Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

2. Zonde en straf

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

2. Zonde en straf

16 minuten leestijd

Eerst krijgt Ezechiel de opdracht om te zwijgen tegen zijn volksgenoten in Babel (Ezechiël 3: 26). Ze zijn opstandig en willen niet naar zijn woorden luisteren. Maar het huis Israëls wil naar u niet horen, omdat zij naar Mij niet willen horen; want het ganse huis Israëls is stijf van voorhoofd, en hard van hart zijn zij (Ezchiël 3: 7). Daarom moet Ezechiël in symbolische handelingen gaan duidelijk maken wat de Heere hen te zeggen heeft.

Ezechiël moet bijvoorbeeld een tichelsteen, een kleitegel die nog niet hard geworden is, nemen (hoofdstuk 4). Daarop moet hij de stad Jeruzalem tekenen. Daarna moet hij er een stormwal omheen tekenen, een legerkamp, belegeringstorens en stormrammen, leruzalem wordt een belegerde stad. En tussen hem en die belegerde stad moet Ezechiël een ijzeren pan zetten, als een ijzeren muur. God is vastbesloten Jeruzalem te verwoesten, omdat Israël het verbond met Hem verbroken heeft. Doch zij heeft Mijn rechten veranderd in goddeloosheid, meer dan de heidenen, en Mijn inzettingen meer dan de landen die rondom haar zijn; want zij hebben Mijn rechten verworpen en in Mijn inzettingen hebben zij niet gewandeld (Ezechiël 5: 6). Het volk offert op de hoogten, vereert beelden en offert zelfs kinderen (hoofdstuk 16). Ook ontreinigen ze de tempel (hoofdstuk 8) en wordt de Sabbat ontheiligd (hoofdstuk 20).

Dan krijgt Ezechiël een zware opdracht. Meer dan een jaar moet hij op zijn zij gaan liggen om de zonden van Israël en Juda te dragen. Hij mag maar weinig eten en drinken. Hij mag een brood bakken om er drie keer per dag een stukje van te eten. Hij mag maar één liter water per dag drinken. En verder moet hij dag en nacht liggen. Liggen, zwijgen en met zijn rechterarm naar het belegerde Jeruzalem wijzen. Zo lang liggen op één zij moet ondraaglijk pijn hebben gedaan. Ezechiël lijdt onder de zware straf die hij moet aanzeggen: belegering van Jeruzalem en wegvoering naar Babel.

De allerzwaarste opdracht krijgt Ezechiël als de Heere zijn vrouw, de 'lust van zijn ogen', wegneemt (Ezechiël 24:16-18). Ze sterft plotseling, waarschijnlijk aan een hersenbloeding, maar Ezechiël mag niet hardop over haar rouwklagen. Hij mag niet huilen om haar dood. Hij mag wel verdrietig zijn, maar het niet tonen. De mensen om Ezechiël heen vragen: "Waarom doe je dit allemaal?" Hij antwoordt, dat de Heere hem gezegd heeft dat, zoals zijn vrouw is weggenomen, Jeruzalem, de 'lust van hun ogen', zal worden verwoest. En dan zullen de ballingen in Babel niet rouwklagen, maar zwijgend zuchten onder Gods toorn (vers 23). Ezechiël moet nog een symbolische handeling uitvoeren. Hij moet met een

Ezechiël moet nog een symbolische handeling uitvoeren. Hij moet met een scherp mes zijn hoofdhaar en zijn baard afsnijden. Dit haar moet hij op een weegschaal wegen en het in drie gelijke delen verdelen. Het eerste deel moet Ezechiël met vuur verbranden in het midden van de stad op de kleitegel. De haren hebben hier de betekenis van 'inwoners van Jeruzalem'. Zij zullen sterven in de stad, door de honger en door het zwaard. Het tweede deel van de haren moet Ezechiël om de tegel heen strooien en er met een zwaard op slaan. De mensen die uit Jeruzalem vluchten nadat de stad ingenomen is, zullen ook achtervolgd worden door het zwaar van de vijand. Het derde deel moet hij uitstrooien in de wind. De verstrooide haren laten zien dat een deel zal worden weggevoerd in ballingschap. Een paar haren moet hij in de slip van zijn mantel verbergen en uiteindelijk moet hij daarvan er ook nog een aantal verbranden. Er zal maar een heel klein deel overblijven van de inwoners van Jeruzalem (Ezechiël 5: 1-4).

Later moet Ezechiël wél gaan spreken. Zo zegt de Heere HEERE: Sla met uw hand en stamp met uw voet en zeg: Wee, over alle gruwelen der boosheden van het huis Israëls; want zij zullen door het zwaard, door den honger en door de pestilentie vallen (Ezechiël 6: 11).

Afgoderij in de tempel

In hoofdstuk 8 tot en met 11 beschrijft Ezechiël nog een visioen. In hoofdstuk 8 voert de Heilige Geest Ezechiël naar Jeruzalem. Door de Noorderpoort gaat hij de tempel binnen. De Heere laat Ezechiël de tempel zien door Zijn ogen. Achter de schone schijn gaat allerlei gruwelijke afgoderij schuil. Mensenkind, ziet gij wel wat zij doen, de grote gruwelen die het huis Israëls hier doet, opdat ik van Mijn heiligdom verre wegga? (vers 6) Ezechiël moet een gat in een muur graven. Als hij dat gedaan heeft, ziet hij een geheime deur. Wanneer hij door de deur gaat, komt hij in een tempelkamer, waar mannen bidden en wierook branden voor allerlei op de muur geschilderde goden: kruipende dieren en verfoeilijke beesten en alle drekgoden van het huis Israëls (vers 10). Op de muur van de tempel staan hagedissen, krokodillen, slangen, kikvorsen; allemaal Egyptische goden die door zeventig oudsten van het volk worden vereerd. Mannen die Ezechiël kent, die de leiders zijn van het volk, blijken de Heere niet te vrezen.

