+ Meer informatie

VAN SYNODE TOT SYNODE HET DIACONAAT OP DE GENERALE SYNODES VAN DE CHRISTELIJKE GEREFORMEERDE KERKEN SINDS 1893

48 minuten leestijd

1894 Synode te Utrecht

Op deze synodevergadering - de derde na de voortzetting van de Chr. Ger. Kerken in 1892 - komt voor het eerst het diaconaat aan de orde, omdat er een diaken als afgevaardigde aanwezig is. De vraag wordt gesteld of toelating van diakenen geoorloofd is? ”Deze vraag wordt toestemmend beantwoord, na de opmerking van Ds. Draijer, dat men bij voorkeur ouderlingen zal afvaardigen, en afvaardiging van diakenen allen in geval van nood zal geschieden.” Er wordt op gewezen, dat ”het ouderling- en diakenambt zeer onderscheiden zijn, dat volgens kerkorde alleen ouderlingen recht van stemming hebben, maar dat ook, vooral in de tegenwoordige omstandigheden, de praktijk vóór de theorie gaat en dus de diakenen recht van stem dienen te hebben”.

1985 Synode te Utrecht

De gemeente van Amsterdam dient het volgende voorstel in: ”De Synode spreke zich uit over het stichten van een Centraal of Provinciaal Weeshuis, in eene stad, waar de jongens voor eenig ambacht kunnen worden opgeleid, en waar de gemeente een eigen leeraar bezit”. Eenparig wordt uitgesproken, dat in de huidige periode van de kerk ”nog niet aan de stichting van zoodanige, zo gewenschte inrichting kan worden gedacht”. Tenslotte spreekt de synode terzake uit, ”dat het wenschelijk is, dat weezen der gemeente bij leden der gemeente worden verzorgd, terwijl iedere diakonie in eigen gemeente in deze aangelegenheid zal doen wat hare hand vindt om te doen”.

1896 Synode te Utrecht

’s-Gravenhage dient op deze vergadering het volgende voorstel in: ”De classis vraagt de Synode over te gaan tot het openen van eene gelegenheid om langs wettigen weg officieelen steun te verleenen aan de verpleging der weezen.” Bij de behandeling van dit voorstel wordt om inlichtingen gevraagd ”omtrent het verzamelen van gelden voor de weezen der Oud-Beierlandsche gemeente”. Medegedeeld wordt, dat dit gaat om wezen die door hun grootouders worden verzorgd, waarvoor zij wekelijks financiële ondersteuning ontvangen. Er wordt herinnerd aan de uitspraak van de vorige synode, dat dit allereerst de verantwoordelijkheid is van de gemeente, resp. diaconie. De synode geeft aan de Synodale Commissie volmacht om ”ingeval gemeente noch classis in staat zijn in voorkomende gevallen in de weezen-verzorging voldoende te voorzien, de betrokken gemeente vrijheid te geven in ”de Wekker” te vragen om voor die wezen te collectee-ren”. Hiermee is blijkens het ontbreken van een directe verwijzing naar het voorstel ’s-Gravenhage ook een besluit genomen over het ingediende voorstel.

1897 Synode te Utrecht

Voor de ”verzorging der bekende weezen van Oud-Beierland” is een fonds gevormd en zijn uit de kerken gelden ontvangen. Er wordt een commissie uit de classis benoemd om deze gelden te beheren.

1898 Synode te Utrecht

Er wordt verslag gedaan van de ontvangsten en uitgaven van de ”Kas voor verzorging van de bekende weezen van Oud-Beierland”. De synode besluit de ”Commissie aan te bevelen in gemeenschap met den Kerkeraad van Oud-Beierland een onderzoek in te stellen naar de wijze, waarop de verpleging thans geschiedt, ter verkrijging eener betere verzorging.” Voorafgaand aan de sluiting doet ds. Wisse ”nog enkele mededee-lingen betrekkelijk te wachten bemoeiingen der Regeering met de kerkelijke armbesturen”; overigens wordt niet vermeld wat medegedeeld wordt.

1899 Synode te Utrecht

Opnieuw wordt mededeling gedaan van de stand van de ”Kas voor de weezen van Oud-Beierland”.

1900 Synode te Utrecht

Op de eerste bijeenkomst van een synode in de 20e eeuw brengt ds. Bakker als administrateur verslag uit van de ”Kas voor de weezen van Oud-Beierland”. Ds. Bakker vraagt of hij administrateur kan blijven nu hij verhuisd is; de synode benoemt hem opnieuw. De kerkeraad van de gemeente Oud-Beijerland ontvangt de opdracht om toe te zien ”op de zedelijke vorming der weezen en zoo hij bij dat toezicht op groote bezwaren mocht stuiten, zich tot de Classis te wenden”.

1901 Synode te Utrecht

Ook hier komt het ”fonds voor de weezen van Oud-Beierland” aan de orde. Allereerst wordt financieel verslag uitgebracht. Vervolgens wordt de volgende instructie van de classis Dordrecht in behandeling genomen: ”De Synode brenge wijziging in het penningmeesterschap van de kas der weezen van Oud-Beierland.” In de toelichting wordt gezegd, dat het bezwaar is, dat ds. Bakker buiten de classis Dordrecht woont, waardoor de classis ”weinig of niets van de zaak te weten komt.” De synode besluit ”de geheele zaak, en dus ook het geldelijk beheer van het fonds” over te dragen aan de kerkeraad van Oud-Beijerland ”die dan zelf een beheerder kan kiezen, hetzij ds. Bakker, hetzij een ander”.

De classes ’s-Gravenhage-Gouda dienen het volgende voorstel in: ”De Synode hand-have het Synode-besluit van 1854 inzake de publieke aanvragen eener gemeente om financieele hulp.” Terzake besluit de Synode, ”dat de bestaande bepaling zal blijven gehandhaafd, n.l.: Een ieder blijve, bij het vragen van onderstand, binnen den kring van zijn Kerkbestuur. De gelijkvormigheid aan de wereld om in het openbaar te bedelen, zij en blijve nadrukkelijk verworpen. Geen lid behoort derhalve buiten zijne diakenen onderstand te vragen. Een gemeente, noodlijdende, vervoege zich tot hare naburige gemeenten of Classis, de Classis tot naburige Classes of tot hare Provinciale Kerkvergadering, en wanneer ook eene Provinciale Kerkvergadering niet in staat is uit eigen middelen in de behoeften te voorzien, wordt het aan hen, die hiertoe door deze vergadering zijn benoemd, opgedragen om algemeene bijdragen te vragen. Het openlijk en algemeen aanzoek tot onderstand behoort alleen namens de Provinciale Kerkvergadering, of, keurt de Synodale Commissie het goed, namens de geheele Kerk te geschieden”.

1902 Synode te Utrecht

Hier dient het voorstel van de classis ’s-Gravenhage tot oprichting van een ”Algemeene Weezenkas” om in voorkomende gevallen elkaar te steunen. Als toelichting wordt erbij gezegd, dat sommige gemeenten de verzorging van wezen al ter hand hebben genomen, maar ”dat de Classis evenwel meent, dat een algemeene kas, hoewel zij ook haar tegen heeft, veel voor heeft inzonderheid met het oog op de geringe finantieele draagkracht van vele kleine gemeenten.” In de discussie wordt o.a. naar voren gebracht, dat dit diaconaal werk is en ”de zaak dus eigenlijk niet op de Synode thuis behoort”. Meerderen stellen dat dit een zaak is van de plaatselijke gemeente. ”Besloten wordt daarna: de Synode oordeelt het niet raadzaam een algemeene weezenkas te stichten.”

Op de tussenliggende synodes - 1903, 1904, 1905, 1906, 1907, 1908, 1909 en 1910 - is het diaconaat volgens de Handelingen niet aan de orde geweest.

1911 Synode te Utrecht

Er is een instructie van de classis Utrecht ter tafel: ”De Synode bepale, dat in een ker-keraad, hetzij groot of klein, minstens evenveel Ouderlingen als Diakenen moeten zijn.” Er blijkt in de classis Utrecht een gemeente te zijn, waarvan de kerkeraad meer diake-nen dan ouderlingen telt. ”Dit heeft aanleiding gegeven tot moeilijkheden. Na bespreking bepaalt de Synode, dat in een kerkeraad, groot of klein, minstens evenveel ouderlingen als diakenen moeten zijn, daar anders de kerkeraad onvolledig is.”

