Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

1. Historische achtergrond

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

1. Historische achtergrond

34 minuten leestijd

Het Oude en Nieuwe Testament

Al in het Oude Testament komen geloofsbelijdenissen voor. Dit zijn meestal persoonlijke belijdenissen. Een voorbeeld hiervan is de bekende uitspraak van Ruth. Wanneer ze Naomi meedeelt dat ze niet in Moab kan achterblijven, zegt ze: Waar gij zult heengaan, zal ik ook heengaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten, uw volk is mijn volk en uw God mijn God. Waar gij zult sterven, zal ik sterven en aldaar zal ik begraven worden; alzo doe mij de HEERE en alzo doe Hij daartoe, zo niet de dood alleen zal scheiding maken tussen mij en tussen u (Ruth i: 16-17). Ruth belijdt dat de God van Naomi ook haar God is.

Daarnaast komen er belijdenissen voor die door heel Israël beleden worden, dus van een heel volk. Het bekendste voorbeeld hiervan staat in Deuteronomium 6: 4: Hoor Israël, de HEERE onze God is een enig HEERE. Dit is nog steeds de geloofsbelijdenis (het zo genoemde 'Sjema') van de Joden, waarmee ze verschillende keren op een dag hun geloof belijden. Vele Joden gingen de gaskamers van Auschwitz binnen met deze belijdenis op hun lippen.

Ook in het Nieuwe Testament komen geloofsbelijdenissen voor. Bekend is de belijdenis van Thomas: Mijn Heere en mijn God! (Johannes 20: 28). En ook de vader van de maanzieke jongen belijdt zijn geloof met de woorden: Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp (Markus 9: 24). Er zijn nog vele andere belijdenissen te vinden waarin mensen hun geloof belijden in Jezus Christus, de Zoon van God.

Een bijzonder voorbeeld uit het Nieuwe Testament is de kamerling uit Ethiopië (Morenland) die gedoopt wil worden. Voordat Filippus hem doopt, vraagt hij de kamerling eerst of hij van harte gelooft. De kamerling antwoordt dan: Ik geloof, dat jezus Christus de Zone Gods is (Handelingen 8: 37). Deze praktijk van het afleggen van belijdenis voor de doop wordt in de vroege kerk een vast gebruik. De formuleringen van de belijdenis bij de doop zijn in de loop van de tijd steeds meer uitgebreid. Zeer waarschijnlijk is de Apostolische Geloofsbelijdenis ook uit zo'n belijdenis, voorafgaand aan de doop, ontstaan.

Als we deze Nieuwtestamentische belijdenissen vergelijken met de belijdenissen uit het Oude Testament dan zien we een belangrijk verschil, namelijk dat men belijdt dat Jezus de in het Oude Testament beloofde Messias is. In de belijdenissen uit het Nieuwe Testament wordt vaak niet alleen God genoemd, maar ook de Zoon en de Heilige Geest.

Vaak hebben deze belijdenissen uit het Nieuwe Testament heel korte vormen zoals: Jezus is de Christus (vergelijk Johannes 9: 22) of: Jezus is Heere (vergelijk 1 Korinthe 12: 3; Filippenzen 2: 11) of: Jezus Christus is de Zoon van God (vergelijk Handelingen 8: 37; Hebreeën 4: 14). Dit zijn varianten op de allerkortste samenvatting van het Evangelie: Jezus is God.

Het gebeurt echter ook dat men een meer uitgebreide vorm gebruikt om het geloof te belijden. Vaak wordt dan een kernachtige samenvatting van het Evangelie door één van de apostelen gegeven (bijvoorbeeld Romeinen 1: 3-4). Soms wordt de belijdenis in de vorm van een lied doorgegeven en door de gemeente gezongen. Zo lijkt 1 Timotheüs 3: 16 een gedeelte van zo'n lied te zijn:

God is geopenbaard in het vlees,

is gerechtvaardigd in den Geest,

is gezien van de engelen,

is gepredikt onder de heidenen,

is geloofd in de wereld,

is opgenomen in heerlijkheid.

