+ Meer informatie

De kwestie-Kok

8 minuten leestijd

De jaren na de Tweede Wereldoorlog verliepen voor de Gereformeerde Gemeenten onrustig, tumultueus zelfs. Er waren veel nieuwe initiatieven, rond de uitbouw van het verenigingsleven, de zorg voor militairen in Indië en het uitgeven van het eerste deel van de prekenserie Uit den Schat des Woords. Er was echter nóg meer verdeeldheid. „Van de manier waarop men in die jaren met verwarring omging, kunnen we nu nog wel één ding leren: zó moet het nooit meer.

Ds. Golverdingen (72) heeft meerdere verklaringen voor de verwarring in zijn kerkverband in de jaren 1946-1950. Eén ervan is deze: „In de Tweede Wereldoorlog was men gewend elkaar stevig aan te pakken. De oorlog bleek iets verruwends te hebben nagelaten. Dat zie je bij de Vrijmaking in 1944, je ziet het binnen de Gereformeerde Gemeenten in de ontwikkelingen die in 1950 leidden tot de schorsing van ds. R. Kok en in 1953 tot het ontslag van dr. C. Steenblok als docent aan de Theologische School.”

Ds. Golverdingen, emeritus predikant van de Gereformeerde Gemeenten, onderzocht eerder al de periode van 1928 tot en met de oorlogsjaren. De periode van zijn promotieonderzoek beperkt zich tot 1946-1950.

Spijtig, dat uw onderzoek niet doorloopt tot en met 1953, het jaar waarin de Gereformeerde Gemeenten scheurden.
„Dat was ook de bedoeling, maar halverwege mijn onderzoek ontdekten we dat het een boek zou worden van meer dan 800 bladzijden. Daar doe je niemand een plezier mee. De tweede reden is kerkhistorisch van aard. Je kunt niet met grote stappen door de tweede helft van de jaren veertig heenlopen. De jaren die aan 1950 voorafgingen, bevatten duidelijke aanzetten voor de breuk in 1953. Dat moet grondig worden uitgezocht, wil een onderzoek naar 1953 echt uit de verf kunnen komen. Je kunt de breuk van 1953 niet begrijpen als je de periode 1946-1950 niet kent.”

Misschien komt de periode 1950-1953 nog in een vervolgonderzoek aan de orde?
„Dat hoop ik wel, bij leven en welzijn. Maar we zijn maar mensen van de dag. De jaren klimmen en mijn gezondheid kent beperkingen. Als de Heere me er de krachten en de tijd voor geeft, hoop ik het wel te doen. Ik heb veel bronnen in mijn bezit die nog niemand kent. Die bronnen zijn grotendeels geordend en het eerste hoofdstuk is al klaar. Nu 1950 voor mij duidelijk is, weet ik hoe ik verder moet gaan.”

U noemt de schorsing van ds. R. Kok „een betreurenswaardig misverstand.” Waar bestond het misverstand uit?
„Er was veel theologische spraakverwarring over het verbond. Zowel de synode van 1950 als ds. Kok onderschreef dat de belofte van het verbond niet geldt voor alle gedoopten en alleen werkelijkheid wordt in het leven van de uitverkorenen. Ds. Kok formuleerde echter gebrekkig. Hij legde de nadruk op de bediening van het verbond. Bij hem viel het begrip ”belofte” samen met de prediking van het Evangelie, het aanbod van genade, of de Evangeliebelofte die aan elke hoorder van het Woord verkondigd wordt. De synode ging er echter van uit dat ds. Kok met zijn spreken over de belofte de verbondsbelofte bedoelde, die alleen voor de uitverkorenen is bedoeld. Daarom legde de synode hem vereenzelviging van aanbod en belofte ten laste. Die spraakverwarring moest wel leiden tot een onjuist oordeel over de zaak.”

Er waren geen theologische verschillen, dus.
„Er waren liggingsverschillen, maar die waren er voor de oorlog ook al. Met name na de oorlog maakte ds. Kok zich gereed voor zijn strijd tegen valse lijdelijkheid die hij om zich heen zag. Hij was een markant man, recht door zee en onverzettelijk. Hoe je zijn naam ook leest, van voren naar achteren of achterstevoren, er komt altijd Kok uit. Het sluiten van compromissen was niet zijn sterkste kant.