1912 Synode te Utrecht

De classis ’s-Gravenhage heeft de volgende instructie ingediend: ”De Synode spreke het beginsel uit of de Kerk in het algemeen een Rust- en Weeshuis moet oprichten of dat zulk een oprichting volgens de D.K. op den weg der plaatselijke gemeente ligt, met steun van andere gemeenten.” Van de classis Dordrecht is er de volgende instructie: ”Zou de Synode het niet nodig achten stappen te doen tot oprichting van een generaal Weeshuis?” Men merkt op dat het hier om een diaconale zaak gaat. Het is aan de diaconieën om te bezien of zij samen dit doel kunnen bereiken, maar ”de Synode behoort zich niet met dit punt in te laten. Na korte discussie wordt door de Synode uitgesproken, dat de verzorging der weezen op den weg der diaconie ligt”.

1913 Synode te Utrecht

Er is een schrijven van de ”Vereeniging, die zich, ingevolge van het besluit der Synode van 1912, beijverde voor de ’weezenzaakIn de tussentijd was nl. een ”Vereniging van Christ. Geref. Diaconieën” voor wezenzog opgericht. Daarnaast is ook een instructie door de classis Dordrecht ingediend om een nadere verklaring van dit besluit van 1912. De classis Amsterdam dient een instructie in om bij deze uitspraak te blijven, omdat een aantal diaconieën naar haar oordeel verder is gegaan dan de synode-uitspraak van 1912; het werk van de ”Vereeniging” wordt door ds. J.W. Geels - afgevaardigde van de classis Amsterdam - een ”onwettig drijven” genoemd, omdat men al voor een vergadering met de diaconieën besloten had niet naar ”gezinsverpleging” te streven maar naar het stichten van een ”centraal-weeshuis”. Ter synode spreken anderen uit, dat men niet van een drijven kan spreken, omdat de ”Vereeniging” juist in de lijn van het synodebesluit van 1912 werkt. Gesteld wordt, dat er sprake is van diakenen en niet van dia-conieën: ”diakonieën zijn er niet”. Voorts wordt naar voren gebracht, dat als de broeders voor deze zaak rechtspersoonlijkheid aanvragen en verkrijgen zij in die zaak buiten (con-trole van) de kerk staan. ”Daaruit is voor de toekomst veel ellende te wachten. De broeders zijn op een verkeerden weg.” Men wil, dat de wezenzorg ”gemeentelijk” blijft. Op dinsdag 29 juli wordt een commissie benoemd om het statuut van de ”Vereeniging” te onderzoeken. Op 31 juli wordt het rapport uitgebracht en aangenomen. Men spreekt van ”zeer gewichtige en ernstige bezwaren tegen genoemde Statuten”. Want: ”De weezen der Kerk behooren immers aan de Kerk en niet aan de Diakoniën als zoodanig, zoodat de Kerk voor hare verzorging zoowel lichamelijk als geestelijk aansprakelijk is. Deze verzorging mag en kan de Kerk derhalve nooit overdragen aan eenige Vereeniging, ook niet aan eene Vereeniging van diaconiën, wanneer deze als eene Verengiing naast en buiten de Kerk optreedt, omdat immers de diaconie zelf een deel van de Kerk is en nimmer zelfstandig mag en kan handelen”. Het besluit tot stichting van een weeshuis is daarom niet aan de diaconieën, maar aan de gemeente, vertegenwoordigd in de kerkeraad. Kan een gemeente dat niet dan kan classicaal of provinciaal een centraal weeshuis opgericht worden. Vanwege het onkerkelijke karakter van de ”Vereeniging van diaconieën” kunnen deze statuten niet aanvaard worden. Een kerk kan een vereniging, zelfs al is die van haar eigen diaconieën, nooit erkennen ”en veel minder nog de verzorging en opvoeding van hare wezen als doopelingen en leden der kerk aan eene zoodanige Vereeniging opdragen.” Bovendien plaatst de ”Vereeniging” zich geheel buiten de kerk, omdat men Koninklijke goedkeuring wil aanvragen. Het bestuur wordt zaken toebedeeld, die der kerk zijn. Deze vereniging wordt daarom ”ten ernstigste” ontraden. De kerk mag niet toelaten, dat haar kinderen aan zo’n vereniging ter opvoeding en ver-zorging worden toevertrouwd. Een lid van de commissie moet deze bezwaren met de ”Vereeniging” doorspreken.

1914 Synode te Utrecht

De ”Vereeniging” blijkt intussen ”Commissie voor Weezenverzorging” te heten; ds. H. Janssen is de contactpersoon namens de synode om de Commissie van advies te dienen inzake ”de rechtssfeer, waarin zij komt te staan tot Kerk en Staat”.

Er wordt voorts besloten bij de regering erop aan te dringen, ”dat het zelfstandig christelijk karakter der Diaconie, in betrekking tot de bedeeling, worde gehandhaafd”. Dit besluit slaat waarschijnlijk op de in 1912 aangenomen Armenwet.

1915 Synode te Utrecht

Men besluit aan het bestuur van de ”Vereen, van Diakoniën voor de Weezenverpleging in de Christ. Geref. Kerk in Nederland” te berichten, dat ds. J. van der Vegt door de synode benoemd is tot adviseur, daar ds. Janssen geen tijd meer voor zijn adviseurschap heeft.

Op de synodes van 1916 en 1918 is het diaconaat volgens de Handelingen niet aan de orde geweest.

1919 Generale Synode te Utrecht

De drie particuliere synodes hebben instructies ingediend over het Weeshuis. Van de particuliere synode van het Noorden: ”Wordt de zaak van het Weeshuis in kerkelijke banen geleid?” Bij de toelichting wordt gezegd, dat men wil weten of het rapport op de synode van 1912 is aangenomen of niet. Van de particuliere synode van het Midden: ”De Synode spreke zich uit, of er ook een weg is de vinden om de ”Vereeniging van Diaconiën tot oprichting van een Weeshuis” in kerkelijke banen te leiden.” In de toelichting wordt gezegd, dat het weeshuis buiten het kerkelijk verband dreigt te blijven.

Van de particuliere synode van het Zuiden: ”De Particuliere Synode van het Zuiden, dankbaar erkennende den voorloopigen arbeid van de Vereeniging van Diaconiën tot oprichting en instandhouding van een Weeshuis, stelt de Generale Synode voor:

a. uit te gaan van het standpunt Synode 1912. Zie Not. Art. 41.

b. het tot stand komen van een Weeshuis te bevorderen,

c. de rechtsverhouding van de Vereeniging tegenover de Kerk te bepalen en in de statuten op te nemen.

d. dat elke Particuliere Synode evenveel Deputaten benoeme, die met het Bestuur der Vereeniging de zaken beheeren en jaarlijks op elke Particuliere Synode verslag uitbrengen.

e. dat het getal der Deputaten even groot zij als het getal bestuursleden”.

In de toelichting wordt gezegd, dat men in de lijn van 1912 wil blijven en wil, dat ”de zaak der weezenverzorging een kerkelijk karakter” krijgt.

Van de ”Vereeniging der Diaconiën” is een brief ter tafel waarin men de noodzaak tot samenwerking tussen diaconieën in de wezenzorg onderstreept en mededeelt in de lijn van het besluit in 1912 met ca. 21 diaconieën gelden te hebben bijeengebracht. ”Naar aanleiding van een en ander nemen ondergetekenden beleefd de vrijheid er met allen ernst bij de Synode op aan te dringen, dat zij onverwijld de weezenverzorging ter hand neme. Zij verklaren zich bereid die stappen te willen doen, die langs den geordenden Kerkelijken weg door haar noodzakelijk worden geacht, alsmede om desgewenscht den stand van zaken der Synode mondeling toe te lichten.” De synode spreekt haar waardering uit, dat het bestuur verklaart ”die stappen te willen doen, die de Kerk noodig acht, opdat deze een Weeshuis bekome.” Er wordt gesteld, dat de kerkeraden zich eerst moeten uitspreken, als er een kerkelijk weeshuis wordt opgericht. Ook wordt gezegd, dat de instructies alleen over de ”Vereeniging van Diaconiën” gaan, terwijl de synodes van 1912, 1913 en 1914 de ”gezinsverpleging” voorstonden. Ook nu spreken afgevaardigden zich uit voor ”gezinsverpleging” tegenover ”gestichtsverpleging”. ”Bovenal wordt hierin gevaar gezien, dat in de Kerk een vereeniging met rechtspersoonlijkheid zal bestaan, die zich tegenover de Kerk zou kunnen stellen. Volgens anderen werd deze zaak op alle Synoden, waar zij ter sprake kwam, tegengewerkt.” Tenslotte wordt het volgende voorstel aangenomen: ”De Synode spreekt haar innige waardeering uit voor den arbeid van de Vereeniging tot oprichting en instandhouding van een Weeshuis voor de weezenverpleging der Chr. Geref. Kerk en vraagt den Kerkeraden of de Kerk zal komen tot oprichting van een Weeshuis.”