De vroege kerk

In de vroege kerk zijn er twee ontwikkelingen die er voor zorgen dat er belijdenissen ontstaan. Allereerst zijn er belijdenissen die vanuit de praktijk van catechisatie en doop gegroeid zijn. Wanneer heidenen tot het christendom willen overgaan, moeten ze eerst een aantal jaar catechisatie volgen.

Aan het einde van die periode worden ze (vaak in de paasnacht) gedoopt. Voordat ze worden gedoopt, wordt hen gevraagd om het geloof te belijden. Dit doen de dopelingen door het opzeggen van een bestaande belijdenis. De belijdenis krijgt in de loop van de tijd ook een steeds grotere plaats in het doorlopen van de catechese, als voorbereiding op de doop.

Daarnaast komen er belijdenissen tot stand om vast te leggen wat de zuivere leer is. Wanneer aan het eind van de eerste eeuw bijna alle apostelen gestorven zijn, ontstaat in de kerk de behoefte om de leer vast te leggen. Zodoende heeft men een vast criterium om te toetsen of iemand in de lijn van de apostelen preekt. Hoe verder men van de tijd van de apostelen komt, hoe meer discussies er komen over wat de ware leer is. In de eerste eeuwen zijn er drie grote vraagstukken die de kerk bezighouden:

ï. De plaats van Christus ten opzichte van God de Vader. Is Christus ondergeschikt of gelijk aan de Vader?

2. De twee naturen van Christus. Is Christus alleen God of is Hij ook mens? In hoeverre is Zijn God-zijn doorZijn mens-zijn beïnvloed en Zijn mens-zijn door Zijn God-zijn?

3. De plaats van de Heilige Geest ten opzichte van God de Vader en God de Zoon. Gaat de Heilige Geest alleen van God de Vader uit, of van God de Vader en God de Zoon?

De strijd om deze drie vragen vindt vooral plaats in de vierde en vijfde eeuw na Christus. De geloofsbelijdenissen uit die tijd weerspiegelen deze strijd en geven aan wat overeenkomt met de Schrift.

Strijd over de drie-eenheid

Arius en Alexander

De bisschop van Alexandrië, Alexander (?-circa 328), krijgt in 318 na Christus een conflict met zijn presbyter (een soort ouderling), Arius (256-circa 336). Dit conflict gaat over uitspraken die Arius doet over Christus. Arius wil er niet van weten dat er meer dan één God is. Veel mensen in zijn tijd spreken over Jezus als een 'tweede God'. Arius vindt dat in tegenspraak met de eenheid van God. Hij redeneert: wanneer je belijdt dat er maar één God is, is het onjuist om Jezus als die God te benoemen. Omdat God de Vader immers die ene God moet zijn, kan Jezus dat dus niet zijn. Jezus moet dus wel een schepsel zijn. Arius concludeert hieruit dat Jezus het eerste en belangrijkste schepsel is, Die als leraar en voorbeeld op de aarde gekomen is. Voor

Zijn vrijwillige gehoorzaamheid op de aarde heeft Hij goddelijke eer gekregen. Maar Jezus is en blijft een schepsel van de enige God. Het gevolg is dat Jezus ook geen volmaakte kennis over God heeft. Bisschop Alexander vindt Arius' opvatting in tegenspraak met het Evangelie. Als Jezus een schepsel is, kan God Zich nooit geheel en al in Hem openbaren. Daarbij komt dat niet God Zelf, maar de mens Jezus de mens verlost. Alexander wijst op de eerste verzen van het Johannesevangelie, waar staat: het Woord was bij God en het Woord was God Oohannes 1: 1). De Zoon is dus geen tussenwezen tussen God en de wereld en ook geen schepsel. De Zoon is volkomen één met de Vader en daarom bij machte om echt te verlossen. Alexander echter noemt de Vader en de Zoon twee verschillende, onafhankelijke wezens, waardoor zijn opvatting toch wat op een tweegodendom lijkt. In zijn strijd tegen Arius wordt Alexander gesteund door een jonge diaken uit zijn gemeente in Alexandrië, Athanasius (295-373).

