Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

1. Oude Testament

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

1. Oude Testament

32 minuten leestijd

In de Bijbel komen twee soorten profeten voor. In de eerste plaats zijn er de 'gewone' profeten die door God worden geroepen. Deze profeten gebruikt God steeds weer om Zijn woorden door te geven. Het profeet-zijn is voor deze profeten een soort beroep. Daarnaast zijn er mensen die op een bepaald moment de gave van de Heilige Geest krijgen en op dat moment profeteren, maar daarna niet meer.

'Gewone' profeten (Deuteronomium 18:15-22)

In Deuteronomium 18 staat de aanleiding tot de instelling van het profetenambt beschreven. Het volk heeft aan Mozes gevraagd of hij in plaats van hen met de HEERE wil spreken. Ze zijn bang te moeten sterven, wanneer zij de stem van de HEERE zullen horen en het vuur zullen zien (Exodus 20: 19). Hierover spreekt de HEERE tot Mozes en belooft dat er profeten zullen komen die namens God tot het volk zullen spreken. Naar alles wat gij van de HEERE uw God aan Horeb ten dage der verzameling geëist hebt, zeggende: Ik zal niet voortvaren te horen de stem van de HEERE mijn God, en ditzelve vuur zal ik niet meer zien, dat ik niet sterve. Toen zei de HEERE tot mij: Het is goed wat zij gesproken hebben (Deuteronomium 18: 16-17). In dit bijbelgedeelte verwijst de HEERE naar wat het volk bij de Sinaï gezegd heeft. God keurt het goed wat het volk daar gezegd heeft, en zegt: Een profeet zal Ik hun verwekken uit het midden hunner broederen, als u (Deuteronomium 18: 18). God zal deze profeet de woorden in de mond leggen, en op zijn beurt zal de profeet deze woorden weer doorgeven aan het volk.

Een profeet is dus iemand die door de HEERE gebruikt wordt om Zijn boodschap aan het volk over te brengen. Zo'n 'gewone' profeet is zijn hele leven een boodschapper van God.

'Tijdelijke' profeten (Numeri 11: 16-29)

Naast deze profeten, die hun hele leven profeet zijn, zijn er ook 'gewone' mensen die tijdelijk profeteren. Hiervan lezen we in Numeri 11, waar de zeventig oudsten worden aangesteld om Mozes te ondersteunen. Nadat deze mannen zijn aangewezen, stort de HEERE Zijn Geest op hen uit. En wanneer ze de Geest ontvangen hebben, profeteren deze mannen. Maar daarna niet meer. Twee van de oudsten, Eldad en Medad, blijven profeteren, terwijl de andere oudsten niet meer profeteren. Een jongen bericht dit aan Mozes en Jozua vraagt Mozes om dit te verbieden. Mozes zegt dan echter: Zijt gij voor mij ijverende? Och, of al het volk van de HEERE profeten waren, dat de HEERE Zijn Geest over hen gave. Jozua is bang dat Mozes' positie aangetast wordt. Mozes is echter juist blij dat de HEERE Zijn Geest aan mensen wil geven, zodat zij profeteren. Daarom verzucht hij of heel het volk zou profeteren. Na deze geschiedenis lezen we niets meer over Eldad en Medad. Duidelijk is wel dat mensen niet gehinderd mogen worden als de HEERE Zijn Geest op hen uitstort zodat zij gaan profeteren.

In het Oude Testament komt het, naast het profeteren door de zeventig oudsten, nog een paar keer voor, dat mensen de Geest krijgen en tijdelijk profeteren. Een bekend voorbeeld hiervan is Saul. Nadat hij door Samuël is gezalfd, krijgt hij drie tekenen. Eén ervan is dat hij onderweg een groep profeten zal tegenkomen, en dat hij ook zal profeteren. Het spreekwoord Is Saul ook onder de profeten? is daarvan afgeleid (1 Samuël 10: 6 en 10-13).

Hoe werden profeten genoemd?

In de Bijbel worden verschillende woorden gebruikt om een profeet aan te duiden:

• Allereerst het woord 'profeet'. Profeet is de vertaling van het Hebreeuwse woord 'navi'. Algemeen gezegd, is een profeet iemand die het woord van de godheid doorgeeft aan het volk. Bij een profeet uit Israël gaat het om iemand die het woord van de Heere, de God van Israël, doorgeeft. Hij moet spreken en doen wat God hem opdraagt. In Deuteronomium 18: 18 staat geschreven over een profeet: en Ik (de HEERE) zal Mijn woorden in zijn mond leggen, en hij (de profeet) zal tot hen (het volk) spreken alles wat Ik hem gebied. De verhouding tussen de profeet en zijn Zender is te vergelijken met die tussen Mozes en Aaron. De HEERE zegt tot Mozes: Gij dan zult tot hem (Aaron) spreken en de woorden in zijn mond leggen [,..j en hij (Aaron) zal voor u tot het volk spreken en het zal geschieden, dat hij u tot een mond zal zijn en gij zult hem tot een god zijn (Exodus 4: 15-16). Zoals Aaron alleen de woorden, die Mozes namens God tot hem zou spreken, moest doorgeven, zo moet ook een profeet alleen Gods woorden doorgeven. Veel profeten in het Oude Testament worden ook met het woord profeet aangeduid, zoals Elisa (1 Koningen 19: 16), Jeremia (Jeremia 28: 5) en Habakuk (Habakuk 1: 1).