1922 Generale Synode te Dordrecht

Opnieuw hebben de drie particuliere synodes elk een instructie ingediend terzake van het Weeshuis.

Van de particuliere synode van het Noorden: ”Hoewel de Part. Syn. v. h. Noorden niet eenstemmig oordeelt over het voorstel van de ”Ver. van Diac”, blijft zij bij haar besluit der Part. Synode van 1921 en legt der Gen. Syn. de volgende bezwaren voor;

1e. Het verband tusschen de Kerk en het Weeshuis is nog nooit aangetoond;

2e. nog nimmer zijn cijfers genoemd van weezen die verzorgd moeten worden;

3e. het is nog niet uitgemaakt of weeshuisverpleging moet gesteld worden boven gezinsverpleging;

4e. nog nooit is aangetoond, dat het financieel mogelijk is”. In de toelichting wordt gezegd, dat het niet eenstemmige oordeel gaat over de ”gestichtsverpleging” of de ”ge zinsverpleging”.

Van de particuliere synode van het Midden: ”De Part. Syn. v. h. Midden spreekt den wensch uit, dat de Gen. Syn. besluite, dat de Chr. Geref. Kerk kome tot het stichten van een Weeshuis”. In de toelichting wordt gezegd, dat de actie voor een Weeshuis al vele jaren bestaat en meer dan 40 diakonieën voor de oprichting zijn; daarom moet de synode op een ”kerkrechtelijken weg” een definitief besluit nemen.

Van de particuliere synode van het Zuiden: ”De Part. Synode stelt voor, dat de zaak van het Weeshuis in rechte Kerkelijke banen worde geleid en tot een beslissing kome.” In de toelichting wordt gezegd, dat er vroeger terecht bezwaren zijn geuit tegen de oprich-ting van een Weeshuis door de Vereeniging van Diakonieën. De particuliere synode van het Zuiden ziet als de kerkelijke weg, dat een kerkeraad de oprichting ter hand neemt ”die steun kan zoeken bij Classis en Part. Synode. De Generale Synode moet het werk der diaconieën niet ter hand nemen”. De docenten zeggen bezwaren te hebben tegen ”een centraal weeshuis, waardoor de kinderen uit hun milieu worden gerukt. Moet er echter een Weeshuis komen, dan geschiede het in den weg door de Part. Synode v.h. Z. aangewezen”. Er is een diversiteit aan gedachten van een commissie voor nader onderzoek, voorrang van gezinsverpleging, voorrang voor ”gestichtsverpleging” en de plicht van de synode om in de lijn van het besluit van 1919 een beslissing te nemen. De volgende dag wordt gestemd en de stemmen staken. ”Daardoor is uitgemaakt, dat de Kerk geen Weeshuis zal oprichten.”

De particuliere synode van het Midden dient nog een instructie in: ”De Gen. Syn. spreke zich uit welk standpunt de leden harer Kerk hebben in te nemen, tegen den stroom der sociale beweging onzer dagen.” Men doelt, gehoord de toelichting, op de vakvere-nigingen, werkstakingen e.d.; van alle zijden worden de kerkleden voorgelicht. Maar ”Gods Woord moet de lamp zijn, die ook over deze stroomingen haar licht verspreidt.” Er kan een commissie benoemd worden, die op de volgende generale synode rapporteert. Drie deputaten worden hiervoor genoemd.

1925 Generale Synode te Groningen

Er is een bezwaarschrift ter tafel tegen het besluit van 1922 om niet tot een Chr. Ger. Weeshuis over te gaan. Bij de behandeling hiervan wordt uitgesproken, dat de Kerkorde ”geen zelfstandige diaconieën” kent en wordt opnieuw gesteld, dat de kerk ter zake van het weeshuis ”incompetent” is.

Er dient ook een rapport van de commissie, benoemd op de generale synode van Dordrecht 1922, vanwege een instructie, dat de synode zich uit dient te spreken ”welk standpunt de leden der Kerk hebben in te nemen tegenover den stroom van de Sociale beweging onzer dagen.” Na een uitvoerig rapport concludeerde de commissie in de eerste plaats, dat de kerk en haar leden geroepen zijn ”te blijven ijveren naar een maatschappij, waarin niet de begeerte naar ’s naasten bezit, maar wel naar ’s naasten heil de Sociale maatstaf zij.”; in de tweede plaats, dat de kerk dient te erkennen ”dat een Christelijke Vakbeweging recht van bestaan heeft”, welke door de kerk aan haar beginsel herinnerd dient te worden; in de derde plaats, dat de kerk haar leden heeft op te wekken in de christelijke organisaties hun plaats in te nemen; en tenslotte dat de kerk tucht heeft te oefenen over leden ”wanneer zij, zoowel naar de zijde van het kapitalisme als naar die van den klassestrijd, de Sociale ordinantiën Gods schenden”. Er wordt geen oordeel over de inhoud van het rapport uitgesproken; wel wordt het aan de kerkeraden ter overweging en behandeling aangeboden.

1928 Generale Synode te Apeldoorn

In het openingswoord zegt ds. J.W. Geels namens de roepende kerk, o.a.: ”Dan zal ook de zaak van het Weeshuis, welke reeds jaren aan één ter Generale Synode komt, definitief moeten opgelost worden, zal de weezen-verzorging in de goede richting kunnen behartigd worden.” Twee instructies zijn hierover ingediend: ”De Part. Synode van het Midden verzoekt de Generale Synode, zich te vereenigen met de conclusiën omtrent het rapport over ’t Weeshuis.” En de andere luidt: ”De Part. Synode van het Zuiden spreekt als haar meening uit, dat het Weeshuis van de Vereeniging onzer diaconieën in scheeve verhouding staat tot onze kerk en wenscht er bij de Generale Synode op aan te dringen, haar in kerkelijke banen te leiden, zoo, dat het Weeshuis werkelijk eigendom der Kerk worde.” Dezelfde argumenten als de vorige synodes worden in de discussie naar voren gebracht. ”De instructie, in stemming gebracht, wordt door staking van stemmen (18 tegen 18) verworpen.”

Ook het Rapport sociale vraagstuk, dat in 1925 is ingediend, komt weer ter sprake via twee instructies:

”De Part. Synode van het Noorden spreekt haar waardeering uit over den arbeid aan het rapport over de sociale beweging besteed. Zij stelt aan de Generale Synode voor, dat de Kerk zich uitspreke, het aan de persoonlijke vrijheid overlatende zich al of niet te organiseeren. Indien er georganiseerd wordt, is de plaats van onze leden in de Chr. Vakorganisatie of Vakbonden. De Synode aanvaarde de conclusiën van het rapport zooals zij daar liggen, niet, maar zij vrage den opstellers een nadere verklaring van conclusie 2, alinea 4, of bedoeld wordt, dat elke staking als ongeoorloofd machtsmiddel moet worden beschouwd.”

De particuliere synode van het Zuiden: ”De Kerk wachte zich voor het sanctioneeren van het werk der Chr. Vakvereenigingen, wijl de naam Christelijk zooveel on-Christelijks verbergt. De Part. Synode kan zich daarom niet met de conclusiën van het rapport vereenigingen.” Er zijn voorstanders en tegenstanders van het rapport. ”Met 25 stemmen tegen wordt het rapport verworpen.”

1931 Generale Synode te Rotterdam

Opnieuw wordt het Weeshuis aan de orde gesteld via een instructie van de particuliere synode van het Zuiden:

”De Part. Syn., dankbaar erkennende den voorloopigen arbeid van de Vereen, van Diakonieën, stelt de Gen. Syn. voor:

a. Uit te gaan van het standpunt der Syn. van 1912, Art. 41;

b. het instandhouden van het Weeshuis voor hare rekening te nemen;

c. de rechtsverhouding van de Vereen, tegenover de Kerk te bepalen;

d. dat de Deputaten voor het Weeshuis door de Part. Syn. worden benoemd en jaarlijks op elke P.S. verslag uitbrengen. Het getal Deputaten is evengroot als het getal bestuursleden.” Een preadviseur spreekt zijn afkeuring uit over het inzenden van deze in-structie, daar de generale synode deze zaak al meermalen heeft afgewezen. De instructie wordt met zeven stemmen voor verworpen.

1934 Generale Synode te Zwolle

Ter tafel is een schriftelijke mededeling van de Vereeniging van Diaconieën over de verplaatsing van het Weeshuis van Soestdijk naar Utrecht en met het verzoek tot ondersteuning in gebed en collecten. ”Van den inhoud van dit schrijven wordt goede nota genomen.”