Concilie van Nicea (325)

Een Egyptische synode spreekt in 320 een veroordeling uit over Arius, maar op andere plaatsen blijven bisschoppen hem steunen. Keizer Constantijn probeert de twistende partijen te verzoenen, maar hij merkt dat er diepere verschillen zijn. Daarom neemt hij het initiatief een concilie, een vergadering van kerkelijke ambtsdragers, samen te roepen om de eenheid en vrede in zijn rijk te bewaren.

In Nicea, ten zuiden van Constantinopel, komt in 325 komt een bisschoppenvergadering bijeen. Het is het eerste concilie waarbij vertegenwoordigers uit de hele toenmalig bekende wereld aanwezig zijn. Het wordt daarom ook wel het eerste oecumenische concilie genoemd. De aanwezigen zijn in drie groepen te verdelen: de grootste groep wordt gevormd door Eusebius van Caesarea met zijn volgelingen, die in de voetsporen van de bekende kerkvader Origenes gaan; daarnaast zijn twee kleine groepen aanwezig: Arius met zijn volgelingen en Alexander en Athanasius met hun volgelingen.

Keizer Constantijn en zijn raadgevers komen met een formulering die de denkbeelden van Arius afwijst, maar die ieder op zijn eigen manier kan interpreteren. Alle deelnemers stemmen er mee in dat de Zoon 'van hetzelfde wezen' (in het Grieks: homo-ousios) is met de Vader. Zo lijkt ook de onduidelijkheid in de opvatting van bisschop Alexander weggewerkt. De keizer verklaart echter dat de formulering alleen wil uitdrukken dat de Zoon verwant is met de Vader. Met die uitleg kan men alle kanten op. Zelfs Arius erkent dat de Vader op een bepaalde manier verwant is met de Zoon. Het concilie wil op deze manier Arius veroordelen en tegelijk zijn geestverwanten en aanhangers terugwinnen.

Eusebius en Athanasius

Wanneer bisschop Alexander in 328 opgevolgd wordt door Athanasius, wordt de strijd tussen Arius en zijn volgelingen en Athanasius en zijn volgelingen feller. Eén van de belangrijkste leiders van de Arianen, de volgelingen van Arius, is Eusebius van Nicomedië. Hij heeft grote invloed aan het hof en wordt bisschop van Constantinopel. Hij ziet Athanasius, de bisschop van Alexandrië, als een concurrent.

Athanasius leert de volkomen eenheid van de Vader en de Zoon, en hij bestrijdt elke formulering die daaraan te kort doet. Met het voor meerdere uitleg vatbare 'homo-ousios' heeft hij dan ook niet veel op. De kerngedachte bij Athanasius is de menswording van Christus. )ezus moest mens worden om mensen te verlossen. Om duidelijk te maken wat hij bedoelt, gebruikt hij het beeld van licht: God de Vader is het Licht, waarvan God de Zoon het Afschijnsel is (vergelijk Hebreeën 1: 3). De mens komt tot het geloof in God door de verlichting door de Heilige Geest. Zo ziet Athanasius de verhouding tussen de drie goddelijke Personen.

Het is voor Eusebius niet moeilijk Athanasius als een onruststoker af te schilderen, vooral omdat Athanasius zijn standpunt in allerlei geschriften verdedigt. Keizer Constantijn, die is ingelicht door Eusebius, verbant Athanasius in 335 naar Trier. Dit heeft onbedoeld tot gevolg dat ook de westerse bisschoppen voor Athanasius gewonnen worden.