Zo deed Kok, want hij kon er ook wat van, een harde aanval op Steenblok, vanwege een referaat van diens hand over de algemene genade. Hij kwalificeerde Steenbloks visie als „on-Schriftuurlijk” en „Gode onterend.” Het was allemaal niet zo fraai.”

Ds. Kok is overigens van veel dingen onterecht beschuldigd, zegt ds. Golverdingen. „Hij zou leren dat er onrechtvaardigheid in Gods besluiten zou zijn. Hij zou de geestelijke doodstaat van de mens en de soevereiniteit van God onvoldoende benoemen. Kok was niet geheel vrij te pleiten van eenzijdigheid. Zelfcontrole was niet zijn sterkste kant. Hij formuleerde nogal eens onzorgvuldig. Maar dat betekent niet dat zulke verwijten terecht waren.”

Terwijl de Gereformeerde Gemeenten zich altijd veel aan de kerkorde gelegen hadden laten liggen, brak er na de oorlog opeens een individualistische en gevoelsmatige onderstroom door die weinig kerkordelijks had. „Kerkrechtelijk handelen was in die jaren veelal een farce. Er was steeds minder bereidheid om in het kerkelijk leven te handelen in de geest van het woord van Paulus: Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden.”

Hoe reageerden omliggende kerken op de commotie in de Gereformeerde Gemeenten?
„Ik heb geen onderzoek gedaan naar wat de kerkelijke bladen in de gereformeerde gezindte daar tijdens het conflict over hebben geschreven. Wel heb ik gekeken naar wat er gezegd werd over de eindbeslissing van de synode, dus over de schorsing van Kok. Alle bladen, zoals De Waarheidsvriend, De Wekker, het Gereformeerd Weekblad en De Reformatie, reageerden afwijzend. Er was sprake van een algehele veroordeling van het synodebesluit, vanwege de elementaire kerkrechtelijke gebreken en de gebrekkige theologische motivering ervan. Vooral prof. J. J. van der Schuit was in het christelijke gereformeerde weekblad De Wekker verontwaardigd. De sarcastische taal die hij gebruikte, versterkte nog eens de afwijzende houding die de Gereformeerde Gemeenten al vele jaren ten opzichte van de Christelijke Gereformeerde Kerken hadden ingenomen. Duidelijk was dat ieders sympathie uitging naar ds. Kok; zeker niet naar de synode. De kwestie-Kok leidde tot een isolement van de Gereformeerde Gemeenten in kerkelijk Nederland dat nog jarenlang zou voortduren.”

Weten we nu, na uw onderzoek, nauwkeurig wat er heeft gespeeld? Is nu echt het laatste woord gezegd?
„Voor zover ik kan overzien, is de onderste steen boven. Tot nu toe moesten we het doen met herinneringen, persoonlijke gevoelens en summiere notulen. Van alle kanten is mij toegang verleend tot kerkelijke en particuliere archieven. Mensen hebben mij unieke stukken ter beschikking gesteld. Nu is voor het eerst een zorgvuldige reconstructie gegeven van wat er op de synode van 1950 precies is gebeurd. Ik heb op basis van de bronnen wetenschappelijk onderzoek verricht. Mensen willen liefst hun eigen mening bevestigd zien, maar dat kan ik niemand beloven. Ik geef uitsluitend aan wat de stukken zeggen. Vervolgens heb ik per hoofdstuk een meer persoonlijk gekleurde waardering van de feiten gegeven. Alleen nieuwe bronnen kunnen het beeld op onderdelen nog bijstellen.”