1937 Generale Synode te Hilversum

De synode besluit een medische hulpdienst op het zendingsterrein in te stellen; in 1928 en 1934 was deze zaak ook al aan de orde geweest; in dit verband wordt niet over het diaconaat gesproken.

De synode besluit de verantwoording van ingekomen giften voor het Weeshuis voortaan gratis in De Wekker te plaatsen.

1944 Generale Synode te Apeldoorn

Het moderamen van de synode van 1941 maakt in haar rapport melding van de ontvangst van een schrijven van het bestuur van het Weeshuis, d.d. 19 februari 1942, waarin wordt medegedeeld, ”dat het na ingewonnen juridisch advies wenselijk blijkt de zaak van de overname van het Weeshuis door de Kerk voorlopig te laten rusten”. Op dit schrijven wordt verder niet ingegaan.

In hetzelfde rapport meldt het moderamen, dat het op 21 augustus 1943 onder nadere goedkeuring van de eerstvolgende synode ”Deputaten voor evacuatie- en oorlogsschade van Chr. Geref. Gemeenten” heeft geïnstalleerd. De deputaten krijgen bevoegdheid om voor de oorlogsschade collecten te houden en hulp te verlenen.

1947 Generale Synode te Utrecht

Op deze synode wordt weer gesproken over het Weeshuis. De mogelijkheid was geopperd om dit door de kerken te laten overnemen. Maar contact met het bestuur heeft uitgewezen, dat de Vereeniging ”de huidige historisch-gegroeide en aan de praktijk getoetste organisatie-vorm” wil handhaven. Hierdoor is dit punt afgehandeld.

1950 Generale Synode te ’s-Gravenhage

Er dient een instructie van de particuliere synode van het Westen: ”De Generale Synode trede in contact met het bestuur van de Vereniging van Diaconieën om de wezenverzorging opnieuw van alle zijden onder de ogen te zien.” Er wordt besloten, ”dat, in afwachting van de resultaten van de op de jaarvergadering van de Vereniging van Diaconieën ingestelde studiecommissie betreffende gezins- of gestichtsverzorging, het beleid van de wezenverzorging aan het bestuur van de Vereniging kan worden toevertrouwd”.

1953 Generale Synode te Apeldoorn

Via een instructie van de particuliere synode van het Noorden wordt de plaats van de diakenen in de kerkeraad aan de orde gesteld.

”De Part. Synode van het Noorden,

overwegende, dat momenteel de vraag levendig is, of er een tegenstelling bestaat tussen de D.K.O. en de Ned. Gel. Belijdenis op het punt van de positie van de diakenen ten aanzien van de kerkeraad;

lettende op de feiten:

a. dat de positie van de diakenen in een kerk, waar de vergaderingen van brede en smalle kerkeraad worden gehouden, zwevend en dus onbevredigend is;

b. dat er in de huidige situatie geen gelegenheid is voor de diakenen om eventuele diakonale aangelegenheden van de kerk op de bredere vergaderingen van de kerken te bespreken, omdat de kerkenorde geen afvaardiging kent van de diakenen naar die vergaderingen;

c. dat er in ons kerkelijk leven algemeen-diakonale zaken behandeld worden door niet-kerkelijke of semi-kerkelijke organen;

overtuigd, dat

a. de positie van diakenen ten aanzien van de kerkeraad nader dient geregeld te worden, opdat alle schijn van degradering van het ene ambt ten aanzien van het andere vermeden worde;

b. dit het diakenambt in het algemeen en de diakonale zaken in het bijzonder ten goede komt;

besluit deze aangelegenheid ter kennis te brengen van de Generale Synode, opdat deze zich over de positie van de diakenen ten aanzien van de kerkeraad berade”. Vanuit de particuliere synode van het Westen is over dezelfde zaak een instructie ingediend met bijbehorend rapport.

De commissie van de generale synode noemt deze vraag een gevolg van een ”algemene herleving en herwaardering van het diaconaat.” Men stelt voor de conclusie, dat de diaken tot de kerkeraad behoort te aanvaarden, in hoofdzaak vanwege de eenheid der ambten, èn deputaten te benoemen die de praktische uitwerkingen van de afvaardiging nader moeten bestuderen. De synode doet echter nog geen principiële uitspraak over de vraag, omdat zij dit nog prematuur vindt nu de vragen over het ambt en de eenheid der ambten nog in discussie zijn. De vier hoogleraren wordt verzocht de gehele zaak in studie te nemen en hierover te rapporteren.

Het bestuur van het Weeshuis heeft zich bereid verklaard, ”indien de Synode daartoe de wenselijkheid gevoelt”, met afgevaardigden van de synode de ”organisatorische vorm van de wezenverzorging” te bespreken. Omdat hierover geen instructie van de kerken ter tafel is, wordt ”van de aangeboden gelegenheid” geen gebruik gemaakt.

1956 Generale Synode te Apeldoorn

In een instructie van de particuliere synode van het Noorden wordt voorgesteld: ”De generale synode stelle een deputaatschap in voor algemene diaconale en sociale aangelegenheden.” Onder sociale aangelegenheden worden verstaan o.a. jeugdzorg, gezinszorg, bejaardenzorg op kerkelijk terrein, nader genoemd ”kerkelijk maatschappelijke zorg”; met algemene diakonale zaken wordt bedoeld, het diaconaat dat niet door plaatselijke kerken, classis of particuliere synode maar uitsluitend in synodaal verband behartigd kan worden. Als noodzaak wordt genoemd de taak van de kinderbescherming, hulpverlening aan vluchtelingen, onderlinge hulp, contact met sociologische instituten, vervanging van de Armenwet, bejaardentehuizen. De synode besluit tot het instellen van een ”deputaatschap voor algemene diaconale en sociale aangelegenheden”; deze deputaten hebben als taak het geven van voorlichting en adviezen; het bevorderen van kerkelijk maatschappelijk werk; het onderhouden van contacten met bestaande organisaties binnen en buiten eigen kerken en met overheidsinstanties en andere instellingen voor zover nodig; en het vertegenwoordigen van de kerken in interkerkelijk overleg e.d. ”Deputaten mogen niet treden in het werk van de plaatselijke diaconie (kerkeraad) en van de meerdere vergaderingen.”

Als ”deputaten der Chr. Ger. Kerken voor algemene diaconale en sociale aangelegenheden” worden benoemd: L. Bijleveld, ds. G. Bilkes, C. Drieënhuizen, H. van der Molen en C.J. Verplanke.

Er is ook een rapport van de hoogleraren over de plaats van de diakenen in de kerkeraad ter tafel. Hun rapport vermeldt als fundamenteel argument de eenheid der ambten waarvan het diaconale niet uitgesloten is; art. 30 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis ziet de diakenen terecht behorend tot de kerkeraad, terwijl de Kerkorde aanleiding kan geven tot discriminatie; het is onjuist diakenen van de meerdere vergaderingen uit te sluiten; diaconale conferenties dreigen in breder verband diaconale zaken te gaan behandelen, die op meerdere vergaderingen thuishoren; zij stellen voor uit te spreken dat de diakenen tot de kerkeraad behoren en naar meerdere vergaderingen afgevaardigd moeten kunnen worden; en deputaten te benoemen die dit voor de kerkelijke praktijk uitwerken en tijdig voor de volgende generale synode een rapport indienen. In de discussie wordt gesteld dat gelijkwaardigheid van de ambten nog geen gelijkheid betekent; er wordt gevraagd of diakenen ook het ”regeerambt” is opgedragen. Anderzijds wordt gezegd, ”dat, al wil niemand de gelijkheid van de ambten aanvaarden, de gelijkwaardigheid der ambten ook in de bredere vergaderingen der kerken moet kunnen uitkomen.” Tenslotte spreekt de generale synode uit:

”Omdat de diakenen tot de kerkeraad behoren, moeten zij, met inachtneming van het bijzonder karakter van hun ambt, kunnen worden afgevaardigd naar de meerdere vergaderingen;

en besluit de synode:

a. deputaten te benoemen met opdracht het boven genoemde beginsel nader voor de praktijk van het kerkelijk leven uit te werken en de nodige regelingen te concipiëren;

b. aan deze deputaten te verzoeken hun rapport, indien enigszins mogelijk zo tijdig bij de kerkeraden in te dienen, dat het ook nog op de laatste classicale en particuliere synodale vergaderingen vóór de a.s. generale synode besproken kan worden.”

De deputaten voor bijzondere noden hebben geholpen in de zaak van de watersnood in 1953. Zij rapporteren hierover op deze synode.