Alternatieve voorstellen

Na de dood van Constantijn de Grote in 337 laait de strijd opnieuw op. Naast het feit dat verschillende verbannen bisschoppen, waaronder Athanasius, terugkeren wordt de tegenstelling tussen het oostelijk en het westelijk deel van het Romeinse rijk steeds groter. Dit laatste komt mede door de rivaliteit tussen de twee zoons van Constantijn de Grote, Constans (320/3-350) en Constantius (317-361). Beiden hadden een deel van het rijk gekregen, nadat de derde zoon van Constantijn de Grote, Constantijn II, in 340 overleden was. Daarvoor, van 337-340, was het rijk verdeeld geweest tussen de drie zoons van Constantijn. Na de dood van Constans is Constantius weer alleenheerser in het Romeinse rijk. De theologen aan het hof van Constantius komen met het voorstel om te belijden dat de Zoon, overeenkomstig de Bijbelse uitspraken, 'gelijkend' (in het Grieks: homoios) is op de Vader. Zo willen ze de strijd tot een einde te brengen. Deze opvatting laat echter te veel ruimte over om de verhouding naar willekeur in te vullen, want zowel Arius als Athanasius gebruiken Bijbelse uitspraken voor hun opvatting.

Ook de Arianen komen met een nieuw voorstel. Ze belijden dat de Zoon niet-gelijkend (in het Grieks: an-homoios) is aan de Vader. Voor sommige volgelingen van Arius, die wel willen belijden dat Christus lijkt op de Vader, gaat het te ver om te belijden dat de Zoon niet gelijkend is op de Vader. Zo ontstaat er ook onder de Ariaanse volgelingen verdeeldheid.

De waarde van het homo-ousios

Door al deze discussies ontdekt Athanasius de waarde van de formulering van Nicea, 'homo-ousios', maar dan wel in de strikte betekenis dat de Zoon van één wezen is met de Vader. Athanasius is wel overtuigd van een zeker onderscheid tussen de Vader en de Zoon, maar heeft er geen goede woorden voor om dit verschil te omschrijven. Hij wil niet de weg van Sabellius op, die uiteindelijk leert dat er twee goden zijn: de Vader en de Zoon.

Ook sommige volgelingen van Eusebius van Nicomedië willen niet doen alsof de Zoon volstrekt van de Vader gescheiden is en komen met een nieuwe formulering, namelijk dat de Zoon 'gelijkend van wezen' (in het Grieks: homoi-ousios) is met de Vader. Hiermee geven ze aan dat de Zoon evenals de Vader goddelijk is, maar meer ook niet. De Vader en de Zoon zijn volkomen zelfstandig, maar ze zijn gelijk van wezen. Het woord telt maar één letter meer dan het besluit van het concilie en lijkt aanvaardbaar. Voor Athanasius is echter met deze formulering de waarborg verdwenen dat de Vader en de Zoon een eenheid vormen. Hij kan er dan ook niet mee instemmen.

Waar Athanasius vooral vanuit de eenheid van God denkt, denkt een andere groep in de kerk vooral vanuit de drieheid. Rond 360 wint deze gedachte meer en meer terrein. Doordat men zich nu meer richt op de drie Personen in God komen ook de Bijbelse aanduidingen van de Heilige Geest binnen het blikveld. Door veel mensen wordt de Heilige Geest opgevat als ondergeschikt aan de Vader en de Zoon. Athanasius komt tot het inzicht dat de Geest, Die de mensen in gemeenschap met God kan brengen, net als de Zoon ook de ene God moet zijn. Met deze groep, die vooral vanuit de drieheid denkt, komt Athanasius tot overeenstemming. Samen met hen belijdt hij dat God één is in Wezen en drie in Personen.