• Een naam waarmee iemand heel algemeen wordt aangeduid als profeet is 'man Gods'. In deze naam wordt uitgedrukt dat iemand bij God hoort. Het is iemand die namens God spreekt. Deze benaming hebben onder andere Samuël (1 Samuël 9: 6), Elisa (2 Koningen 4: 7) en Semaja (2 Kronieken 11: 2). Daarnaast zijn er profeten van wie alleen bekencf is dan dat ze een man Gods zijn en verder niets. Zo gaat het in 1 Koningen 13: 1 over de man Gods uit Juda.

• Een andere, eveneens vrij algemene, aanduiding voor een profeet is 'knecht des HEEREN' of 'knecht Gods'. Uit deze naam wordt duidelijk dat iemand in dienst van God staat. Naast bijvoorbeeld Ahia (1 Koningen 14: 18) en Jesaja (Jesaja 20: 3) worden ook groepen profeten zo aangeduid (bijvoorbeeld in 2 Koningen 9: 7 en Jeremia 7: 25). Overigens worden niet alleen profeten met deze naam genoemd, maar ook andere mensen die in dienst van God stonden, zoals Job, David en Zerubbabel.

• Een woord dat meer de inhoud van de taak van de profeet weergeeft is 'bode des HEEREN' of 'bode Gods'. Deze naam wordt echter zelden gebruikt voor een profeet (Haggaï 1: 13). De naam van de profeet Maleachi betekent 'Mijn bode' of 'bode des HEEREN'. Daarnaast wordt deze naam af en toe gebruikt om de profeten in hun geheel'aan te duiden (2 Kronieken 36: 16).

• Nog een ander woord waarmee een profeet wordt aangeduid, is 'ziener'. Het woord ziener laat twee kanten van de profetie zien. Enerzijds het 'voorzien', het in de toekomst kunnen kijken. Anderzijds het 'doorzien', het inzicht hebben in een bepaalde situatie. In het Oude Testament worden onder andere Samuël (1 Samuël 9: 11) en Jehu (2 Kronieken 19: 2) zo genoemd. In Jesaja 30: 10 wordt het gebruikt om profeten in het algemeen aan te duiden.

Wanneer waren er profeten?

Profeten zijn knechten van God. Hoewel ook Abraham en Mozes profeten worden genoemd, komen de eigenlijke profeten pas na Mozes voor. Vaak worden er vier perioden onderscheiden waarin God Zich op een verschillende manier aan de mensen openbaart en Zich door hen laat kennen. De eerste periode (van Adam tot Abraham) kenmerkt zich door een persoonlijke openbaring; God openbaart zich persoonlijk aan mensen, zoals Adam, Henoch en Noach.

In de tweede periode (van Abraham tot Mozes) wordt de openbaringsvorm 'patriarchaal' genoemd. God openbaart Zich dan vooral aan de patriarchen, de aartsvaders: Abraham, Izak en Jakob. Mozes is een overgangsfiguur tussen de tweede en derde periode. Hij is dan ook geen profeet in de eigenlijke zin van het woord, zoals ook Numeri 12: 6-8 zegt. En Hij zeide: Hoort nu Mijn worden: zo daar een profeet onder u is, Ik de HEERE, zal door een gezicht Mij aan hem bekend maken, door een droom zal Ik met hem spreken. Alzo is Mijn knecht Mozes niet, die in Mijn ganse huis getrouw is: van mond tot mond spreek Ik met hem en door aanzien, en niet door duistere woorden, en de gelijkenis des HEEREN aanschouwt hij.

In de derde periode (van Mozes tot Christus) openbaart God Zich (bijna altijd) aan Zijn volk Israël. Deze openbaringsvorm wordt de 'nationale' genoemd. Aan het begin van deze periode geeft God profeten aan Israël om Zijn Woord door te geven. (Deuteronomium 18). Het is in deze periode dat de meeste profeten voorkomen.

Tenslotte is er de periode van Christus tot de wederkomst, waarin de openbaringsvorm 'kerkelijk' genoemd wordt. Over deze periode gaat het in hoofdstuk 2 en 3.

Profeet en profetie

Een profeet is een dienaar van God. Hij wordt door de Heere geroepen. Vaak krijgt een profeet bij zijn roeping een opdracht mee van de Heere. Zo'n opdracht omschrijft in het kort de taak die de profeet krijgt. Deze taak moet hij uitvoeren. Allereerst moet hij Gods Woord verkondigen. Daarnaast moeten ze soms symbolische handelingen verrichten en soms worden ze ook geroepen om wonderen te verrichten. De boodschap krijgen ze van de Heere, ze worden geïnspireerd. Veel elementen in de boodschap van een profeet komen we ook bij andere profeten tegen. Maar ook hebben veel profeten eigen accenten. Tenslotte is er de vraag naar de vervulling van de boodschap: hoe en wanneer worden de profetieën vervuld?