1959 Generale Synode te Rotterdam

Van het nieuwe deputaatschap is de eerste rapportage ter tafel. Het rapporteert allereerst over ”De taak der diaconie”. In de eerste plaats wordt de ”financiële zorg van behoeftigen, die niet in eigen levensonderhoud kunnen voorzien of die door bijzondere omstandigheden in een noodpositie zijn gekomen” een taak genoemd. Naast deze financiële hulp zal in samenwerking met de andere ambten ook ”morele en geestelijke bijstand” nodig zijn. Vervolgens behoort tot de diaconale zorg de bemiddeling in b.v. maatschappelijk werk, ziekenzorg, gezinszorg, zorg voor gehandicapten, kinderen en bejaarden. De deputaten brengen ook een afzonderlijk rapport uit over de verhouding diaconie-overheid. Als het gaat om het verschil in armenzorg tussen kerk en overheid, stellen zij: ”de overheid doet recht daar waar deze plicht niet wordt vervuld, dus daar waar de kerk niet meer met het offer functioneert De overheid heeft tot taak de handhaving van het recht en zal eerst moeten ingrijpen, als andere samenlevingsverbanden hun plichten niet meer kunnen of willen verstaan.” Voor diaconieën zien deputaten een taak in het stimuleren tot niet direct diaconale taken als bouw van bejaardentehuizen, kindertehuizen e.d. en het deelnemen van kerkleden in stichtingen hiervoor. ”Tegen overheidssubsidie aan zodanige maatschappelijke (derhalve niet kerkelijke!) organen is geen bezwaar.” Men stelt voor ten behoeve van hulpbehoevende diaconieën aan fondsvorming door alle diaconieën te gaan doen om zo de onderlinge diaconale hulpverlening te ondersteunen. De synode besluit dit rapport over verhouding diaconie-overheid eerst naar de kerkeraden toe te laten zenden voordat zij daarover gaat spreken.

Via twee instructies wordt vanuit de particuliere synode van het Oosten en die van het Westen aandacht voor de zaak van kerk en industrie gevraagd. De synode besluit ”deze aangelegenheid tot de eerstvolgende synode onder te brengen bij het deputaatschap voor algemene diaconale en sociale aangelegenheden, dat daartoe de noodzakelijke uitbreiding zal ondergaan, met de opdracht om alsdan te rapporteren over het al of niet continueren van deze incorporatie bij genoemd deputaatschap, onder aanbieding van een concept-instructie betreffende deze taak”.

Een ander deputaatschap brengt het ”Rapport betreffende de plaats van de diakenen in de kerkelijke vergaderingen” uit. Deze deputaten stellen een regelmatige afvaardiging van diakenen voor, maar geven uit praktische overwegingen als grootte en kosten van de vergaderingen in overweging het aantal afgevaardigde diakenen te beperken tot minimaal drie uit de plaatselijke kerken naar de classis, twee van de classis naar de particuliere synode, en een van de particuliere synode naar de generale synode. Zij stellen ook voor om in art. 33 van de Kerkorde te bepalen, dat de diaken-afgevaardigden geen stemrecht hebben in zaken van opzicht en tucht. De synodecommissie stemt in hoofdzaak met de voorstellen in. Zij stelt ook, dat het aantal afgevaardigde diakenen niet gelijk aan dat der ouderlingen dient te zijn vanwege het bijzondere karakter van het diakenambt. Omdat niet alle kerkelijke vergaderingen de zaak van de afvaardiging hadden kunnen bespreken wordt de besluitvorming uitgesteld tot een volgende synode.

1962 Generale Synode te Haarlem-Santpoort

Deputaten ADSA rapporteren met name over de bejaardenzorg, kerk en industrie en de oprichting van de Raad voor Gereformeerde Sociale Arbeid (GSA). In de GSA hebben een tweetal deputaten à titre personnel zitting genomen; in de GSA wil men het maatschappelijk werk in gereformeerd opzicht bundelen, bevorderen en tot ontplooiing brengen. De generale synode doet geen uitspraak over de conclusies van het rapport van 1959 inzake ”diaconie-overheid”. De synode gaat akkoord met participatie in de GSA. Als voorlopige gedragslijn voor de afvaardiging van diakenen naar meerdere vergade-ringen wordt aanvaard, dat elke classis volgens eigen regeling zorgt dat minimaal drie diakenen aanwezig zijn op haar vergaderingen; dat elke classis een diaken naar de particuliere synode en elke particuliere synode een diaken naar de generale synode zal afvaardigen; en ”dat de diakenen op de bredere kerkelijke vergaderingen een stem hebben in alle zaken behalve die van opzicht en tucht.”

Via een tweetal instructies wordt de aandacht gevraagd voor ”hulp aan onderontwikkelde gebieden”. De synode besluit, dat het niet op de weg van de kerken ligt ”los van de prediking des Woords” deze hulp te verlenen; dat gezien de praktijk er geen behoefte bestaat aan de door de particuliere synode van het Oosten gevraagde uitspraak dat de kerken ”een taak der barmhartigheid hebben in de nood van deze wereld”; en tenslotte dat deputaten bijzondere noden of zending er zijn om bij financiële hulpaanvragen van kerken in het buitenland te adviseren.

Deputaten ADSA hebben zich verdiept in de zaak van kerk en bedrijfsleven; er is een rapport opgesteld over ”De christen en de arbeid” en ”De christen en de rust”. De generale synode neemt het advies om een predikant vrij te stellen voor een studie- en werkopdracht op dit terrein niet over. Op voorstel van ADSA wordt besloten om geen afzonderlijk deputaatschap in te stellen, maar Kerk en bedrijfsleven bij ADSA onder te brengen en daartoe de naam te wijzigen in ADMA ”Algemene Diaconale en Maatschappelijke Aangelegenheden”.

1965 - 1966 Generale Synode te Zwolle-Apeldoorn

Deputaten ADMA berichten de plaatselijke diaconieën schriftelijk geïnformeerd te hebben over de Algemene Bijstandswet, die per 1 januari 1965 in werking is getreden. ADMA bericht in maart 1965 een ”Diaconale Handreiking” te hebben gepubliceerd. Daarin is gesteld, dat diakenen een rechtstreekse taak hebben tegenover individuele gemeenteleden, maar bovendien zorg dragen voor het functioneren van het lichaam van Christus. De diaken dient naast helper inzake materiële steun ook raadsman en vertrouwensman te zijn. Het stichten van en participeren in stichtingen voor maatschappelijk werk en gezinszorg wordt aanbevolen in samenwerking met andere kerken. Als werkterreinen worden verder genoemd kinderbescherming, bejaardenzorg, langdurige verpleegzorg, contacten met maatschappelijke werkers, ziekenbezoek, opvang nieuwe leden, vervoersen oppasdienst, jongerendiaconaat e.d. In dit jaar van invoering van de ABW wordt gesteld, dat de verhouding diaconie-overheid ”principieel” is gewijzigd vanwege het loslaten van het ”subsidiariteitsbeginsel”. Vervolgens bepleit men de samenwerking tussen de diaconie en overheid en de medewerking aan colleges voor verlening van bijstand en commissies van advies en wordt tenslotte aangedrongen op dienstverlening van de kerk op het immateriële vlak. ADMA heeft overleg gepleegd met het ”Comité voor diakenenconferenties” en noemt dit een vruchtbaar contact. ADMA participeert in het bestuur van de GSA en heeft verder contacten met het CNV, de Landelijke commissie diaconaal jaar, deputaatschappen van de Geref. Kerken in Nederland, de Ned. Herv. Kerk e.d. Deputaten vragen om te overwegen of een deskundige medewerker - eventueel in parttime-verband - aangesteld kan worden; om machtiging tot contact met de Generale Diaconale Raad (GDR) van de Ned. Herv. Kerk en diaconale deputaatschappen van de Ger. Kerken (ADB) inzake advisering financiële bijdragen aan instellingen om op de hoogte te blijven van de advisering elders.

De commissie van de synode spreekt in haar rapport in verband met achterblijvende financiële bijdragen van kerken over het diaconaat in de plaatselijke kerken: ”Zij is van oordeel dat één van de redenen hiervan is dat de betekenis en de noodzaak van een goede functionering van het diaconaat-in-deze-tijd niet voldoende leven in onze kerken.” De synode besluit dat ADMA voortaan van de kerken een bijdrage mogen vragen om hun werkzaamheden te kunnen bekostigen; zij ontvangen geen toestemming tot contact met de GDR en het ADB.

Van de particuliere synode van het Westen is een instructie ter tafel met de vraag op welke wijze aan het ”diaconaat over de grenzen gestalte gegeven kan worden op het gebied waar onze kerken zendingsarbeid verrichten”. De synode blijft bij haar besluit van 1962.

