+ Meer informatie

TER OVERWEGING

12 minuten leestijd

C.J. den Heijer, Verzoening (bijbelse notities bij een omstreden thema). Uitg. Kok, Kampen 1997. 144 blz. f 27,50.

Voor mij ligt een opzienbarend en schokkend boek. De auteur (hoogleraar NT in Kampen-1) heeft zich ten doel gesteld te toetsen in hoeverre de gangbare, dit is de in de gereformeerde belijdenisgeschriften voorkomende leer over de verzoening (Jezus betaalt in onze plaats voor onze zonden en opent zo de poort van het Koninkrijk) door de bijbel gedragen wordt. Zijn conclusie is op blz. 135 dat hij op deze vraag een ‘ontkennend antwoord’ geeft. Slechts in de visie zoals Paulus die geeft in zijn brieven komt deze leer aan bod, de andere boeken van het NT spreken goeddeels op andere wijze. ‘Theologen meenden méér te weten en zelfs wijzer te zijn dan de schrijvers van het Nieuwe Testament’.

Wanneer inderdaad de Schrift anders zou spreken dan de belijdenis, zou er reden zijn de belijdenis te wijzigen en onze preken en bezoekthema’s om te gooien. Maar is dat werkelijk zo? Komt Den Heijer tot deze conclusie op een gefundeerde wijze? Wie het boek doorneemt, komt enerzijds onder de indruk van de denkkracht van de auteur. Tegelijk dringt zich de vraag op of de wijze van bestudering van de Schriften strookt met datgene dat de Schrift daar zelf van zegt. Allereerst komt de godheid van Jezus in de eerste hoofdstukken al zeer sterk in de schaduw te staan van zijn mens zijn; het getuigenis over de opstanding wordt teruggebracht tot het ‘opstaan in die mensen die het wagen zijn weg te bewandelen’ (blz. 33), louter in geestelijke zin. Feitelijk is deze visie op de persoon van de Here Jezus opmaat voor de visie op de verzoening. Want hoe zou een mens, hoe bijzonder ook, de schuld van de wereld kunnen dragen? Herhaaldelijk vraagt de auteur zich af of de vroeg-christelijke gemeente al behoefte had aan een duiding over het thema (op blz. 40 bijv.). Maar meer en meer dringt zich bij lezing de vraag op: moet er niet veel meer gevraagd worden naar het getuigenis van God door de Geest in de bijbel? En is niet heel de Schrift - door mensen te boek gesteld die door de Heilige Geest gedreven waren(!) - ons gegeven tot zaligheid? En moeten zo ook niet de gegevens in de boeken onderling met elkaar in verband gebracht worden? Dan zou de uitkomst ongetwijfeld anders zijn geweest.

Ds. H. van der Schaaf e.a. (red.), Jaarboek 1997 van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland. Uitg. D.J. van Brummen / Buijten & Schipperheijn, Amsterdam 1997. 328 blz. f 16,90.

Een woord van dank jegens de redactie: Mooi vroeg in het jaar verscheen de editie 1997. Zeker ambtsdragers zullen er telkens (als het goed is) naar uitzien: het oude is als het gaat om de actuele gegevens van de gemeenten snel verouderd. Mij viel o.a. op hoe de redactie zijn best heeft gedaan om belangrijke wijzigingen die begin 1997 onder de predikanten plaatsvonden nog te verwerken; e.e.a. is al pijnlijk genoeg. Waardering daarvoor! Een respectabele hoeveelheid gegevens is in ons jaarboek bijeengebracht. Men komt onder de indruk van de grote hoeveelheid werk die in plaatselijke gemeenten, regionale en landelijke verbanden door jong én oud dienend wordt verzet. De Here is ons daarin genadig.

Op verschillende momenten klinkt zorg door. Men denke aan de statistieken die over een reeks van jaren laten zien dat ons kerkelijk leven qua ledental nauwelijks of niet stabiel blijft; bovendien (zo signaleert de schrijver van het jaaroverzicht) is er sprake van vergrijzing. De aantrekkingskracht van andere kerken op de onze is ook groter dan andersom. Er zijn gemeenten die een bloeiend bestaan leiden - grote én kleine -, maar er zijn er ook die kwijnen en langzaam maar zeker naderen tot de grens van het bestaansminimum. Daarbij is het westen van ons land een gebied van extra grote zorg (de hele classis Amsterdam telt met 11 gemeenten nog 2044 leden, evenveel als de gemeente Zwolle…).