Roeping

Het is de HEERE Zelf die de profeten tot hun taak roept. Zoals God eerst Mozes geroepen heeft tot zijn taak, roept Hij ook de profeten. Samuël ontving zijn roeping 's nachts, toen hij bij Eli in de tempel diende, en dacht dat Eli hem riep. Pas toen God hem voor de derde keer riep, luisterde hij (1 Samuël 3). De profeet Elisa werd geroepen door middel van de profeet Elia, die zijn mantel over de ploegende Elisa wierp (1 Koningen 19: 19-21). De profeet jesaja wordt geroepen door middel van een bijzonder visioen, waarbij hij de HEERE ziet zitten op Zijn troon, terwijl Hij omringt is met serafs (engelen) die Hem toeroepen: Heilig, heilig, heilig is de HEERE der heirscharen. Wanneer een seraf de mond van Jesaja aanraakt met een kool van het altaar, wordt Jesaja geheiligd tot profeet. Als de Heere dan vraagt wie Hij zenden zal, zegt jesaja: Zie, hier ben ik, zend mi] heen. God maakt Jesaja bereid om profeet te worden Oesaja 6).

Jeremia wordt geroepen doordat de HEERE tot hem spreekt en zegt dat Hij Jeremia reeds voor zijn geboorte geheiligd heeft om profeet te worden. Jeremia zegt dat hij niet kan spreken, maar dan antwoordt de HEERE: Zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond (Jeremia 1).

Van andere profeten wordt de roeping niet zo uitgebreid beschreven. Wel is duidelijk dat alle profeten zich door de HEERE geroepen weten. Zo zegt Amos dat de HEERE tot hem gezegd heeft dat Hij tegen Israël moet profeteren: Maar de HEERE nam mij van achter de kudde, en de HEERE zeide tot mij: Ga heen, profeteer tot Mijn volk Israël (Amos 7: 15).

Opdracht

Vaak krijgen de profeten bij hun roeping een bijzondere opdracht van de HEERE mee. Zo krijgt Jesaja deze opdracht: Ga heen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet. Maak het hart van dit volk vet, en maak hun oren zwaar, en sluit hun ogen; opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere en Hij het geneze Oesaja 6: 9-10). Jesaja krijgt dus de opdracht om met zijn profetie het volk te verharden. Als Jesaja dan vraagt hoe lang hij dit moet doen, krijgt hij de opdracht door te gaan totdat het land verwoest is. Hij krijgt echter ook de belofte dat een deel van het volk zal terugkeren uit de ballingschap Oesaja 6: 11-13). Met dat deel van het volk zal God een nieuw begin maken.

Ook Jeremia krijgt een tweeledige opdracht van God: Zie, Ik stel u te dezen dage over de volken en over de koninkrijken, om uit te rukken, en af te breken, en te verderven, en te verstoren, ook om te bouwen en te planten Oeremia 1: 10). Aan de ene kant zal Jeremia's boodschap veroordelend zijn, maar aan de andere kant zal hij ook heil mogen verkondigen. Jeremia moet niet zijn eigen woorden spreken, maar Gods woorden. De HEERE zegt tegen hem: Zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond Oeremia 1: 9) Ook krijgt hij de belofte dat God voor hem zal zorgen. Zo heeft de HEERE tegen Jeremia gezegd: Vrees niet voor hun aangezicht, want Ik ben met u, om u te redden, spreekt de HEERE en Zij zullen tegen u strijden maar tegen u niet vermogen; want Ik ben met u, spreekt de HEERE, om u uit te helpen (Jeremia i: 8 en 19).

Taken

• Verkondigen van Gods Woord

De taak van de profeet is het verkondigen van het woord van de HEERE. Hij mag niet zijn eigen boodschap uitdragen. Dat is het verschil tussen de ware en valse profeten. De eersten brengen Gods boodschap, de laatsten de boodschap die hen zelf het beste uitkomt. De profeten geven dan ook nadrukkelijk aan dat ze Gods Woord brengen in uitdrukkingen als 'de HEERE spreekt' (Jesaja 1: 2); 'de HEERE der heirscharen heeft gesproken' (Jesaja 5:28); 'zo zegt de HEERE' (Jeremia 4: 27); 'de HEERE zeide tot mij' Qeremia 3: 6); 'des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende' (Ezechiël 33: 1) en 'hoort des HEEREN woord' (Hosea 4: 1).