1968 Generale Synode te Hilversum

In 1968 zijn voor het eerst diakenen als afgevaardigden volgens de nieuwe orde aanwezig. Deputaten ADMA stellen in hun rapport aan de orde het ”achterblijven van de diaconaal-ambtelijke bediening in de praktijk van ons kerkelijk leven” in vergelijking met de dienst van predikanten en ouderlingen. Als redenen voor dit achterblijven noemen zij: vanaf het voortbestaan van de CGK in 1892 was er de noodzaak om grote nadruk te leggen op de juiste bediening van het Woord en sacrament, waardoor het ambt van dienaar des Woords en van ouderling ”terecht sterke nadruk” ontving. In de tweede plaats is het door de sterk toegenomen welvaart en de sociaal-economische maatregelen gekomen tot een meer aanvaardbare inkomensverdeling, waardoor aan het gebruikelijke diaconale werk in vergelijking met de situatie voor 1940 veel minder behoefte is. Maar deputaten wijzen er wel op, ”dat nog een grote hoeveelheid nieuwe diaconale behoeften om vervulling vraagt. Onze kerken zijn daarop nog onvoldoende ingesteld. De overschakeling op de nieuwe vormgeving en beleving van het diaconale ambt laat te wensen over.” Men fundeert deze uitspraak o.a. op de uitslag van een enquête onder diaconieën in 1968. ”Een aantal uitzonderingen daargelaten moet worden vastgesteld, dat over het geheel genomen de kennis ten aanzien van hetgeen in deze tijd vereist is voor de uitoefenen van het diakenambt onvoldoende is. Het aantal diakonieën, dat blijk gaf actief afgestemd te zijn op deze tijd is minimaal. Wanneer er aanwijzingen zijn, dat het de diakenen in vele gevallen aan werkelijke belangstelling ontbreekt moet daarbij tevens worden bedacht, dat deze broeders tot nu toe onvoldoende gelegenheid is geboden om dit ambt, dat bovendien tegenwoordig hogere eisen stelt dan voorheen, op de juiste wijze te dragen.” ADMA ziet voor zichzelf een grotere taak in voorlichting aan de diaconieën, predikanten en ouderlingen en het onderhouden van externe diaconale contacten van nationale en internationale aard. ADMA vindt ook van zichzelf, dat zij in haar taakvervulling achterblijft bij wat in de CGK mag worden verwacht. Men zoekt daarom voor ADMA naar een ”diakonaal - sociaal deskundige kracht”. ADMA heeft de kerkeraden in 1967 schriftelijk geïnformeerd over ”Kerk en Sociale Dienstverlening”. Oorspronkelijk huldigden deputaten het standpunt, dat de diaconieën dienden te streven naar de oprichting van stichtingen voor maatschappelijk werk, waarin de plaatselijke kerk diende te participeren. Maar in bedoeld schrijven stelt ADMA, dat men moet streven naar het stichten van organen voor christelijke sociale dienstverlening en dat een verkerkelijking van de sociale dienstverlening moet worden voorkomen. Over de zondagsheiliging en met name de diaconaal-maatschappelijke aspecten daarvan heeft ADMA zich per brief in 1968 tot de kerkeraden gericht. Deputaten rapporteren verder over de opgedragen taak van de Internationale hulpverlening. Ter wille van regionale diaconale activiteiten als stichtingen voor sociaal-maatschappelijk werk zou ADMA graag komen tot de aanstelling van een of twee diaconale deputaten per classis, die met dezelfde deputaten uit andere classes een regionaal of provinciaal deputaatschap zouden kunnen vormen.

De generale synode besluit om ADMA te machtigen een assistent voor haar deputaatschap te benoemen, waarvoor ook een instructie wordt vastgesteld; om de classes te verzoeken diaconale correspondenten te gaan aanstellen. De GS besluit ook om een deputaatschap in te stellen voor de ”geestelijke verzorging van lichamelijk en geestelijk gehandicapten” (in 1977 wordt de nieuwe naam ”deputaatschap voor de geestelijke verzorging van gehandicapten”). Zij ontvangen o.a. als taak ”het informeren, stimuleren en begeleiden van de kerken aangaande de ambtelijke dienst met betrekking tot de lichamelijk en geestelijk gehandicapten”.

1971 Generale Synode te Rotterdam

Op een instructie van de particuliere synode van het Noorden om de ”voorlopige gedragslijn inzake de afvaardiging van diakenen naar de meerdere vergaderingen opnieuw in studie” te nemen, omdat de negen jaar sinds de opstelling van deze voorlopige regeling in 1962 voldoende moeten zijn om tot een definitieve regeling te kunnen komen, wordt besloten deze regeling opnieuw te bezien. De synode-commissie rapporteert, dat sinds 1962 de diaconale zaken zeker in betekenis en omvang zijn toegenomen, maar dat dit zich niet heeft weerspiegeld in aandacht op de meerdere vergaderingen, maar beperkt blijkt te blijven tot een enkel punt op de agenda van de classis, particuliere en generale synode. Bovendien blijkt er geen grote keuzemogelijkheid bij het kiezen van een deskundige diaken-afgevaardigde. En op meerdere vergaderingen spreken diake-nen niet meer mee over diaconale zaken dan de andere afgevaardigden. De commissie concludeerde over de praktijk van de afvaardiging van diakenen sinds 1962: ”Moet enerzijds wellicht gezegd worden, dat de diaconale inbreng te wensen overlaat, anderzijds kan gezegd worden, dat de diakenen zich ter bredere vergadering veelal gedragen zoals van hen verwacht mag worden, n.l. als gewone ambtsdragers, zij het dat zij dit doen vanuit een meer diaconale achtergrond.” De kwestie die aan de orde is gesteld, kan - ook als men het standpunt inneemt van de volwaardigheid van het diakenambt als differentiatie van het ene ambt - aanleiding geven ”tot een principieel verschil van gevoelen over de grenzen van de ambtelijke bevoegdheid. Volgens de tekst van het besluit van 1962 is niet alleen het aantal afgevaardigden voorlopig, maar ook het feit, dat de diakenen in zaken van opzicht en tucht geen stem hebben.” De commissie stelt voor om in plaats van opnieuw deze principiële discussie aan te gaan tot een praktische oplossing te komen, en wel de voorlopige regeling tot een definitieve te maken. Aldus besluit de synode. Een voorstel om door de classis en de particuliere synode voortaan twee diakenen af te vaardigen wordt verworpen.

Deputaten ADMA melden in oktober 1969 een assistent te hebben aangesteld, dhr. W. Huizer. De classes hebben intussen ook alle een diaconaal correspondent of een diaconale commissie benoemd. ADMA is van oordeel, dat ”de diaconale hulpverlening in binnen- en buitenland vanuit de plaatselijke gemeente een diaconale aangelegen-heid is” en dat er daarom samenwerking met deputaten hulpverlening is en er meer gedaan moet worden aan ”voorlichting aan de kerken inzake diaconale hulpverlening aan kerken in binnen- en buitenland als integrerend bestanddeel van een goed functionerend (gemeente)-diaconaat”. Als visie op het gemeentediaconaat geven zij door, dat het diaconaat van de gemeente een eigen inhoud heeft en daarom niet gelijk is aan welke vorm van hulpverlening dan ook; het diaconaat van de gemeente heeft een eigen instructie door o.a. het diakenambt, dat de gemeenschap heeft op te bouwen, toe te rusten tot dienstbetoon en bewust te maken van de roeping en de illustratieve dienst van de diakenen zelf; het diaconaat van de gemeente heeft een eigen vormgeving, ”namelijk een verscheidenheid van barmhartigheidsbetoon tezamen vormende het gemeentediaconaat”; tenslotte heeft dit diaconaat van de gemeente ook een ”eigen optreden in de samenleving”.

Inzake de ontwikkelingen in de samenleving rapporteert ADMA over de op gang zijnde schaalvergroting in het maatschappelijk werk wat fusies tot gevolg heeft met stichtingen van christelijke maar ook met die van niet-christelijke signatuur, wat men de gevulde algemeenheid noemt. De laatste weg wijzen deputaten ADMA af, maar weten zich daarin niet gesteund door de GSA, waarin zij participeren. De synode besluit dan ook om ADMA te machtigen ”de vertegenwoordiging in de stichting Raad voor de G.S.A. te beëindigen indien onverhoopt, naar het oordeel van deputaten, continuering van deze vertegenwoordiging niet langer verantwoord zou zijn”. ADMA ontvangt o.a. de opdracht om ”bij de kerken aan te dringen op protestants christelijk maatschappelijk werk en gezinszorg, zodanig door regionale samenwerking van protestants-christelijke stichtingen” en zich uit deze stichtingen terug te trekken indien er een taakverbreding plaats vindt, die in strijd is met wezen en opdracht van de kerk; bovendien vragen zij ADMA ”prioriteit te verlenen aan de bestudering van vragen inzake de opleiding en/of begeleiding van maatschappelijke werkers(sters)”.