Bij de poort van de tempel ziet Ezechiël nog meer afgodendienst. Er zijn vrouwen die de Tammuz bewenen (vers 14). Deze Tammuz was een graangod. Wanneer het graan geoogst werd, treurden de vrouwen om zijn dood door de sikkel. In het voorjaar, wanneer het graan weer opkwam, dan werd hij weer tot leven gebracht en hield men vrolijke feesten. De Heere laat Ezechiël nog meer gruwelen zien.Vijfentwintig mannen liggen op hun aangezicht, met hun rug naar het Heilige der Heiligen. Ze aanbidden de zon.

"Mensenkind, zie je wat het huis van Israël doet, in het donker en in de geheime beschilderde vertrekken?" vraagt de Heere Ezechiël. Want zij zeggen: De Heere ziet ons niet, de Heere heeft het land verlaten (vers 12).

De heere verlaat de tempel en jeruzalem

De Heere is een jaloers God; de eer die de afgoden gebracht wordt, komt Hem toe. Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben, zegt Hij in het eerste gebod (Exodus 20: 3). Daarom gaat Hij de tempel verlaten en laat Hij zien dat Hij de zonden gaat straffen (hoofdstuk 9). Daarom zal ik ook handelen in Mijn grimmigheid; Mijn oog zal niet verschonen en Ik zal niet sparen (vers 18). Ezechiël, die in een visioen in de voorhof staat, ziet zeven mannen aan komen lopen. Drie mannen lopen rechts en drie lopen er links van een Man die een linnen kleed draagt. De zes mannen dragen een verpletterend wapen. Zij duiden op de Babyloniërs die straks Gods oordeel werkelijk zullen uitvoeren. De Man met het linnen priesterkleed heeft een inktkoker bij zich (vers 1 en 2). Hij gaat door de stad en tekent een teken op de voorhoofden van degenen die zuchten en uitroepen over al de gruwelen die in de stad gedaan worden (vers 4). Deze Man verbeeldt de Heere Jezus Christus. Hij kent degenen die Hij vrijgekocht heeft en zet ze apart door een teken op hun voorhoofd te zetten. Hiervoor heeft Hij opdracht gekregen van God, die Ezechiël de heerlijkheid van den God Israëls noemt. De God van Israël, die in Zijn huis tussen de cherubs woont, verheft zich dan en komt naar de drempel van de tempel (vers 3). De andere mannen beveelt God nu door de straten te gaan en iedereen te doden die het teken niet op het voorhoofd heeft: oude mensen, jongeren, vrouwen en kinderen. Maar eerst gaan ze de tempel door, want ze moeten beginnen bij de vijfentwintig mannen die de zon aanbidden op de voorhof en doden vervolgens de zeventig oudsten in de geheime kamer. God neemt de zonden van de mensen die het zo goed wisten zwaar op. Daarom laat Hij het oordeel beginnen in Zijn eigen huis. Ezechiël valt ontzet op zijn gezicht en roept: Ach Heere HEERE, zult Gij al het

Ezechiël valt ontzet op zijn gezicht en roept: Ach Heere HEERE, zult Gij al het overblijfsel Israëls verderven met Uw grimmigheid uit te gieten over jeruzalem? (vers 8) Het lijkt voor Ezechiël alsof er niemand meer overgebleven is, alsof alle inwoners door de Babyloniërs zijn gedood. Op deze manier laat de Heere Ezechiël zien, dat een groot oordeel boven het volk Israël hangt, terwijl niemand er bang voor is.

De grote troonwagen, gedragen door de vier wezens of engelen, die Ezechiel in zijn eerste visioen zag, ziet Ezechiel nu ook bij de tempel. De Man met het linnen kleed moet tussen de wielen brandende kolen pakken en over de stad strooien. Behalve door het zwaard, de honger en de pest, zal Jeruzalem ook door vuur vergaan.

Dan verheft de heerlijkheid van de Heere zich en gaat over de drempel. De Heere verlaat de tempel en laat een donkere wolk achter. De voorhof is nu juist vol van Zijn heerlijkheid en glans. Het lijkt alsof de Heere aarzelt om Zijn huis te verlaten. De wolk waarin Hij vertrekt blijft steeds even hangen. Dan wordt het geruis van de vleugels van de engelen gehoord en verlaat de Heere ook het tempelplein (Ezechiël 10: 4 en 5). Hij gaat naar de engelen met de troonwagen, die hun vleugels verheffen en opstijgen op van de aarde (Ezechiël 11: 19). De tempel, die zo verontreinigd is, zal verwoest worden. God verlaat Zijn volk (Ezechiël 11: 23). Het staat niet meer onder bescherming van Zijn engelen. Jeruzalem hangt een zwaar oordeel boven het hoofd.

Ezechiël wordt door de Geest opgenomen en terug gebracht naar het volk in Babel. En ik sprak tot de gevankelijk weggevoerden al de woorden des HEEREN, die Hij mij had doen zien (Ezechiël 11: 25).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 2007

AanZet | 84 Pagina's

2. Zonde en straf

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 2007

AanZet | 84 Pagina's

PDF Bekijken