Soms is het woord van de HEERE dat de profeten brengen strijdig met hun eigen mening. Zo heeft Nathan tot David gezegd dat het goed is dat hij een tempel gaat bouwen (2 Samuël 7), maar van God mag David geen tempel bouwen. Hij heeft teveel bloed aan zijn handen. Daarom moet Nathan weer terug gaan en tegen David zeggen dat het niet goed is dat hij de tempel bouwt (2 Samuël 7: 5). Jeremia heeft er moeite mee om Gods woord te verkondigen (Jeremia 20: 7-9) en ook Jona wil niet doen wat de HEERE vraagt: hij vlucht weg (Jona 1: 3).

Ook gebeurt het dat een profeet terug moet, omdat iemand zich door de profetie bekeerd heeft. Dan moet de profeet een wending aankondigen. In Jesaja 38 is te lezen dat Jesaja naar Hizkia toe moet om hem te boodschappen dat hij moet sterven. Wanneer Hizkia bidt tot de HEERE, moet Jesaja terug om tegen Hizkia te zeggen: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien; zie Ik zal vijftien jaar tot uw dagen toedoen (Jesaja 38:5). Ook Elia krijgt zo'n opdracht in 1 Koningen 21. Nadat Achab zijn kleren gescheurd heeft en is gaan vasten, zegt de HEERE tegen Elia: Daarom dewijl hij zich vernedert voor Mijn aangezicht, zo zal 'Ik dat kwaad in zijn dagen niet brengen; in de dagen zijns zoons zal Ik dat kwaad over zijn huis brengen (1 Koningen 21: 29).

• Verrichten van symbolische handelingen

Naast het spreken van het woord van de HEERE, moeten profeten soms allerlei handelingen uitvoeren om de boodschap van de HEERE door te geven. Vaak is zo'n handeling een ondersteuning van of een teken bij de boodschap. Zo moet de profeet Ahia een nieuw kleed in twaalf stukken scheuren, waarvan hij tien stukken aan Jerobeam moet geven. Deze handeling is een teken van de komende scheuring van het rijk: tien stammen zullen door Jerobeam geregeerd worden en twee door Salomo's zoon Rehabeam (1 Koningen 11: 29-40).

Jeremia moet een linnen gordel kopen en die verstoppen in een rotsspleet bij de rivier Frath. Later moet hij deze gordel weer opgaan halen, maar dan is deze helemaal verteerd. Zoals de gordel verteerd is bij de Frath, zo zal ook de trots van het volk eenmaal vergaan in Babel (Jeremia 13: 1-11).

Een andere symbolische handeling is te lezen in Jeremia 27 en 28. Jeremia krijgt de opdracht om een juk om te doen, waarbij hij moet profeteren dat zo Juda onder het juk van Nebukadnezar zal komen. De valse profeet Hananja breekt het juk wat Jeremia om heeft in stukken en zegt dat zo het juk van Babel verbroken zal worden. Vervolgens krijgt Jeremia de opdracht om een ijzeren juk om te doen en moet hij tegen Hananja profeteren dat hij spoedig zal sterven. Dit gebeurt ook.

Naast het uitvoeren van handelingen wordt ook het leven van een profeet in dienst gesteld van de boodschap die hij moet brengen. Zo neemt de HEERE de vrouw van Ezechiël weg. Evenals Ezechiëls vrouw wordt weggenomen, zo zal ook de tempel uit Juda weggenomen worden (Ezechiël 24).

Een ander voorbeeld hiervan is de profeet Hosea. Hij moet met een hoer trouwen en kinderen met haar krijgen. De hoer is symbool van het volk dat de HEERE verlaten heeft en hoererij met afgoden pleegt. Toch zal de HEERE zich over Zijn volk ontfermen, zoals blijkt uit de namen die Hosea zijn kinderen moet geven (Hosea 1 en 2). Eerst moet Hosea zijn kinderen 'Lo-Ruchama' (niet-ontfermde) en 'Lo-Ammi' (niet Mijn volk) noemen. Daarna mag hij ze echter de naam 'Ruchama' (ontfermde) en 'Ammi' (Mijn volk) geven.

• Doen van wonderen

Naast het mondeling verkondigen en het verrichten van symbolische handelingen worden profeten ook geroepen om wonderen te doen. Met name van de profeten Elia en Elisa staan veel wonderen in de Bijbel. Zo mag Elia, als profeet van God, ervoor zorgen dat de weduwe in Zarfath niet omkomt vanwege de honger en mag hij haar zoon uit de dood opwekken (1 Koningen 17). Van Elisa staan wonderen beschreven als het opwekken uit de dood van de zoon van de Sunamietische (2 Koningen 4: 8-37), de genezing van Naaman (2 Koningen 5) en het op het water doen drijven van de geleende bijl van één van de profetenzonen (2 Koningen 6: 1-7).

Inspiratie

De profeten ontvangen de boodschap van God. Hun boodschap komt van buitenaf en niet uit henzelf. Sommige profeten, zoals Jeremia Qeremia 20) en Jona Oona 1), hebben geworsteld met de boodschap die ze moeten brengen. De profeten krijgen de boodschap van de HEERE doordat de HEERE hoorbaar tot hen spreekt (toespraak) of doordat de HEERE in hen spreekt (inspraak). Anderen zien door middel van een gezicht, een soort visioen, het woord dat ze moeten verkondigen (Micha 1: 1, Zacharia 1: 7, Ezechiël 40: 4 en 44: 5).