De jaaroverzicht-schrijver, ds. Van der Schaaf, legt de vinger bij het steeds meer voorkomende verschijnsel van het lid zijn van een gemeente buiten het eigen (ooit classicaal vastgestelde) gebied. Juist omdat ons blad een blad voor ambtsdragers is, vestig ik daar de aandacht op. Onderling gesprek tussen kerkenraden en op de classisvergaderingen is noodzakelijk wanneer men over en weer vindt dat men in eigen gemeente geen lid kan zijn. Ik plaats er de kanttekening bij dat het overigens lang niet altijd zo is dat dit verschijnsel samenhangt met principiële moeiten, gelukkig niet.

G. van der Laan-de Boer, In dit teken zult gij overwinnen. Momenten uit de geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Nieuw-Amsterdam 1895-1995. 199 blz. f 30,-.

Dit boek - te bestellen bij de schrijfster (adres: administratie van ons blad); porto: f 6,- - geeft ‘momenten’ weer uit de geschiedenis van de gemeente Nieuw-Amsterdam die in 1871 werd gesticht en in 1895 in ons huidige kerkverband werd opgenomen, onlangs dus een eeuw geleden. Met bijzondere historische en kérkelijke interesse heeft mevrouw Van der Laan ‘momenten’ uit de geschiedenis sinds 1871 en uiteraard vooral sinds 1895 bijeengebracht en beschreven, waarbij met name de notulen van kerkenraad en classes aan het woord worden gelaten. Over de moeilijkheden in de beginperiode rond de oefenaar - later via Amerika predikant - Meijerink had wijlen ds. B. van de Berg een artikel geschreven dat in dit boek is opgenomen. Deze moeilijkheden leidden ertoe dat de gemeente van 1879 tot 1895 buiten het christelijk-gereformeerde kerkverband kwam te staan. Ontzaglijk veel ‘momenten’ zijn in 23 hoofdstukken beschreven (met een enkele doublure, bijv. de ‘nieuwe rijksdaalders’ van blz. 89 en 139), waarbij het ‘heden’ beslist niet wordt vergeten. Over de classissplitsing (73) hadden de Acta van 1956 nadere informatie kunnen geven (in art. 25; zie ook bijlagen I en II). Is met ‘landelijke zendingsvereniging’ misschien het zendingsblad U.K.K bedoeld (166)? Reeds in 1889 schrijven de broeders van Nieuw-Amsterdam de nieuwe spelling: ‘kerkenraad’ (27)! Ook dit boek laat de betekenis van de beoefening en beschrijving van de lokale kerkgeschiedenis zien, niet het minst met het oog op de vraag van één van de laatste hoofdstukken ‘Waarom Christelijk Gereformeerd (192)?’ Een vergelijkend onderzoek van de thans beschikbare lokale geschiedbeschrijvingen met betrekking tot deze vraag zou wel eens interessant én gevarieerd materiaal kunnen aanreiken!

K.A. Deurloo e.a. (red), Amsterdamse cahiers voor exegese en bijbelse theologie. Cahier 14. Uitg. Kok, Kampen. 144 blz. f 29,50.

Het grootste deel van dit cahier - een 100 blz. - biedt vier lezingen ‘ter huldiging’ van Wolfgang Schneider (docent Hebreeuws Wuppertal) die ‘even nadrukkelijk als helder het spoor gewezen heeft van het onderscheid tussen “erzählende” en “besprechende” bijbelteksten’ (91). Met een tweetal artikelen erbij bedoelt dit Cahier ‘nieuw en gevarieerd materiaal als hulp voor exegeten en theologen’ te bieden. Of dit doel gerealiseerd wordt? Wanneer bijv. in de eerste lezing van J.W. Wesselius wordt betoogd dat Herodotus (5de eeuw v. Chr.) de ‘vader van de Bijbelse Geschiedenis’ is geweest (aldus de titel) en ‘in elk geval wel de peetvader’ (53), dan wordt haast op elke bladzijde gewag gemaakt van ‘overeenkomsten’ die ‘aannemelijk’, ‘opmerkelijk’, te ‘postuleren’, ‘goed voor te stellen’, te ‘veronderstellen’, ‘waarschijnlijk’ zijn enz. enz. Onwillekeurig moet je dan denken aan het raadselspelletje: ik zie, ik zie wat jij niet ziet… Het geboden materiaal kan interessant genoemd worden, maar of het exegese en theologie werkelijk hèlpt? Met name de ‘bijbelse theologie’?

