Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

3. Verantwoordelijkheid en vrijmacht

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

3. Verantwoordelijkheid en vrijmacht

19 minuten leestijd

Persoonlijke verantwoordelijkheid

Wanneer ouders het niet zo nauw nemen met de dienst van de Heere en Zijn geboden, zie je vaak dat hun kinderen verder ervan afglijden. En de kinderen van die kinderen zullen er vaak nog minder mee hebben. Soms zie je ook heel direct de gevolgen van de zonden van ouders in het leven van kinderen. Bijvoorbeeld wanneer een kind een handicap overhoudt aan een verslaving van een vader of moeder.

In Exodus 20: 5 heeft de Heere in Zijn wet gezegd, dat Hij zonden van de vaders aan de kinderen zal 'bezoeken' tot in het derde en vierde geslacht. Dat is voor westerse mensen van nu, die een individualistische kijk op de dingen hebben, moeilijk te begrijpen. De Bijbel ziet de mens echter altijd als mens-in-gemeenschap, in samenhang met het voorgeslacht, nageslacht en tijdgenoten. Anders gezegd: de mensheid is geen bak met zandkorrels, maar een boom met wortels en takken. Als er een deel van de boom ziek is, wordt dat deel eruit gekapt. God straft de zonden van bijvoorbeeld een land of van vorige geslachten.

In Israël was er een spreekwoord bekend dat dit uitbeeldde: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en de tanden der kinderen zijn stomp geworden (Jeremia 31 : 29). Het volk gebruikt dit nu om hun schuld af te schuiven (hoofdstuk 18). Ze zeggen daarmee tegen God dat de ellende die hen nu overkomt, door het onverantwoordelijke gedrag van hun voorvaders is veroorzaakt. De 'kinderen' waartegen Ezechiël profeteert, zijn echter géén onschuldige en beklagenswaardig slachtoffers. Wanneer ze zeggen De weg des Heeren is niet recht, antwoordt de Heere hen: Hoort nu, o huis israëis, is Mijn weg niet recht? Zijn niet üw wegen onrecht? (vers 25). En nog sterker wordt de verantwoordelijkheid van het individu beklemtoond, wanneer Ezechiël in de naam van de Heere zegt: Hoe komen jullie erbij dat spreekwoord te gebruiken? Vanaf nu is het verboden dit spreekwoord te gebruiken, want de ziel die zondigt, dfe zal sterven (vers 4).

Wanneer iemand rechtvaardig is, zal hij leven (vers 5-9), wanneer zijn zoon een goddeloze is, zal deze sterven (vers 10-13) en wanneer zijn zoon weer een rechtvaardige is, zal hij leven (vers 14-17). Ieders lot wordt dus bepaald naar zijn eigen gedrag (vers 18-20). Hier voegt de profeet nog aan toe, dat ook in ieders persoonlijk leven het lot niet beslist wordt door zijn vroeger, maar door zijn tegenwoordig gedrag. De goddeloze die zich bekeert, zal leven. Zou ik enigszins lust hebben aan de dood van de goddeloze? spreekt de Heere HEERE; is het niet, als hij zich bekeert van zijn wegen, dat hij leve? (vers 23). Ze worden daarom opgeroepen om zich te bekeren: Werpt van u weg al uw overtredingen, waardoor gij overtreden hebt, en maakt u een nieuw hart en een nieuwe geest; want waarom zou gij sterven, o huis Israëls? (vers 32).