Soms is in de Bijbel te lezen dat de Geest van God op iemand rust. Dit is bij alle profeten in feite zo, maar dit duidt op een heel bijzonder en gewichtig moment. Meestal is deze uitdrukking in de Bijbel te lezen als de Geest tijdelijk op iemand rust. Zo spreekt David op zijn sterfbed door de Geest van de HEERE (2 Samuël 23: 2) en rust de Geest van God op de oudsten in de woestijn (Numeri 11). Joel profeteert dat God zijn Geest zal uitstorten, en dat zonen en dochteren zullen profeteren (Joël 2: 28).

Sommige profeten profeteren in een afgodisch-extatische toestand. Vaak brengen ze zichzelf in zo'n toestand. De Baaipriesters raken op de Karmel in geestesvervoering (1 Koningen 18). Ook in 1 Koningen 22: 10 verkeren profeten in extatische toestand. Soms lijkt het dat een profeet van de HEERE ook in extase is als hij zijn boodschap verkondigt. Dit is echter niet zo. Deze profeten zijn vol van de Heilige Geest en profeteren wat ze horen of zien. Ze worden als het ware boven de werkelijkheid uitgetild.

Van Ezechiël wordt gezegd dat de hand van de HEERE op hem kwam. Dat betekent dat Ezechiël vervuld werd van de HEERE. Muziek die soms gebruikt wordt (2 Koningen 3: 15) hoeft een profeet niet perse in extase te brengen. Vaak heeft de muziek wel een kalmerende invloed, zodat de profeet zich kan voorbereiden om de boodschap te ontvangen.

De HEERE geeft Zijn boodschap ook via visioenen. Een bekend visioen is het tempelvisioen van Ezechiël. In Ezechiël 8-11 ziet de profeet dat de HEERE de tempel verlaat en in de hoofdstukken 40-48 ziet hij de nieuwe tempel. Bij de profeten maakt de HEERE Zijn woorden meestal niet door dromen bekend. Over dromen als middel waardoor God zich openbaart, is wel te lezen bij Jakob (Ge-nesis 28: 12) Jozef (Genesis 37), Gideon (Richteren 7:13) en Salomo (1 Koningen 3: 5). Jeremia verwijt de valse profeten dat ze zeggen dat ze gedroomd hebben, terwijl ze leugen profeteren Qeremia 23: 25-28). Het volk moet niet luisteren naar mensen die allerlei dromen dromen (Jeremia 27: 9 en 29: 8).

Inhoud

Wanneer een profeet zijn profetie uitspreekt, geeft hij de woorden van God door. Iedere profeet doet dit in zijn eigen taal en stijl. Ook gebruikt hij zijn eigen woordenschat. De ene profetie is lang, de ander kort, de één beeldend, een ander heel concreet.

Zo wordt in Nahum 2 op een heel beeldende manier de verwoesting van Ninevé voorzegd. De verwoesting wordt als door een ooggetuige geschilderd, terwijl het nog moet gebeuren. Een ironische profetie is te lezen in jesaja 44. In deze profetie wordt gespot met de afgoden. Ze zijn niet meer dan een stuk hout. Het ene stuk wordt gebruikt om de oven aan te steken en het andere om een afgod van te maken. Tegenover deze houten goden laat de HEERE de profeet zeggen wie Hij is: Ik ben de HEERE, Die alles doet, Die de hemel uitbreidt, ik alleen, en Die de aarde uitspant door Mijzelf (Jesaja 44: 24).

Ook zijn er profetieën die in dichtvorm zijn uitgesproken. Een voorbeeld hiervan is Jesaja 2: 2-5. In de Statenvertaling is dit niet te zien, maar in het Hebreeuws is dit een poëtische profetie.

Een andere manier om een profetie uit te spreken is het gebruiken van een allegorie (beeldspraak waarin elk afzonderlijk element een geestelijke betekenis heeft). Hiervan is Jesaja 5: 1-7 een voorbeeld, dat bekend staat als 'het lied van de wijngaard'. In deze profetie wordt het beeld van een wijngaard gebruikt, wat een geestelijke betekenis heeft.

De HEERE is de Eigenaar van de wijngaard en heeft hem goed verzorgd, maar de wijngaard brengt geen vruchten voort. De HEERE roept dan het volk toe: Wat is er meer te doen aan Mijn wijngaard, hetwelk Ik aan hem niet gedaan heb? (Jesaja 5:4).