Er wordt op deze synode ook een nieuw liturgisch formulier vastgesteld voor de bevestiging van ouderlingen en diakenen. Van de diakenen wordt gezegd, dat Christus ook van hun dienst gebruik maakt ”om Zijn gemeente te bouwen. Van het begin af heeft in de gemeente naast de bediening van het Woord en de sacramenten het werk van de christelijke barmhartigheid een plaats gehad. We lezen hiervan onder meer in Handelingen 6, waar gesproken wordt over de dagelijkse verzorging van de weduwen. De diakenen hebben samen met de dienaren des Woords en de ouderlingen zorg te dragen voor de gemeente, terwijl hun in het bijzonder de dienst van de barmhartigheid is toevertrouwd. Zij mogen de liefde van Christus zichtbaar maken door in noden en moeilijkheden van onderscheiden aard met raad en daad steun te verlenen. Zij zullen zoeken naar passende wegen en middelen om de bedoelde taak op de rechte wijze te vervullen. Verder zullen zij zorgen voor de juiste besteding van de gaven die door hen worden ingezameld. Zij zullen de gemeente opwekken, barmhartigheid te bewijzen aan de naasten. Zij mogen hun arbeid verrichten in blijmoedigheid en met een bewogen hart, bereid om de troost van het Evangelie mee te delen aan hen die in nood verkeren. In de gebrokenheid van de menselijke verhoudingen staan zij in dienst van Christus, Die de arme zal redden die om hulp roept, de ellendige en wie geen helper heeft.” Aan de gemeente wordt na de bevestiging gevraagd: ”Voorzie de diakenen van goede middelen tot het verrichten van hun arbeid en wees van harte bereid om naar uw vermogen mee te werken in de dienst der barmhartigheid.”

1974 Generale Synode te Amsterdam-Nieuw-West

In haar rapport maakt ADMA melding van een voortgaande bezinning op de wezenlijke inhoud van het diaconaat. Zij heeft de opvatting gesignaleerd, dat ”het diakonaat zich moet richten op maatschappelijke veranderingen, dat daarbij de kerken geroepen zijn voorop te lopen om deel te nemen aan de anticipatie op Gods Rijk en om al iets zichtbaar te laten worden van de nieuwe schepping, die Christus op zijn tijd zal voltooien”. Dit uit zich dan vooral in een ”verlangen naar eenzijdig politieke uitspraken”. ADMA meent, dat ”de strijdende kerk niet verder zal komen dan het stellen van tekenen van het toekomstige rijk”, waartoe zeker een roeping is voor de kerk, alleen dat mag niet uitmonden in een engagement zonder tolerantie of plaatsvinden in een vereenzelviging ”met wereldlijke structuren”, omdat de kerk haar mening heeft te toetsen aan het rijk van God. Er is volgens ADMA voor het diaconaat ook in deze tijd veel te doen, maar op het immateriële vlak zoals ”gezinsmoeilijkheden, huisvesting, eenzaamheid, ziekte, invaliditeit, zorg voor bejaarden en vooral door deelname aan het werk van maatschappelijke instellingen die tot taak hebben uitvoering te geven aan het pakket van welzijnszorg, dat voortdurend in ontwikkeling is”. De plaatselijke gemeenten zijn het werkterrein voor het diaconaat; hiervoor dragen de diaconieën de verantwoordelijkheid. ADMA signaleert ook dat het diaconaat steeds meer gekoppeld wordt aan de dienst aan de samenleving. Zij stelt: ”Het diaconaat, zoals dit in het N.T. wordt beschreven, heeft o.i. vooral en in de eerste orde betrekking op de onderlinge dienst van de gemeente. Deze dienst is gericht op de intensivering van de gemeenschapsbeleving in de gemeente, hetgeen alleen maar mogelijk is door een levend geloof in Jezus Christus. Dit alles maakt een ambtelijk werk van de diakenen niet overbodig, integendeel.” In goede relatie met de andere bijzondere ambten, is het van groot belang het onderlinge dienstbetoon te bevorderen. ”Een actief dienstbetoon betekent tevens een opwekking van de leden van de gemeente, om in de wereld vruchten te dragen. Dit dienen krijgt ondermeer gestalte in de sector van de maatschappelijke dienstverlening. Het is echter ook terug te vinden in het geheel van onze samenleving waarin de kerk des Heren is geplaatst.” Voor een goede dienst aan de naaste is nodig inzicht in de ontwikkelingen in de samenleving en het vasthouden aan de boodschap van de verzoening en deze niet in te ruilen voor een ”kritische solidariteit, waarbij men meer oog heeft voor de structuren van de samenleving dan voor de persoonlijke relatie tot Jezus Christus. Alleen door deze relatie wordt de dienst aan de naaste bevorderd. Zo staat de gemeente, toegerust door de ambten - als een voorbeeld - in de samenleving. Daarbij staan de gelovigen ook niet slechts als enkelingen, doch als leden van de gemeente.”

Verder rapporteren deputaten over hun concrete werkzaamheden en wat zij b.v. in samenwerking of contact met de diaconale organen van de GKN en NHK doen: diaconaal recreatiewerk, advisering diaconieën inzake hun financiële steun en voorlichting over de ABW. Op het terrein van het maatschappelijk werk melden deputaten dat veel diaconieën geen relatie meer onderhouden met het maatschappelijk werk, waardoor ”bepaalde noden in de gemeente niet meer beroepsmatig worden behandeld.” Dit betekent ook een verzwaring voor het diaconaat.

De schaalvergroting heeft zich voortgezet; soms hebben de stichtingen hun christelijke karakter behouden, vaker is het via fusies tot een algemene instelling gekomen. De GSA heeft via deze ontwikkelingen ook een nieuwe taak gekregen, vooral op het terrein van de samenlevingsopbouw, ook wel de ”F2” genoemd. ADMA signaleert een verschil met vertegenwoordigers van de GKN in de GSA waar de samenlevingsopbouw gezien wordt ”als een kerkelijke taak, verbonden aan het kerkelijk diakonaat”. ADMA ziet hier een taak voor de kerk om haar leden te instrueren tot dienstbetoon in de samenleving. En daarin kan de GSA een belangrijke rol vervullen. ”Hier ligt een maatschappelijke functie, die uiteraard bereid is tot hulpdiensten aan de geheel eigen functie, die de kerk heeft, doch die naar de overtuiging van uw deputaten niet betiteld mag worden als een (of misschien wel dé) eigentijdse vorm van het kerkelijk diakonaat.” Deputaten zijn betrokken bij overleg om te komen tot een zgn. ”Gereformeerd Welzijns-beraad”, waarbij kerkelijke en maatschappelijke organisaties in de CGK en GKN betrokken zijn op het terrein van het welzijnswerk.

Deputaten zijn ook betrokken bij de oprichting en het bestuur van de Gereformeerde Sociale Academie te Ede, uitgaande van de ”Stichting ter Bevordering van Gereformeerd Sociaal Pedagogisch Onderwijs”; ADMA acht het van groot belang te helpen bij de realisering van een opleiding tot maatschappelijk werk op gereformeerde grondslag.

Ook de synodecommissie onderstreept als het om de GSA gaat, dat de eigenlijke diaconale taak van de kerk en het werk van de GSA-nieuwe stijl duidelijk van elkaar worden gescheiden. De commissie onderscheidt ter synode tussen diaconaat van de gemeente en van het kerklid: ”…het diaconaat is een taak van de gemeente van Jezus Christus. Er moet onderscheid blijven bestaan tussen het diaconaat als taak van de gemeente van Jezus Christus en de taak die de christen heeft te volbrengen in deze wereld.” Daarop volgt de beraadslaging. ”Prof. dr. W.H. Velema wijst erop dat het diaconaat wordt omgebouwd tot een functie van het maatschappelijk leven. Daarin zit het grote gevaar.” Er wordt door de GS ten aanzien van de GSA o.a. uitgesproken, dat deze Raad ”haar eigen taak, in onderscheid van het kerkelijk diaconaat” moet blijven uitvoeren; de participatie in het GPSD-Ede wordt goedgekeurd; ADMA wordt gemachtigd om contacten te onderhouden met ”andere instanties die vanuit Gereformeerde levensovertuiging op maatschappelijk en sociaal terrein werkzaam zijn”.