Ook in hoofdstuk 14 (vanaf vers 12) komt de persoonlijke verantwoordelijkheid naar voren. Om de zware zonde van het volk, zal de Heere oorlog, hongersnood, wilde dieren en de pest over het land laten komen. Stel nu dat in Jeruzalem nog rechtvaardige mensen zouden leven, zou Hij dan de stad en het land sparen? Als Noach, Daniël en Job, van wie de vroomheid spreekwoordelijk was, zich nu tegelijkertijd in Jeruzalem zouden bevinden, zou Hij Zijn oordeel dan uitstellen zoals bij Ninevé? Die vraag roept de Heere op in dit hoofdstuk en Hij beantwoordt hem ook zelf: Ofschoon Noach, Daniël en job, inwoordt hem ook zelf: Ofschoon Noach, Daniël en job, in het midden van hetzelve [land] ware, zo waarachtig als ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij een zoon of zo zij een dochter zouden bevrijden! Zij zouden alleen hun ziel door hun gerechtigheid bevrijden (vers 20). Zelfs Noach, Daniël en Job zouden dus door hun gerechtigheid niet het dreigend oordeel kunnen afwenden. Alleen hun eigen ziel zou uit het oordeel gered worden, maar hun kinderen zouden ze niet kunnen bewaren. De kinderen van deze gelovigen zijn in het verbond opgenomen en God stuwt Zijn verkiezende genade door de bedding van het uitwendige verbond. Maar het verbond sluit persoonlijke verantwoordelijkheid niet uit! Noach kon zijn kind Cham niet redden van de vloek. Job kon zijn eigen kinderen niet bewaren. Zolang iemand niet persoonlijk een kind van God is, kan het verbond hem niet redden. Net zo min als het hebben van bekeerde ouders en het feit dat hij besneden of gedoopt is dat kunnen. God is trouw aan Zijn verbond, maar Jezus sprak ook: ik zeg u: In die nacht zullen twee op één bed zijn: de een zal aangenomen worden en de ander zal verlaten worden (Lukas 17: 34).

Gods vrijmacht in oordeel en behoud

De Heere openbaart zich in dit bijbelboek in Zijn heiligheid, Hij is de Heilige. Het volk Israël heeft de heilige naam van hun eigen God verontreinigd onder de heidenen (Ezechiël 20: 39). Om Zijn eigen heilige Naam gaat Hij ook oordelen, niet in de eerste plaats om te straffen. Om Zijn eigen heilig Naam kan Hij ook behouden. Dat is Zijn vrijmacht. Hij is vrij om te doen en te laten wat Hij wil. De HEERE God is, met andere woorden, soeverein. (Zie ook Efeze 1, met name vers 4 en 9). Dat is een steeds terugkerend refrein in het boek Ezechiël.

De naam van de HEERE, die ook bekend geworden is onder de volken, is aangetast door Israëls zonde. Daarom gaat Hij om Zijn eigen naam en om Zijn rechtvaardigheid de zonde van Zijn volk straffen. Zo zal de smaadheid en de hoon een onderwijs en ontzetting voor de heidenen zijn, die rondom u zijn, wanneer Ik over u gerichten in toorn en in grimmigheid, en in grimmige straffen oefenen zal; Ik, de HEERE heb het gesproken (Ezechiël 5: 15). Jeruzalem wordt in het jaar 586 voor Christus verwoest en het volk wordt weggevoerd.

Maar de omliggende, vijandige volken gaat de Heere ook niet voorbij. Zij spotten met het volk Israël en ontheiligen de naam van hun God. Ze zeggen: Deze zijn het volk des HEEREN en zijn uit Zijn land uitgegaan (Ezechiël 36: 20). De Heere laat echter niet toe dat er met het kind dat Hij gestraft heeft, gespot wordt. Het blijft Zijn kind en Zijn naam blijft aan dat kind verbonden. Daarom spreekt Hij oordelen uit over Ammon, Moab, Edom en de Filistijnen, over Tyrus, Sidon en Egypte. Over Sidon zegt de Heere: Ik zal in het midden van u verheerlijkt worden; en zij zullen weten dat Ik de Heere ben, als ik gerichten in haar zal hebben geoefend, en in haar geheiligd zal zijn (Ezechiël 28: 22). Tyrus heeft leedvermaak omdat Jeruzalem is gevallen en Israël is weggevoerd en denkt er zelf winst uit te kunnen slaan. Ha! zij is verbroken, de poort der volken (Ezechiël 26: 2) Bovendien heeft de koning van Tyrus trots gezegd: "Ik ben God, ik zit in Gods stoel in het hart van de zeeën" (hoofdstuk 28). Daarom gaat de Heere Tyrus verwoesten en wordt er een klaaglied over het land gezongen (hoofdstuk 27). In het Hebreeuws zie je dat dit echt een lied of gedicht is. Het ziet er dan ongeveer zo uit:

O Tyrus, u zegt: "Een schip ben ik, volmaakt van schoonheid",

in het hart van de zee maakten uw bouwers u groot,

volmaakten zij uw schoonheid.