In een profetie grijpen profeten vaak terug op wat God in het verleden aan Israël heeft gedaan en op wat Hij aan hen heeft bekendgemaakt. Ze roepen vaak de uittocht uit Egypte in herinnering of de schepping. Op deze manier laten ze zien wie de HEERE is voor Zijn volk. De HEERE heeft alles wat mogelijk was aan Zijn volk gedaan. Het volk kan niets tegen de HEERE inbrengen, maar toch gehoorzaamt het volk de HEERE niet. De profeten moeten vaak het oordeel uitspreken over deze ongehoorzaamheid. Veel profetieën gaan ook over de wegvoering van Israël en Juda in ballingschap. Toch is dit bij veel profeten niet het einde. God blijft aan Zijn volk gedenken. Hij belooft dat een rest, een overblijfsel, terug zal keren. Met deze rest zal de HEERE een nieuw begin maken. De naam van de zoon van jesaja, Schear-Jaschub betekent: 'een rest keert terug' (Jesaja 7: 3). Ook in Zefanja 3: 12 wordt gesproken over een overblijfsel: Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op de Naam des HEEREN betrouwen.

Een ander thema is het veroordelen van de eigenwillige godsdienst van Israël. De HEERE wil niet hun offers hebben, maar hun hart. Want Ik heb lust tot weldadigheid en niet tot offer, en tot de kennis Gods meer dan tot brandoffers (Hosea 6: 6). Micha roept het volk op tot het doen van recht, het liefhebben van weldadigheid en het ootmoedig wandelen met de HEERE (Micha 6: 6-8). God eist het hart van het volk. Ze kunnen zich niet eist het hart van het volk. Ze kunnen zich niet van God afmaken met het brengen van de offers. Jesaja 1 is een scherpe aanklacht tegen deze godsdienst van Israël: Ik ben zat van de brandoffers der rammen en van het smeer van de vette beesten, en heb geen lust aan het bloed der varren, noch der lammeren, noch der bokken (jesaja 1: 11). Israël moet geen offers brengen en ondertussen doorgaan met zondigen. Ze moeten eerst zichzelf reinigen en de zonden wegdoen. De HEERE ro reinigen en de zonden wegdoen. De HEERE roept hen dan ook toe, dat Hij hun zonden wil vergeven: Komt dan, en laat ons te zamen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jesaja 1: 18). Als Israël naar deze oproep hoort, zullen ze het goede van het land eten. Dat wil zeggen: als ze niet gehoorzaam zijn, zullen zij door het zwaard gegeten worden, sterven.

Naast profetieën die het volk laten zien dat ze de HEERE verlaten hebben, zijn er ook profetieën die ingaan op het egoïsme van het volk. Ze vergeten de verdrukte, de weduwe en de wees. Regelmatig roepen de profeten op om recht te doen aan deze armen en verdrukten. Leert goed te doen, zoekt het recht, helpt de verdrukte, doet de wees recht, handelt de twistzaak van de weduwe (Jesaja 1: 17).

Een ander belangrijk thema in de profetieën is de aankondiging van de 'dag des HEEREN'. Verschillende profeten kondigen deze dag aan. Amos profeteert: Wee dien, die des HEEREN dag begeren! Waartoe zat ulieden de dag des HEEREN zijn? Hij zal duisternis wezen en geen licht (Amos 5: 18). Ook Zefanja waarschuwt het volk voor de dag des HEEREN. Het zal een dag van toorn zijn. De grote dag des HEEREN is nabij, hij is nabij en zeer haastende; de stem van de dag des HEEREN; [...] die dag zal een dag der verbolgenheid zijn; een dag der benauwdheid en des angstes, een dag der woestheid en verwoesting, een dag der duisternis en der donkerheid, een dag der wolk en der dikke donkerheid (Zefanja 1: 14-15). Na deze ernstige waarschuwing roept Zefanja het volk op om zich te bekeren, voordat deze dag komt.

Naast allerlei algemene thema's heb ben profeten ook vaak eigen accenten in hun profetieën, die alleen bij hen zo nadrukkelijk naar voren komen. Bij Jesaja ligt bijvoorbeeld een groot accent op de heiligheid van God, terwijl bij Hosea de nadruk ligt op de liefde van God. In de profetieën van Ezechiël is duidelijk te merken dat hij een priester is. Veel profeteert hij over de tempel en over het heilige en onheilige.

Elke profeet profeteert Gods Woord, maar elke profeet profeteert in zijn eigen tijd, door zijn eigen persoon en in zijn eigen omstandigheden. Juist doordat God door mensen spreekt, kan de boodschap van de HEERE in elke tijd gehoord en begrepen worden.

In de heilsprediking nemen de Messiaanse profetieën een belangrijke plaats in. Naast profetieën zijn er ook mensen die een type zijn van de komende Christus. Zo worden een koning en een priester en soms een profeet (1 Koningen 19: 16) gezalfd tot hun taak. En evenals de koning, de priester en de profeet gezalfd zijn, zou ook de komende Verlosser gezalfd worden door God Zelf om Zijn werk te verrichten.

De profetieën in het Oude Testament over de Messias kenmerken zich door verwachting van de komende Messias, luist als het voorbij lijkt te zijn voor het huis van David zal er een rijsje komen uit de afgehouwen tronk van Isaï (Jesaja iv. 1). De oorsprong van de Messiaanse profetieën ligt in het paradijs, waar God beloofd heeft, dat Hij de mens niet aan zijn lot zal overlaten. God Zelf zal het voor de gevallen mens opnemen en een middel tot bekering geven (Genesis 3: 15).