Ds. G.J. van Beusekom, Algemene inleiding op het Oude Testament. Uitg. Kok Voorhoeve, Kampen. 72 blz. f 17,90.

Deze uitgave in de serie ‘Wegwijzers in de gereformeerde theologie’ ademt wel een heel andere geest dan het voorgaande Amsterdams Cahier 14. Niet alleen omdat het ‘de theologische vorming en toerusting van gemeenteleden’ wil dienen, maar vooral omdat het dat doet ‘in Gereformeerd perspectief’, dat een heel ander “doorzicht” geeft dan de “materiële hulp” van Cahier 14! Bondig en betrekkelijk kort wordt informatie gegeven inzake naam, taal, tekstvertaling en canon van het Oude Testament, maar ook over schrijfmateriaal, schrift, literatuur en literatuursoorten. Wat het laatste betreft: niet de overeenkomsten (Babel-Bijbel blz. 51 vv.) baren moeite en beslissen, maar wat verschilt, is niet glad te strijken met fantastische hypothesen noch met hypothetische fantasieën.

Prof. dr. D.Th. Kuiper e.a. (red.), Jaarboek voor de geschiedenis van het Nederlandse Protestantisme na 1800. Jaargang 4. Uitg. Kok, Kampen. 203 blz. f 45,-.

Na een ‘Woord vooraf’ van prof. Kuiper, waarin een overzicht wordt gegeven over wat deze jaargang biedt, volgen de vijf artikelen die in deze bundel zijn bijeengebracht. Dr. J. Ridderbos Niczn. schrijft over ‘De jonge Van der Vaart Smit’, drs. K.W. de Jong over ‘Willem Eliza van Duin: een bijzonder tragisch figuur’, Gert J. Peelen over ‘Hein de Bruin (1899-1947)’, P.M. Peucker over ‘De Zeister Broedergemeente in de Tweede Wereldoorlog’ en dr. W.J. Ouweneel over de ‘Vergadering van Gelovigen - waarheen?’. Ook in deze jaargang wordt heel veel informatie geboden over personen en gemeenschappen die velen van de huidige generatie niet of niet direct als bekend zullen kwalificeren, maar ook dat sluit allerminst uit dat kennisname niet van betekenis kan zijn. Of het nu gaat over een dominee die NSB-er werd, een bij “Hersteld Verband” terecht gekomen dominee, een dichter “tussen wal en schip’, een Duitse kerk in bezettingstijd of over de “Broederbeweging” (wel met “darbisme” aangeduid), veel waardevols wordt geboden, teveel om hier weer te geven!

Wanneer een ander beslist. Zorg voor wilsonbekwame patiënten, onder redactie van de Nederlandse Patiënten Vereniging. Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam 1996. f 12,50.

In dit boekje vindt men een uittreksel of samenvatting van het boek ‘Zorg voor wilsonbekwame patiënten’, deel 5 in de Lindeboom-reeks. Vanuit het oogpunt van de geneeskunde, de verpleegkunde en het recht wordt er over de wilsonbekwame patiënt geschreven. Daarna wordt aandacht besteed aan ernstig zieke of gehandicapte pasgeborenen, aan de comateuze patiënten, de demente bejaarden en de mensen met een verstandelijke handicap.

In kort bestek wordt veel informatie geboden. Met het standpunt van de schrijvers ben ik het eens. Nergens wordt van een arts het onmogelijke gevraagd. Nuchter en tegelijk bewogen bespreken de schrijvers de nood. Ouders, familie en verpleegkundigen worden met adviezen en voorlichting geholpen.

Om zijn inhoud en eenvoud, om zijn directheid en gefundeerdheid een waardevol boekje.

Dr. H.F. Kohlbrugge, Door lijden tot heerlijkheid. Meditaties, Uitg. Groen, Leiden 1996. 86 blz. f 19,95.

