+ Meer informatie

Genesis 2 en 3

5 minuten leestijd

2

Het valt ons al direct op, dat prof. Oosterhoff twijfelt aan de juistheid van Assen 1926. Wanneer hij lid van de Generale Synode van de Gereformeerde kerken van 1967 was geweest, zou hij dus vermoedelijk gestemd hebben voor het buiten werking stellen van Assen 1926, of, als hij als hoogleraar op die synode was geweest, geadviseerd kunnen hebben om tot een dergelijke beslissing te komen. Dat maken we althans op uit hetgeen prof. Oosterhoff zelf schrijft.

Daarmee gaat hij staan aan de kant van hen, die gestreden hebben voor de ”val van Assen”. Onder hen vindt men juist de mensen, die er vrijere opvattingen op na houden. Dr. Geelkerken werd in 1926 buiten de kerkelijke deur gesloten en Kuitert e.a. hebben die deur weten open te breken.

Prof. Oosterhoff schrijft in zijn inleiding: „Het verst van allen ging Kuitert, bij wie van een staat der rechtheid, waarin de mens geschapen is, en van een val als een werkelijk in de geschiedenis der mensheid plaats gehad hebbend feit niets overblijft. Wat in Gen. 1-3 staat is door Israël ontleend aan zijn babylonisch-assyrische buurvolken, maar het materiaal is zo omgevormd, dat het geheel een belijdenis werd tot eer van Israëls God. Naast deze theologen kunnen genoemd worden mannen van de natuurwetenschap, zoals Lever en Stellingwerff, die vanuit hun natuurwetenschappelijk standpunt in strijd komen met de traditionele opvatting van Gen. 1 - 3 en haar daarom, alsmede de uitspraak van Assen, verwerpen.”

Hoewel prof. Oosterhoff met duidelijke woorden vasthoudt aan het echt gebeurd zijn van wat ons in Gen. 2 en 3 wordt medegedeeld en hij zich dus in dit opzicht van Kuitert e.a. distancieert, stemt hij met hen overeen als het gaat over de vraag of Assen al dan niet juist was.

Het is mogelijk, dat mede hierin de oorzaak zit van de gebleven verontrusting ten opzichte van het standpunt van prof. Oosterhoff. Die verontrusting is begrijpelijk. We zien het verloop in de Gereformeerde Kerken. Eerst was er geen plaats voor Dr Geelkerken en nu kunnen Kuitert c.s. hun meningen vrij verkondigen, hoewel ze veel verder afwijken dan Geelkerken indertijd.

De tijd zal leren of het standpunt van prof. Oosterhoff ook niet leidt tot een zelfde ontwikkeling als we bij Gereformeerde theologen duidelijk kunnen constateren.

We moeten hierbij onwillekeurig denken aan verschijnselen, die we op ander gebied telkens weer kunnen opmerken. Een jongen uit een orthodox gezin ontmoet een meisje uit een modem gezin. Ze gaan van elkaar houden. Ze willen samen in het huwelijk treden. Ze stappen gemakkelijk heen over het bezwaar, dat ze van huis uit anders zijn opgevoed. De jongen luistert niet naar waarschuwingen. Ze zullen elkaar vrij laten. De jonggehuwden passen zich aan. De jonge man gaat wel eens met zijn vrouw mee naar de kerk en omgekeerd. Zo krijgt ieder zjjn deel. Dat wordt vroeg of laat anders. De modern opgevoede vrouw wint het. Zo gaat het in de regel. En de kinderen die geboren worden, hebben meer weg van de moeder dan van de van huis uit orthodoxe vader. Het is een hellend vlak, waarvoor de Schrift ons waarschuwt. Deze verbintenis had nooit gesloten mogen worden.

We kunnen slechts hopen, dat dit ten aanzien van het standpunt van prof. Oosterhoff niet het geval is.

De hoogleraar wijst er op, dat het in de geschiedenis herhaaldelijk is voorgekomen, dat opvattingen inzake bepaalde Schriftgedeelten moesten worden herzien. Hij zegt verder, dat nooit enige mening van mensen aan de Schrift mag worden opgelegd. Altijd zal weer gevraagd moeten worden naar het eigen bedoelen van de Schrift. En dat onderzoek moet steeds doorgaan.

Verder schrijft prof. Oosterhoff: „Daarom moeten we ook een ander verstaan van Gen. 2 en 3 dan in de Gereformeerde theologie traditioneel is, niet bij voorbaat onmogelijk achten of verwerpen. We moeten steeds leerjongeren van de Schrift blijven, ook al zouden confessie en dogmatiek er mee gemoeid zijn. Want confessie en dogmatiek mogen niet anders zijn dan vertolking van wat de Schrift zegt.”

We luisteren nog even naar de schrijver; hij vervolgt:

„Maar ook exegese mag niet anders zijn. Dé volgende studie zal hoofdzakelijk exegetisch zijn. Dogmatische vragen laat ik voor een groot deel rusten. Voornamelijk de hermeneutiek van Gen. 2 en 3 is het doel van het onderzoek, m.a.w. de vraag hoe Gen. 2 en 3 naar het bedoelen van de Schrift zelf moet worden verstaan. Want de Schrift zelf moet het zeggen. Ze is haar eigen uitlegster en niemand anders.

We proberen eerst in een kort overzicht enige indruk te krijgen van de wijze waarop Gen. 2 en 3 in de loop der eeuwen is verstaan. We zullen zien dat er niet steeds altijd en door ieder op dezelfde wijze over is gedacht. Daarna gaan we na of de wetenschap — en we denken aan de natuurwetenschap — ons ook in het verstaan van Gen. 2 en 3 iets te zeggen heeft. Vervolgens onderzoeken we of de Schrift buiten Gen. 2 en 3 licht over de hoofdstukken verspreidt, waarna we ruim aandacht geven aan de gegevens in de hoofdstukken zelf. En in het laatste hoofdstuk trachten we dan een samenvatting te geven en de vraag naar de hermeneutiek van Gen. 2 en 3 te beantwoorden.”

Tot zover prof. Oosterhoff. Het is naar onze mening van belang hem gelegenheid te geven zich op deze wijze tot onze lezers te richten. Wanneer al onze lezers zijn boek in hun bezit hadden, zou dit niet nodig zijn. Maar nu moeten zij voldoende worden voorgelicht, want anders zijn zij niet in staat om enig inzicht in deze belangrijke zaak te verkrijgen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.