Vervulling

De vervulling van een profetie is vaak onder te verdelen in verschillende lagen. Profetieën over verlossing gaan dan in eerste instantie over verlossing van vijanden. Daarnaast kunnen ze echter ook wijzen op verlossing uit de macht van de zonde. Ook kunnen ze heenwijzen naar de uiteindelijke verlossing op de jongste dag. De vervulling van profetieën is onder te verdelen in zes lagen. Niet elke profetie kent in elke laag een vervulling, maar vaak kent een profetie meer dan één vervulling. Dit wordt ook wel 'meervoudige vervulling' genoemd.

• Een profetie wordt doorgaans 'concreet-historisch' vervuld. Dat betekent dat een profetie vervuld wordt in de periode waarin de profeet leefde. Een bekend voorbeeld hiervan is dat Israël en Juda terug zullen keren uit de ballingschap. Jeremia heeft daarover een profetie uitgesproken in jeremia 25: 11 en 12: na zeventig jaren zal het volk weer uit de ballingschap terugkeren.

• Daarnaast kan een profetie ook 'christologisch' of 'typologisch' vervuld worden. Van zo'n vervulling is sprake als een profetie in de tijd van Christus (opnieuw) vervuld wordt. Zo is de profetie van Jeremia over het geween in Rama vervuld in de tijd van de ballingschap, maar wordt deze opnieuw en dieper vervuld in de kindermoord in Bethlehem (vergelijk Jeremia 31: 15-17 en Mattheüs 2: 16-18).

• Verder zijn er profetieën die niet alleen betrekking op Israël hebben, maar ook op de gemeente van Christus in het Nieuwe Testament. Zo betrekt Paulus in 2 Korinthe 6: 17 een profetie van Jesaja op de gemeente in het Nieuwe Testament.

• Veel profetieën uit het Oude Testament met een oproep tot bekering en een belofte van heil kunnen ook 'persoonlijk-geestelijk' toegepast worden. Zoals de dorre doodsbeenderen in Ezechiel 37 tot leven komen, zo zullen ook dode zondaren door de kracht van Gods Geest tot leven gewekt worden.

• Andere profetieën kennen een diepere vervulling in de eindtijd. Deze profetieën hebben iets eschatologisch en apocalyptisch, ofwel ze gaan over de dingen die betrekking hebben op het einde van de wereld en het laatste oordeel. Ezechiel profeteert over de Gog en de Magog (Ezechiel 38 en 39), maar ook in de Openbaring komen de Gog en de Magog naar voren. Het zijn de anti-christelijke machten die in de eindtijd veel macht hebben, maar vernietigd zullen worden.

• Tenslotte zij» er profetieën die hun uiteindelijke vervulling krijgen op de jongste dag en in de eeuwige heerlijkheid. Zo breekt het jaar van het welbehagen des HEEREN (Jesaja 61: 2) aan wanneer Christus op aarde komt, maar zal pas geheel vervuld zijn bij Christus wederkomst, als Gods kinderen de hemel zullen ingaan.

Ware en valse profetie

Naast profeten van de HEERE komen er in het Oude Testament ook valse profeten voor, die de HEERE niet gezonden heeft. Hoe is het duidelijk welke profeet de woorden van de HEERE spreekt en welke profeet niet? God geeft hier Zelf een regel voor in Deuteronomium 18: 21-22: Zo gij dan in uw hart zoudt mogen zeggen: Hoe zullen wij het woord kennen dat de HEERE niet gesproken heeft? Wanneer die profeet in de Naam des HEEREN zal hebben gesproken, en dat woord geschiedt niet, en komt niet; dat is het woord, dat de HEERE niet gesproken heeft; door trotsheid heeft die profeet dat gesproken; gij zult voor hem niet vrezen.

De vervulling van een profetie bepaalt dus of die profetie van de HEERE was of niet. Van profetieën die op korte termijn vervuld werden kon gemakkelijk gezien worden of ze van de HEERE kwamen. Moeilijker ligt het met profetieën die iets voorzeggen, wat pas over vele jaren vervuld wordt. Algemeen is te zeggen dat valse profeten Gods heil op verkeerde gronden verkondigen en deze prediking niet gepaard laten gaan van de ernstige oproep tot bekering. Ze spreken lichtvaardig van vrede en verkondigen niet de boodschap van genade in de weg van het recht. Ze verkondigen hun eigen woord en staven hun hoorders in hun valse rust. De heilsboodschap van de valse profeten loopt op niets uit. Maar de boodschap van de lange rij profeten voor de ballingschap die het oordeel hebben verkondigd, komt uit bij de Messias.

