O.m. is het spreukenboek er vol van. Denk ook aan de bekende tekst van Ezech. 33 : 11, Jes. 46 : 12, 13 enz. Het Evangelie moet gepredikt worden aan alle creaturen.

De Heere maakt Zich ook vrij van elk mens, opdat niemand zal kunnen zeggen: het is mij niet aangezegd en voorgesteld.

Daarom zal het Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in de dag des oordeels dan Kapernaüm! Denk ook aan de zoëven genoemde tekst van Hebr. 10 : 29.

Zo stelt God Zijn verbond met deszelfs beloften.

Men is zeer bevreesd om dit te betrekken op allen, die onder het Evangelie leven, wegens zelfbedrog.

Zeker, dit zelfbedrog is er bij velen, bij zeer velen. Maar dit ligt niet aan de leer, doch aan het verkeerde gebruik ervan.

Vreselijk misleidend is, wanneer de prediker zijn gemeente, de onderwijzer(es), de ouders hun kinderen voorhoudt en voorhouden: ge zijt een kind des verbonds, gedoopt. Geloof dit en alles is in orde. Ge behoeft dan niet te vrezen. Men gaat zelfs zóver, dat men stelt: in de belofte ligt al de wedergeboorte, ge zijt dus wedergeboren. Dit gaat nog verder dan de „veronderstelde wedergeboorte-leer”.

En o, die z.g.n. verbondsprediking, welke men thans brengt op de genoemde manier of..... wat bedekter, wat nog gevaarlijker en misleidender is!

De bondeling, die door natuurlijke geboorte „in het verbond Gods begrepen is” (Cat., zondag 27, vr. 74) is van nature evenzeer „onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad”, geheel afkerig en onwillig om het verbond in te willigen ja het te houden.

Daartoe is noodzakelijk: wederbarende genade. Daardoor is men alleen INWENDIG, ZALIGMAKEND in het verbond.

Regel is niet, dat men het verbond inwilligt, maar dat men het weigert, niet houdt!

Ook bij het verbond der genade geldt het: „velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren”.

Onderzoeke men zich nauw, ja zeer nauw, hoe men „in het verbond” is, d.w.z. hoe men onder het verbond en zijn beloften verkeert en leeft. In dit opzicht zijn er ook slechts twee wegen en geen derde.

Ten besluite hopen wij in een volgende les nog iets te zeggen over onze verantwoordelijkheid, die er niet alleen is krachtens onze schepping, maar die er ook is krachtens het ontvangen van het Evangelie en Gods verbond. We willen dan daarbij ook even luisteren naar wat onze oudvaders hierover schrijven.

Urk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.