Hoe staat het inmiddels met uw sympathie voor de mensen Kok en Kersten?
„Beiden waren kinderen van God en beiden zijn in de hemel. Je leert hen allebei kennen als zondaren met hun gebreken en fouten, maar ook met hun verdiensten. Kok was een bevlogen mens en een begaafd en bewogen prediker. Tijdgenoten zeiden dat je onder zijn preken soms als aan de bank genageld zat. Daarnaast was Kok ook wel eenzijdig en vaak onvoorzichtig in zijn formuleringen. Veel moeite heeft hij aan zichzelf te wijten gehad. Jammer genoeg was zijn publicatiedrang groter dan zijn theologische zelfcontrole. Had hij maar niet zo veel geschreven, dan was er niet zo veel mis gegaan.”

Kersten was, vindt ds. Golverdingen, een man van allure, die in het begin van de oorlogsjaren gezag verloor door het maken van duidelijke beoordelingsfouten ten aanzien van de bezettende macht. „Hij bleef ook na de oorlog gericht op het wegnemen van struikelblokken. Kersten wilde Kok voor de Gereformeerde Gemeenten behouden, ondanks de bezwaren die hij tegen zijn optreden had. Vlak voor zijn sterven heeft hij nog geprobeerd de tegenstelling tussen Kok en Steenblok te overbruggen door de publicatie van ”Het verbond der genade”, van Fisher en de Erskines. Helaas is dat niet gelukt. Kok heeft het boekje graag geaccepteerd. Steenblok heeft het echter praktisch genegeerd. Dat maakt mijn onderzoek duidelijk.”

Een van uw doelstellingen was: het vergroten van het inzicht in het ontstaan van kerkelijke conflicten. Is uw onderzoek ook van belang voor het kerkelijk leven nu?
„De onderzoeksgegevens wijzen op de waarde van twee dingen. In de eerste plaats op de waarde van een goede communicatie op kerkelijke vergaderingen, te beginnen bij de kerkenraad. Ambtsbroeders moeten naar elkaar toe zo transparant mogelijk handelen in taalgebruik, in schriftelijke verwoording, in het luisteren naar elkaar. Kerkelijk samenleven vraagt van iedere betrokkene een streven naar een optimale samenwerking. Het bereiken en behouden van de eenheid in besluitvorming moet steeds vooropstaan en de beoefening van de heiligmaking behoort centraal te staan.

Daarbij geeft deze studie aan dat het kerkrechtelijk denken en handelen vraagt om grote zorgvuldigheid. In kerkelijke zaken mag er niet worden gehandeld op basis van veronderstellingen of van gevoelens. Dat leidt tot ontwrichting en verwarring. Het zorgvuldig interpreteren van de bepalingen van de Dordtse Kerkorde is ten diepste een geestelijke zaak. Kerkrechtelijk denken is wat anders dan koud en technisch handelen, maar komt voort uit een menselijk en pastoraal hart. De kerkorde is van broederlijke aard en veronderstelt een broederlijke liefde.”

>>rd.nl/kerkbreed

In Kerkbreed komt iedere week een persoon aan het woord die een reflectie geeft op een bepaalde gebeurtenis of ontwikkeling in de breedte van het kerkelijk leven Vandaag: ds. M. Golverdingen. Op 4 maart promoveert hij in Apeldoorn op het proefschrift ”Vernieuwing en verwarring. De Gereformeerde Gemeenten 1946-1950”.


M. Golverdingen

Marinus Golverdingen (72) is sinds 1979 predikant van de Gereformeerde Gemeenten. Hij diende de gemeenten ’s-Gravenzande, Utrecht, Ridderkerk-Slikkerveer, Groningen, Gorinchem, Boskoop en Waarde. Sinds juni 2011 is hij met emeritaat. Hij publiceerde onder anderen over ds. G. H. Kersten en Willem Teelinck. In 2004 slaagde hij aan de Theologische Universiteit van de Christelijke Gereformeerde Kerken (TUA) voor het doctoraalexamen. Voor het hoofdvak kerkgeschiedenis schreef hij de studie ”Om het behoud van een kerk. Licht en schaduw in de geschiedenis van de Gereformeerde Gemeenten 1928-1948”. Ds. Golverdingen promoveert op 4 maart aan de TUA (locatie gereformeerde gemeente, Graaf van Lijndenlaan) op ”Vernieuwing en verwarring. De Gereformeerde Gemeenten 1946-1950”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.