1977 Generale Synode te Hoogeveen

Deputaten berichten van hun bezinningsnota ”Dienst vanuit Christus”. In het dienen van Christus, die gekomen is niet om gediend te worden maar om te dienen, ligt ”de grond-regel die geldt voor het dienen van Zijn gemeente”. Zonder de dienst van Christus kan er niet gediend worden binnen of buiten de gemeente. Binnen de gemeente is er de onderlinge dienst aan elkaar; naar buiten is er de dienst van de kerk in verhouding van heil en betoon van naastenliefde. Deputaten noemen redenen, waarom de realisering van dit diaconaat moeilijk is. Achtereenvolgens noemen zij: het gemeenteleven is lang niet altijd in overeenstemming met de Schrift; de concrete invulling van de plaats van gemeenteleden in de samenleving is nog moeilijker dan die in de gemeente; de neiging tot individualisme belemmert het goede zicht van de gemeenteleden op functioneren van de gemeente; in contacten met leden van andere kerken zijn er verschillende visies op de betekenis van de dienst van Christus.

Het deputatenrapport rapporteert over de samenwerking met ”De Stuw” via voorlichtingsavonden op classicale bijeenkomsten over het werk van kinderbescherming.

Over de GSA kan gemeld worden, dat deze Raad haar eigen taak in onderscheiding van het kerkelijke diaconaat is blijven vervullen. Men meldt deelname aan gesprekken met deputaten uit de Geref. Gemeenten om te onderzoeken of met andere kerken uit de gereformeerde gezindte gekomen kan worden tot een ”Gereformeerd Adviesbureau voor levens- en gezinsmoeilijkheden”.

ADMA wordt gemachtigd ”binnen de GSA eraan mee te werken dat activiteiten als wel-zijnsbehartiging en samenlevingsopbouw op schriftuurlijke wijze worden verricht” en hun wordt opgedragen ”aan de volgende synode ook te rapporteren over hun kritische opstelling binnen de G.S.A. - een kritische opstelling die dient door te werken zowel in het optreden als in de publikaties van de G.S.A. -, opdat de synode kan oordelen over de mogelijkheid van een voortzetting van de participatie”.

Op deze GS rapporteren ook de deputaten voor kerk en samenleving; het werk van dit bezinningsdeputaatschap heeft ook raakvlakken met het diaconaat. Zij hebben zich naar hun opdracht allereerst bezonnen op zaken die fundamenteel zijn voor het spreken van de bijbel over de plaats van de kerk en de christen in de samenleving; vervolgens hebben zij een rapport opgesteld onder de titel ”Bijbelse lijnen voor kerk en samenleving” en dit aan de kerken toegezonden.

1980 Generale Synode te Amersfoort

Deze generale synode heeft de participatie in de GSA beëindigd. Deputaten ADMA zelf maken in hun rapport melding van bezwaren tegen de GSA op het punt van de schriftbeschouwing in de GSA en tegen de participaties van de GSA ”in een aantal organisaties die activiteiten ontwikkelen die niet passen bij hetgeen door onze kerken wordt nagestreefd”. Hierover is met de GSA gesproken, en een meerderheid van het deputaatschap wil onder de condities van de generale synode 1977 de participatie voorlopig voortzetten. Maar over de GSA is ook een minderheidsrapport vanuit ADMA. In dit rapport wordt voorgesteld de participatie te beëindigen, omdat er geen gemeenschappelijke basis meer aanwezig is ten aanzien van bezinning en handelen met betrekking tot de samenlevingsopbouw. In dit minderheidsrapport wordt voorts gesteld, dat de opstelling van de GSA ”verre van bijbels-confessioneel” is; de visie op de ambten, het diaconaat, het koninkrijk Gods e.d. is in het geding. Ook is er in dit rapport kritiek op het weglaten van Drie Formulieren van Enigheid in de nieuwe grondslag van de GSA. Daarnaast zijn er de praktische bezwaren, dat er b.v. samengewerkt wordt met organisaties, waarvan de CGK zich distantiëren.

De synodecommissie gaat met de argumenten en het voorstel van de meerderheid van ADMA mee. De punten van kritiek blijken in de plenaire discussie van de synode echter zo zwaarwegend te zijn, dat wordt besloten om de participatie in de stichting GSA te beëindigen. Deputaten ADMA ontvangen opdracht om

”a. nu met des te meer inzet zich te bezinnen op de roeping die de kerk ten aanzien van de samenleving heeft;

b. de kerken van voorlichting en advies in dezen te dienen;

c. bij het vervullen van bovenstaande opdracht contact te zoeken c.q. te onderhouden met instanties die vanuit gereformeerd belijden op maatschappelijk en sociaal terrein werkzaam zijn;

d. zo mogelijk in samenwerking als onder c bedoeld te zoeken naar middelen en wegen om vanuit de gereformeerde levensovertuiging contact te leggen met de overheid of overheidsorganen”.

Er wordt ook besloten de sectie van ADMA ”Kerk en Bedrijfsleven” te veranderen in een zelfstandig deputaatschap. In 1962 was een voorstel tot een zelfstandig deputaatschap nog afgewezen. De situatie is in die zin veranderd, dat het werk van de industriepredikant in Europoort-Botlek niet meer onder deputaten voor de evangelisatie valt, maar begrepen is in de opdracht van de nieuwe deputaten. Men bedoelt daarmee geen loskoppeling van het diaconaat. De taak van deputaten ”kerk en bedrijfsleven” is als volgt geformuleerd:

”1) zich te bezinnen op de vragen en de consequenties van het kerk- en christen-zijn in een industriële samenleving;

2) de resultaten daarvan aan de kerken door te geven, opdat binnen de kerken aandacht gegeven wordt aan deze problematiek;

3) desgevraagd kerken te adviseren met betrekking tot de vragen rondom kerk en bedrijfsleven;

4) de kerken te vertegenwoordigen in kerkelijke en maatschappelijke organisaties, welke zich bezig houden met de vragen van kerk en bedrijfsleven;

5) het onderhouden van contacten met andere deputaatschappen binnen onze kerken (met name ADMA-deputaten en evangelisatie-deputaten) betreffende aspecten van het werk die ook die andere deputaatschappen raken;

6) het eventueel verlenen van financiële steun aan kerkeraden dan wel samenwerkende kerkeraden die een industriepredikant willen beroepen en daarvoor zelf niet over voldoende middelen beschikken;

7) kerkeraden eventueel te stimuleren tot het beroepen, en met raad en daad bij te staan inzake het beroepen en begeleiden van een industriepredikant;

8) het begeleiden en adviseren van de industriepredikanten;

9) van hun werkzaamheden verslag uit te brengen aan de generale synode.”

1983 Generale Synode te Rotterdam

Op de synode wordt de overlapping van werkterreinen van deputaten ADMA en van deputaten ”Geestelijke verzorging van gehandicapten en behartiging van het ziekenhuispastoraat” inzake de gehandicaptenzorg aan de orde gesteld. Beide deputaatschappen hebben een bijzondere aandacht aan dit gehandicaptenwerk gegeven in 1981 het zgn. ”jaar van de gehandicapte”. De vraag is: Wie moet b.v. de kerken informeren over de gehandicaptenzorg? Hier raken de deputaatschappen elkaar in hun werk: diaconaat en gehandicapten, integratie gehandicapten en diaconale vakantieweken. Voor ADMA is de invalshoek het diaconaat, voor GVG de gehandicapte. ADMA bepleit de eenheid van het diaconaat. De synode besluit, dat ADMA-deputaten in dit werk de toerusting van de diakenen op zich hebben te nemen en dat alle andere zorg voor gehandicapten een taak voor GVG-deputaten is.

ADMA meldt in haar rapport, dat de taakwijziging in 1980 hen tot een nieuw begin bracht. Vanuit de dienst vanuit Christus hebben zij de taken geïnventariseerd, in volgorde van prioriteit gezet en in een ”raamplan” verwerkt voor de uitvoering van hun beleid. Voorrang heeft de bezinning over de taak van de kerk in de samenleving. Men constateert in de kerken enerzijds de gedachte, dat de kerk zich alleen via haar leden manifesteert in de samenleving, anderzijds dat (jeugd)werkloosheid, minderheden, welzijn e.d. sa-menlevingszaken zijn, waarmee de kerk zich bezig moet houden. Maar ook, indien men dat wel als een kerkelijke taak ziet, staan die zaken toch slechts zelden op de agenda van de diaconieën. Daarop willen deputaten zich verder bezinnen. Ter informatie van de diakenen is gestart met de uitgave van het blad ”ADMA-Info”. In de informatie naar de plaatselijke diaconieën is o.a. aandacht gegeven aan de onderwerpen ”diaken en eredienst”, ”toerusting nieuwe diakenen”, ”diaconale bibliotheek”, ”diaconaal beleid” en ”advisering diaconale giften”. Ten aanzien van maatschappelijke aangelegenheden gaat de praktische bezinning en advisering met name over decentralisatie en democratisering op welzijnsterrein.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.