Niet minder dan zesentwintig meditaties van Kohlbrugge over het leven van Jezus, Zijn lijden en opstanding, en over de verwachting van het eeuwige leven in het Oude Testament. De vindplaats wordt aangewezen. De inhoud is voluit Kohlbruggiaans. Een mooi boekje om aan iemand ten geschenke te geven.

Alle Hoekema en Sonny Hof, Illustere Dissenters. Aspecten van de positie der Nederlandse Lutheranen en Doopsgezinden. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 1996. 182 blz. f 29,90.

Onder dissenters wordt hier verstaan de kleine kerken van Lutheranen en Doops-gezinden, die beide aan de Amsterdamse universiteit hun theologische opleiding hebben. Om zich te presenteren is dit boek verschenen. Luther stierf 450 jaar geleden. Menno Simonsz, de grote voorganger van de Doopsgezinden, werd vijfhonderd jaar geleden geboren.

Op de geschiedenis van beide kerkformaties in Nederland wordt gedetailleerd ingegaan, aan de hand van feiten en figuren. Er is een hoofdstuk over het lied bij Luther (J.P. Boendermaker) en bij de Mennonieten (P. Visser). Tenslotte een hoofdstuk over de verhouding van rechtvaardiging en heiliging bij de Luthersen (S.E. Hof), bij de Dopersen (A.F. de Jong) en bij de Gereformeerden (N.T. Bakker). De laatste heeft stevige kritiek op Calvijn vanuit Barth.

Een bundel waarin de tegenstellingen tussen Luthersen en Doopsgezinden wat worden afgezwakt. Het boek biedt een interessante impressie van de positie van beide kerken en hun vertegenwoordigers. Het is merkwaardig dat zij zichzelf als dissenters typeren. Zo zou ik als afgescheiden theoloog onze kerken niet typeren.

H.F. Kohlbrugge. Is het ongelofelijk dat God doden opwekt? Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 1996.49 blz. f 16,90.

Dit geschrift is samengesteld door Maria de Clercq. Het bevat een verhandeling van Kohlbrugge over de prediking over de opstanding der doden. Maria de Clercq heeft deze verhandeling opgenomen; ze is destijds niet met haar naam uitgegeven. Dat gebeurt nu wel in de zogenaamde Kohlbrugge-reeks. Er gaat een voorrede van Kohlbrugge aan vooraf. Daarvoor een Inleiding van prof. Balke, met interessante gegevens over mevrouw De Clercq, haar familie en de relatie tot Kohlbrugge.

Om de inhoud en de informatie is het een waardevol geschrift.

Dr. B.W. Tulnstra, Spreuken I. Uitg. Callenbach, Nijkerk 1996. 320 blz. f 99,50 (voor intekenaren op de serie: f 89,50).

Een nieuw deel in de serie De Prediking van het Oude Testament. Dit deel gaat over de eerste negen hoofdstukken van het boek Spreuken.

Met een informatieve uitvoerige inleiding opent de schrijver zijn commentaar. Met grote kennis van zaken wordt op de eerste negen hoofdstukken commentaar gegeven. De literatuurlijst beslaat niet minder dan acht bladzijden.

Het is geen boek om even open te doen. Men moet de tekst van dr. Tuinstra echt op zich laten inwerken en in zijn samenhang bekijken. Dan wordt de inspanning beloond. Aan het eigene van deze literatuursoort wordt ruime aandacht besteed.

K. Zwanepol (red.), Luthers erfenis. In de lijn van Luther. Zijn 450ste sterfjaar. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 1996, tweede druk. 158 blz. f 29,50.

De hoogleraren Jüngel en Pesch (Hamburg) hebben de hoofdreferaten geleverd. Daarnaast treffen we de voordrachten van de workshops aan. Ze hebben alle te maken met dood en leven in de theologie van Luther. Het laatste hoofdstuk gaat over het testament van Luther, met een facsimile van het door hem zelf geschreven testament.

Men treft heel wat bijzonderheden aan in deze bundel, onder andere enkele (vertaalde) brieven waarin Luther vrienden troost over de dood van hun vrouw of van een kind.

Het is een fraaie bundel. leder die zich met Luther bezighoudt moet dit boek bestuderen en bezitten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.