In het Oude Testament komen twee soorten valse profeten voor. In de eerste plaats zijn er de profeten van de afgoden. Veel volken rondom Israël hadden profeten die de boodschap van hun goden aan die volken doorgaven. Deze profeten komen echter ook in Israël voor. Bekend zijn de profeten van Baal, die vooral in de tijd van Achab en Izebel een grote invloed hebben. In 1 Koningen 18 is te lezen hoe Elia op de Karmel strijdt tegen deze profeten. De strijd tussen de profeten gaat niet zozeer om de profeten, maar om wie de ware God is. Wanneer de HEERE het gebed van Elia heeft beantwoord en Baal blijft zwijgen roept het volk uit: De HEERE is God, de HEERE is God! Dan worden de valse profeten van Baal gegrepen en gedood.

Naast de profeten van andere goden zijn er ook profeten die zeggen dat ze hun boodschap van de HEERE hebben gekregen, maar ondertussen profeteren om er zelf beter van te worden. Wanneer Achab en Josafat besluiten om samen te gaan strijden tegen de Syriërs wil Josafat door een profeet het woord van de HEERE horen. Achab liet rond de vierhonderd profeten komen, die allen zeiden dat ze moesten gaan strijden, omdat de HEERE de vijanden in de hand van de koning zal geven. Josafat heeft echter door dat het geen echte profeten van de HEERE zijn en vraagt of er nog een profeet van de HEERE is. Er blijkt nog een profeet te zijn: Micha, de zoon van Jimla. Al is Achab daar niet zo op gesteld, toch laat hij hem op aandringen van Josafat halen. Onderweg raadt de bode van de koning hem aan om goed over de koning te profeteren. Micha weigert echter en zegt dat hij niet anders dan het woord van de HEERE zal spreken. Hij laat zien dat de HEERE Achab door leugengeesten zal verleiden om te gaan strijden en dat Achab in die strijd gedood zal worden. Micha's profetie komt uit en Achab wordt, hoewel hij zich vermomd had, gedood (1 Koningen 22).

Op meerdere plaatsen in de Bijbel lezen we over zulke profeten die de koning gunstig proberen te stemmen door hun profetie. Maar de profeten van de HEERE letten daar niet op, zij geven slechts het woord van de HEERE door. Ware profeten profeteren ook tegen de valse profeten. Ze laten zien dat ze door de HEERE geroepen zijn en anders zijn dan deze valse profeten. Voorbeelden hiervan zijn te vinden in Jeremia 23, 27 en 28.


Groepen profeten

Naast individuele profeten is er in de Bijbel ook sprake van groepen profeten. Saul ontmoette een groep profeten toen hij van Samuël op weg naar huis was. Hij profeteerde met deze groep (1 Samuël 10). In Rama was een groep profeten waar David mee in aanraking kwam op zijn vlucht voor Saul (1 Samuël 19: 20). Obadja verborg een groep van vijftig profeten in een spelonk (1 Koningen 18:13) en in de tijd van Elisa waren er groepen profeten in Bethel (2 Koningen 2: 3), Jericho (2 Koningen 2: 5) en Gilgal (2 Koningen 4:18). Wanneer in de Bijbel sprake is van 'zonen der profeten', betekent dat dat ze behoorden tot de profeten. Soms spreekt men wel over 'profetenscholen'. Maar zulke scholen bestonden niet. In de Bijbel worden ze nergens genoemd. Profeten kregen ook geen opleiding, maar werden direct door de HEERE geroepen en moesten rechtstreeks Gods boodschap verkondigen. Wel kan het woord profetenschool wijzen op een groep profeten, zoals er ook over een school vissen gesproken wordt.

Vaak leefden de profeten in gemeenschappen. Zulke gemeenschappen waren er onder andere in Bethel, Jericho, Gilgal en Rama. Aan het hoofd van zo'n gemeenschap stond een leider. Samuël trad op als leider van de profeten in Rama en Elia en Elisa waren leiders van de groepsprofeten in hun dagen.

In de loop van de tijd sloten allerlei mensen zich bij deze gemeenschappen aan. Vaak alleen om materieel voordeel, zonder dat God hen geroepen had. De profeten in groepen leefden vaak van giften (vergelijk 2 Koningen 4: 42).

Achab had waarschijnlijk een groep profeten in dienst, die alleen profeteerden wat hij wilde horen. Amos weigerde nadrukkelijk om tot deze groepsprofeten gerekend te worden.

Amazia, priester in Bethel, stuurde Amos, die uit Juda (Tekoa) kwam, weg en zei: Gij ziener, ga weg, vlied in het land van Juda; en eet aldaar brood en profeteer aldaar (Amos 7:12). Amos antwoordde hierop: Ik was geen profeet, en ik was geen profetenzoon, maar ik was een osseherder en las wilde vijgen af (Amos 7: 14). Amos wil hiermee zeggen dat hij niet behoort tot die profeten, die om hun brood profeteren. Amos kan in zijn eigen onderhoud voorzien als veehoeder en vijgenkweker. 

Dit artikel werd u aangeboden door: Jeugdbond Gereformeerde Gemeenten

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 2007

AanZet | 84 Pagina's

1. Oude Testament

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 2007

AanZet | 84 Pagina's