Opvattingen over de plaats van de Zoon ten opzichte van de Vader

Concilie van Constantinopel (381)

In 381 komt er voor de tweede keer een oecumenisch concilie bijeen, nu in Constantinopel. Athanasius heeft dit concilie niet meegemaakt, hij is al in 373 overleden. Op dit concilie wordt de leer van Arius en andere ketterijen definitief veroordeeld, terwijl de belijdenis van Nicea kerkelijk wordt vastgelegd. Aan deze belijdenis worden enkele uitspraken over de Heilige Geest toegevoegd. Ook wordt uitgesproken dat God één is in Zijn Wezen, maar drie in Personen, namelijk de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Op het concilie van Chalcedon in 451 wordt deze leer van de drie-eenheid definitief vastgesteld.

Strijd over de twee-naturen

Oost en West

Niet lang na het concilie van Constantinopel brandt de strijd los rondom de twee naturen van Christus. Is Christus nu echt mens, of alleen God? Het westelijke deel van de kerk en Antiochië belijden een twee-naturenleer. In de ene Persoon Christus, is het ware God-zijn en het ware mens-zijn gelijk. Het oostelijke deel van de kerk belijdt echter dat het God-zijn veel wezenlijker is in Christus. Het mens-zijn van Christus wordt wel beleden, maar is minder belangrijk aanwezig. Een grote rol in deze discussie speelt Nestorius, die wel leert dat Christus echt God en echt mens is, maar daarbij grote nadruk legt op het onderscheid tussen deze twee naturen.

Concilie van Chalcedon (451)

De strijdvragen van de vroege kerk over de twee naturen van Christus bereiken een voorlopig einde op het concilie van Chalcedon in 451. Daar wordt uitgesproken dat de twee naturen van Christus ongedeeld, ongescheiden, ongemengd en onveranderd zijn. Dit komt ook terug in belijdenis van Athanasius. Daarmee wil het concilie van Chalcedon niet indringen in de geheimen van het God-zijn en mens-zijn van Christus. Enerzijds zijn ze ongedeeld en ongescheiden, dus in één Persoon verenigd. Dit is vooral tegen Nestorius gericht. Anderzijds zijn de twee naturen ongemengd en onveranderd. De Godheid wordt dus niet door de mensheid opgeheven of andersom. Christus is in één Persoon echt God èn echt mens. Deze strijd wordt pas definitief beslist op een concilie in Constantinopel in 680 en 681.


Origenes (ca. 185-253/254)

Origenes, die leefde van ongeveer 185 tot 253 of 254, is één van de belangrijkste verdedigers van het christendom in de derde eeuw. Hij heeft twintig jaar in ballingschap gezeten. Tijdens vervolgingen onder keizer Decius wordt hij gevangengenomen en gefolterd. Aan de verwondingen daarvan is hij overleden. Origenes probeert met de methoden van de heidense filosofie de theologie tot een volwaardige christelijke wetenschap uit te bouwen. Origenes maakt een onderscheid tussen de Godheid van de Vader en de Godheid van de Zoon en de Geest. De Zoon en de Geest zijn volgens hem minder goddelijk dan de Vader, die de Godheid in eigen Persoon is. Ook leert hij dat alle mensen, evenals de duivel, uiteindelijk gered zullen worden. Hij heeft veel gedaan voor de theologie, zowel voor het uitleggen van de Bijbel (exegese), als ook de leer (dogmatiek). Vanwege zijn opvattingen over de drie-eenheid is hij veroordeeld door een concilie.


Eusebius van Nicomedië (7-342)

Eusubius is bisschop van Nicomedië vanaf ongeveer 318. In de Ariaanse strijd kiest hij de kant van Arius. Wanneer Arius verbannen wordt, komt hij naar hem toe. Eusebius heeft op een synode alle bisschoppen opgeroepen om Arius als zuiver in de leer te erkennen en ook dat Alexander Arius weer moet aanvaarden als presbyter. Hij ondertekent tegen zijn zin de belijdenis van Nicea, maar maakt met anderen een voorbehoud tegen de banvloek over Arius. Ook Eusebius wordt in Nicea veroordeeld, maar hij krijgt van de keizer tijd om zich te onderwerpen. Enige maanden later wordt hij echter toch verbannen. Later komt hij in de gunst bij keizer Constantijn. Ook is hij het hoofd van de Ariaanse partij en leider van de oppositie tegen de belijdenis van Nicea en zijn voorvechter Athanasius. De afzetting van Athanasius in 335/336 is vooral het werk van Eusebius geweest. Eusebius is meer een kerkpoliticus dan een theoloog, die zich gemakkelijk aan het keizerlijk hof en in de wereld bewoog en een uitgebreide briefwisseling kent.


