Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

3. Ik hield wacht om te zien

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

3. Ik hield wacht om te zien

13 minuten leestijd

Hoort God het gebed wel? Die opleiding, die zo mooi leek, maar te moeilijk bleek. Die sollicitatie, die wel wat leek te worden, maar toch op niets uit liep. Die jongen, die zo aardig was, of dat meisje, dat verkering kreeg met iemand anders. En die ziekte die al zolang duurt... Zo maar een paar voorbeelden van onverhoorde gebeden. Habakuk worstelde daar ook mee. In dit hoofdstuk wordt stilgestaan bij de tekst Habakuk 2: 1. Ik stond op mijn wacht, en ik stelde mij op de sterkte, en ik hield wacht om te zien, wat Hij in mij spreken zou, en wat ik antwoorden zou op mijn bestraffing. Waarom wachtte Habakuk op antwoord? Waarom lijkt de Heere het gebed soms - of misschien wel: vaak - niet te verhoren?

Uitkijktoren

Habakuk gebruikt het beeld van een wachter op een toren.

In het Midden-Oosten was het gebruikelijk dat steden één of meerdere torens hadden. Een grote stad had uitkijktorens en verdedigingstorens. In het Oude Testament gaat het meestal om een verdedigingstoren. Een goed voorbeeld hiervan is de toren in de geschiedenis van Abimelech (Richteren 9). Doch er was een sterke toren in het midden der stad; zo vloden daarheen al de mannen en de vrouwen, en alle ch toe; en zij klommen op het dak des burgers van de stad, en sloten voor zich toe; en zij klommen op het dak des torens (vers 51). Het gaat hier om een soort hoge vesting van een behoorlijke omvang: alle burgers van de stad konden in de toren. Zo'n verdedigingstoren bood niet alleen beschutting tegen een aanval bood niet alleen beschutting tegen een aanval van buiten, maar kon ook gebruikt worden om die aanval af te slaan. Ook dat blijkt uit de geschiedenis van Abimelech: Toen kwam Abimelech tot aan den toren, en bestormde dien; en hij genaakte tot aan de deur des torens, om dien met vuur te verbranden. Maar een vrouw wierp een stuk van een molensteen op Abimelechs hoofd; en zij verpletterde zijn hersenpan (vers 52 en 53). In Psalm 61 wordt God vergeleken met zo'n verdedigingstoren. De profeet heeft het hier niet over zo'n verde

digingstoren, maar over een uitkijktoren. Een O een dikke muur die de vijand buiten moest houden. Rondtrekkende benden of vijandige legers konder in een tijd waarin snelle communicatiemiddelen ontbraken, plotseling een aanval doen. Daarom waren op de stadsmuren torens gebouwd om zulke vijanden vroegtijdig te kunnen signaleren. Jizreël was bijvoorbeeld zo'n stad met een toren (2 Koningen 9: 17). Vanuit de hoogte had de wachter een goed uitzicht over het gebied rondom de toren. Zo'n wachter keek goed naar ieder stofwolkje, ook al was het misschien nog zo klein. Want het kon het eerste teken zijn van de nadering van een grote troepenmacht. Iedere beweging wordt door de wachter gesignaleerd; hij staat als het ware 'op scherp'. In Psalm 130 wordt dat beeld ook gebruikt: Mijn ziel wacht op den HEERE, meer dan de wachters op den morgen; de wachters op den morgen (vers 6).

Verhoren

Habakuk twijfelt er niet aan of God zal antwoorden. Hij begeeft zich naar zijn toren en gaat daar staan wachten. Hij kijkt of hij iets ziet wat op een antwoord lijkt: Ik stond op mijn wacht, en ik stelde mij op de sterkte, en ik hield wacht om te zien, wat Hij in mij spreken zou, en wat ik antwoorden zou op mijn bestraffing. De betekenis van die laatste zinsnede is niet helemaal duidelijk. Misschien betekent het iets als: 'Wat zal ik antwoorden als ik bestraft word door degenen die mijn boodschap onplezierig vinden?' Een andere mogelijkheid is: 'Wat zal ik antwoorden als ik door God bestraft word voor wat ik heb gezegd?' Of misschien: 'Wat zal God zeggen als antwoord op mijn klacht?