Cederen van de Libanon namen zij om een mast te maken.

Uit de hoogste van 8asans eiken maakten zij u roeiriemen.

Fijn, bewerkt lijnwaad uit Egypte was uw doek,

om u als zeil te dienen.

De schepen van Tarsis zongen van u

vanwege de onderlinge koophandel.

Tyrus wordt afgebeeld als een prachtig, sterk schip. Koophandel wordt bedreven met Syrië, Israël, met kooplui van Scheba, enzovoort. De roeiers, die om hun bekwaamheid bekend staan, brengen het schip zelfs naar open zee. En daar op open zee, doet de oostenwind het schip vergaan.

Uw goederen en artikelen en waren,

uw zeelieden en schippers,

uw scheepstimmerlieden en handelaren,

en al uw soldaten, die op u zijn

en de hele schare, die in u is,

ze vallen in volle zee ten dage van uw val.

De trotse 'Tyrus' vergaat met man en muis, en het geschreeuw van zijn schippers doet de kuststeden beven (27: 28). Alle inwoners der eilanden zijn over u ontzet, en hun koningen staan de haren te berge, zij zijn verbaasd van aangezicht. De handelaars onder de volken fluiten u aan; gij zijt een grote schrik geworden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid (Ezechiël 27: 35 en 36). De Heere zal Zijn naam ook handhaven door verlossing. De heiligheid, de God

De Heere zal Zijn naam ook handhaven door verlossing. De heiligheid, de Goddelijke onaantastbaarheid van Zijn eigen naam, is er de oorzaak van dat Hij Israël ook zal behouden en weer zal opzoeken. Tegen het volk zegt Hij: Wanneer jullie teruggebracht zullen zijn uit de ballingschap, zo zult gij weten dat Ik de HEERE ben, als Ik met u gedaan zal hebben om Mijns Naams wil, niet naar uw boze wegen, noch naar uw verdorven handelingen, 0 huis Israëls, spreekt de Heere HEERE (Ezechiël 20: 42). De Heere zoekt Israël weer op, zoals Hij Zijn

De Heere zoekt Israël weer op, zoals Hij Zijn volk de eerste keer opzocht (hoofdstuk 16). Die keer wordt vergeleken met het vinden van een baby die net geboren, maar duidelijk ongewenst is. Het kind is zomaar achtergelaten op het open veld, de navelstreng is niet eens afgeknipt. Niemand heeft er medelijden mee en het zal zo snel sterven. Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zeide tot u in uw bloed: Leef; ja, Ik zeide tot u in uw bloed: Leef (vers 6). De Heere ontfermt Zich over de baby. Het kind wordt gewassen en gezalfd met

De Heere ontfermt Zich over de baby. Het kind wordt gewassen en gezalfd met olie. Hij neemt het aan als een vondeling en verzorgt het als een kind. Het krijgt prachtige kleding aan en sieraden. Later staat het meisje bekend onder de omringende volken om haar schoonheid. De liefde voor Zijn volk komt helemaal van de kant van de Heere, want die schoonheid was volmaakt door Mijn heerlijkheid, die Ik op u gelegd had (vers 14). De Heere heeft het volk dus met heerlijkheid bekleed, terwijl het gevonden kindje 'walgelijk' was. Als het volk - dat ook vergeleken wordt met een bruid - later de trouw van die God beschaamt door het als het ware met andere mannen te houden (de afgoden), dan zegt Hij: Mensenkind, maak Jeruzalem haar gruwelen bekend (vers 2) Het volk weet tegen welke liefde ze gezondigd heeft en waarom het gestraft wordt. En ondanks dit alles, zegt de Heere weer: Ik zal ulieden vergaderen uit de volken, en Ik zal u verzamelen uit de landen, waarin gij verstrooid zijt, en Ik zal u het land Israëls geven. En Ik zal hun enerlei hart geven, en zal een nieuwe geest in het binnenste van u geven, en Ik zal het stenen hart wegnemen en zal hun een vlezen hart geven (Ezechiël 11: 17 en 19).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 2007

AanZet | 84 Pagina's

3. Verantwoordelijkheid en vrijmacht

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 2007

AanZet | 84 Pagina's

PDF Bekijken