De ontwikkeling van het sabellianisme

Praxeas

Praxeas is geboren in Klein-Azië, waar hij vervolgd wordt vanwege zijn geloof. Hij weet te ontkomen en reist rond 190 naar Rome. De bekende kerkvader Tertullianus (ca. 160 - 230) bestrijdt de leer van Praxeas. Hij stelt dat de leer van Praxeas geen onderscheid maakt tussen de Personen in de drie-eenheid, jezus is bij Praxeas niet meer dan een andere verschijning van God de Vader: het is dus in feite God de Vader die aan het kruis heeft geleden. Spottend noemt Tertullianus dit patripassianisme (de leer dat de Vader geleden heeft).

Noëtus

Rond 230 is Noëtus presbyter in een kerk in Klein-Azië. Hij is een vooraanstaand persoon in de richting van het patripassianisme. Hij gaat er van uit dat er maar één God is die zich op verschillende manieren laat kennen: de Vader is een verschijning van dezelfde God, net als de Zoon. Bij hem is er geen wezenlijk onderscheid tussen de Personen in God te vinden. Zijn visie leidt ertoe dat hij wordt verbannen.

Sabellius

Sabellius leeft in de derde eeuw, rond het jaar 215. Hij werkt de ideeën van Praxeas en Noëtus verder uit en leert dus ook dat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest drie verschillende verschijningen van dezelfde God zijn. Deze uitgewerkte leer wordt het sabellianisme genoemd. Door de leer van Sabellius is de kerk genoodzaakt om beter over de drie-eenheid na te denken en deze leer duidelijker te omschrijven.


Nestorius (381-451)

Nestorius is in 381 geboren en wordt in 428 bisschop van Constantinopel. In die tijd heerst er in Constantinopel een discussie of Maria nu Theotokos (degene die God gebaard heeft) of Antropotokos (degene die een mens gebaard heeft) genoemd moet worden. In deze discussie komt Nestorius met een compromis: Christotokos (degene die Christus gebaard heeft). Hijzelf vindt de term Theotokos acceptabel, zolang maar duidelijk blijft dat de twee naturen in Christus niet vermengd zijn en dat de menselijke natuur niet in de goddelijke natuur wordt opgelost. Nestorius maakt in zijn leer een groot onderscheid tussen de Godheid van Christus en de mensheid van Christus, die hij moeilijk samen kan noemen. Hij is toch al niet erg populair in de kerk en wordt dan ook aangeklaagd en in 430 veroordeeld, mede omdat hij in de voorafgaande discussie niets deed om de discussie op te helderen, maar zichzelf alleen maar herhaalde. Op het concilie van Efeze in 431 wordt deze veroordeling bekrachtigd en gezegd dat Maria de titel moeder Gods draagt. Het compromis van Nestorius, Maria als Christotokos, wordt niet geaccepteerd. Hij sterft in verbanning in 451. Op het concilie van Chalcedon in 451 wordt tegen Nestorius uitgesproken dat de twee naturen van Christus ongedeeld en ongescheiden zijn, naast de uitspraak dat de twee naturen ongemengd en onveranderd zijn. Nestorius zou het alleen met de laatste uitspraak eens zijn geweest.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 oktober 2007

AanZet | 83 Pagina's

1. Historische achtergrond

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 oktober 2007

AanZet | 83 Pagina's

PDF Bekijken