Wat het precies betekent, blijft onduidelijk, maar belangrijker is dat Habakuk met zijn klacht bij God terecht komt. Hij wacht op antwoord van de Heere. Niet afwachtend: 'Misschien komt er een keer antwoord'. Maar verwachtend: ik hield wacht om te zien, wat Hij in mij spreken zou.

Het gebed is, zoals Luther het uitdrukte, "het ambacht van een christen." Een christen zonder gebed is ondenkbaar. En de Heere hoort elk gebed, ook al wordt niet ieder gebed verhoord. Soms geeft de Heere iets anders dan waarom gebeden is. Matthew Henry schrijft daarover: "Wanneer wij gebeden hebben en onze klachten en vragen voor God hebben uitgestort, dan moeten wij nauwkeurig letten op de antwoorden die God ons geeft door Zijn woorden, Zijn Geest en de leiding van Zijn voorzienigheid." God vervult niet alle gebeden en wensen, maar wel al Zijn beloften. Als de discipelen zich verbazen over de vijgeboom die zo snel is verdord, zegt de Heere Jezus: En al wat gij zult begeren in het gebed, gelovende, zult gij ontvangen (Mattheüs 21: 22). Dat is de sleutel van het geheim: En al wat gij zult begeren in het gebed, gelovende. Het geloof richt zich altijd op de beloften van God.

Messias

Habakuk wachtte op antwoord en krijgt dat ook als de Heere gaat spreken. Hij krijgt van de Heere de opdracht duidelijk zichtbaar op te schrijven: Ziet, zijn zieI verheft zich, zij is niet recht in hem; maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven (Habakuk 2: 4). Een bijzonder antwoord dat niet alleen wijst op de straf van de Chaldeeen, maar ook ver vooruit kijkt. Rechtvaardig door het geloof: pas eeuwen na Habakuk zou de Messias komen die gerechtigheid spreekt, Die machtig is te verlossen (Jesaja 63: 1). Maar, ondanks dat Christus nog niet geboren is, kijkt de profeet nu eigenlijk al vooruit naar het heil dat God in Christus geven zal (Romeinen 1: 17). Het gebed van Habakuk wordt verhoord om ]ezus' wil, niet om iets in de profeet zelf.

Guido de Brés wijst in artikel 26 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis op Hebreeën 4: 14-17. Dewijl wij dan een groten Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk jezus, den Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden. Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde. Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd. De Heere hoort en verhoort omdat Christus aan Zijn rechterhand bidt voor iedereen die door Hem tot God gaat (Hebreeën 7: 25).

Hoort God het gebed wel? Als die opleiding toch te moeilijk blijkt? Als die sollicitatie toch op niets uitloopt. Als die verkering niet doorgaat. Als die ziekte al zolang duurt... Habakuk leek daaraan te twijfelen, maar zijn gebed werd toch verhoord. Niet zoals Habakuk misschien wilde. Maar toch: juist in dat antwoord dat Habakuk kreeg, klonk ook het Evangelie. En ontving hij misschien nog wel meer dan waar hij om gevraagd had: zicht op het heil, op de Heiland (3: 18). God hoort het gebed. Dat is zeker. Niet ieder gebed wordt verhoord en veel van wat God doet blijft voor mensen onbegrijpelijk. Maar Hij vergist zich nooit. Misschien wil de Heere juist daardoor mensen iets leren van hun afhankelijkheid. Misschien wil Hij zo het gebed uit het 'Onze Vader' leren: Uw wil geschiede.

Dit artikel werd u aangeboden door: Jeugdbond Gereformeerde Gemeenten

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 2007

AanZet | 84 Pagina's

3. Ik hield wacht om te zien

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 2007

AanZet | 84 Pagina's