Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

2. Euthanasie in Nederland

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

2. Euthanasie in Nederland

32 minuten leestijd

Al een aantal jaren sterven er in Nederland jaarlijks rond de 3000 mensen door euthanasie. Onderstaande tabel geven de cijfers van 2001 en 2005 van het Centraal Bureau voor de Statistiek weer.

In de geschiedenis van euthanasie in Nederland heeft de NVVE de rol van voortrekker gespeeld. De vereniging is in 1973 opgericht, bijna dertig jaar voordat de wetgeving rondom euthanasie tot stand kwam. Euthanasie werd in april 2001 - twintig jaar na abortus provocatus - bij wet geregeld. De wet trad een jaar later, in april 2002, in werking.

Op grond van het Wetboek van Strafrecht uit 1886 kan euthanasie worden gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaar; voor hulp bij zelfdoding staat ten hoogste drie jaar. In de loop van de tijd is de naleving van deze wet geleidelijk versoepeld. Artsen die euthanasie pleegden, konden vrijuit gaan als zij zich konden beroepen op een ander artikel uit het Wetboek van Strafrecht, waarin is vastgelegd welk handelen in gevallen van noodtoestand toelaatbaar is.

Tussen 1973 en 2002 is er een aantal rechtszaken geweest waarin nieuwe normen voor het beoordelen van euthanasie zijn ontwikkeld. De eerste rechtszaak, in 1973, vormde de aanleiding tot de oprichting van de NVVE. De eerste acties van de NVVE laten zien dat de mening dat euthanasie onder bepaalde voorwaarden toegestaan moest worden al breed leefde onder Nederlandse burgers.

De NVVE werd opgericht naar aanleiding van de zaak rondom de Friese huisarts Truus Postma. Postma diende op 19 oktober 1971 haar terminaal zieke moeder een dodelijke dosis morfine toe. Haar moeder had al enkele verzoeken tot euthanasie gedaan, maar die verzoeken y ^»j ^ waren tot dan toe afgewezen. Postma werd à i" tfiWA hiervoor door het Openbaar Ministerie / aangeklaagd. De zaak kreeg grote ^ O ^^ bekendheid toen dorpsgenoten van de ^ i ü j j t i j Rcchtbsnk arts een handtekeningenactie begonnen >»— om haar te steunen. Rechtbank

In de wet van 2001 zijn de voorwaarden die in deze en soortgelijke rechtszaken werden geformuleerd opgenomen. Volgens de wet is euthanasie niet strafbaar mits de arts de euthanasie meldt en voldoet aan een aantal zogenaamde zorgvuldigheidseisen.

Haken en ogen

Uit het bovenstaande artikel wordt duidelijk dat euthanasie niet zomaar kan worden gepleegd. Als de arts het niet eens is met het euthanasieverzoek, kan de euthanasie niet doorgaan. De patiënt kan vinden dat hij ondraaglijk en uitzichtloos lijdt, maar als de arts daar niet van overtuigd is, moet hij het euthanasieverzoek weigeren. Bovendien mag de arts of verpleegkundige het verzoek ook weigeren als hij of zij vaststelt dat de situatie van de patiënt wél aan de genoemde voorwaarden voldoet. De wet laat ruimte voor gewetensbezwaarde artsen of verpleegkundigen. Anders dan vaak wordt gedacht, hebben mensen dus geen recht door euthanasie te sterven.

Hier zien we een belangrijk verschil met de abortuswetgeving. Een vrouw heeft het recht de vrucht te laten weghalen. De enige beperkingen waarmee zij te maken heeft, zijn de grens van 24 weken - een vrucht ouder dan 24 weken mag niet meer worden weggehaald - en de bedenktijd van vijf dagen. Welke reden zij heeft om de vrucht te willen laten weghalen, speelt geen rol in de afhandeling van het verzoek tot abortus. Het wordt niet van de arts verwacht dat hij zijn mening geeft over het feit dat de vrouw abortus wil, omdat ze bijvoorbeeld middenin een verbouwing zit.

Maar ook aan de toepassing van de euthanasiewet zitten heel wat haken en ogen. In de praktijk blijkt het lastig vast te stellen wat ondraaglijk lijden nu precies is. Wanneer is lijden uitzichtloos? En wanneer kun je stellen dat er geen 'redelijke andere oplossing' meer is? We zien hier veel dieperliggende vragen naar de oppervlakte komen. Wanneer heeft een mensenleven genoeg 'kwaliteit' om het waard te zijn geleefd te worden? Houdt de zin van het leven op als iemand ernstig ziek is? Of heeft het leven van een mens sowieso alleen maar zin als hij zelf vindt dat dat zo is? Als dat laatste waar is, zou je een euthanasieverzoekeigenlijk nooit mogen weigeren.

Alle zorgvuldigheid ten spijt zijn er veel situaties bekend waarin niet helemaal helder werd of de euthanasie geoorloofd was of niet.

Deze onduidelijkheid bestond ook al in de tijd dat euthanasie officieel nog in alle gevallen strafbaar was, dus vóór het in werking treden van de Wet toetsing levensbeëindiging en hulp bij zelfdoding in 2002.

De zaak-Schoonheim, die duurde van 1983 tot 1986, is daarvan een goed voorbeeld. Een huisarts beëindigde het leven van een hoogbejaarde vrouw 'op haar uitdrukkelijk en ernstig verzoek'. In een eerste rechtszaak te Alkmaar werd besloten dat de arts niet verder zou worden vervolgd. Voor het eerst in de geschiedenis van euthanasie in Nederland werd euthanasie wel bewezen geacht, maar niet strafbaar gesteld.

In hoger beroep maakte het Gerechtshof Amsterdam de uitspraak van de rechtbank te Alkmaar echter ongedaan. Volgens dit rechtscollege was er geen sprake van een noodtoestand, omdat niet objectief was vastgesteld dat de vrouw ondraaglijk leed. Het Gerechtshof stelde de arts schuldig, hoewel hij geen straf kreeg opgelegd. Vervolgens kwam de zaak via hoger beroep bij de Hoge Raad terecht, die uitsprak dat euthanasie onder bepaalde voorwaarden toegestaan was, als er een noodtoestand was en de zaak vervolgens terugverwees naar het Gerechtshof Den Haag. Het was inmiddels 1986 toen dat Gerechtshof vaststelde dat er sprake was van noodtoestand en de arts vrijsprak.

Behalve de vraag hoe zwaar lijden moet zijn om ondraaglijk genoemd te kunnen worden, is het de vraag of psychisch lijden ook onder de redenen voor euthanasie kan vallen. In de jaren negentig is rondom deze vraag een slepende rechtszaak ontstaan. In 1993 beëindigde een vrouw haar leven met middelen die zij van de psychiater B.E. Chabot kreeg. Het bijzondere aan dit geval was dat de vrouw lichamelijk gezond was. Volgens de arts was er toch sprake van ondraaglijk en uitzichtloos lijden, namelijk psychisch lijden. De vrouw had geen psychiatrische stoornis, maar leed al jaren psychisch vanwege vroegere huwelijksproblemen, echtscheiding en het overlijden van haar beide zoons. Haar psychisch lijden was dus niet in verband te brengen met een ziekte of aanwijsbare stoornis. De drie rechtbanken (waaronder de Hoge Raad) die aan deze zaak te pas kwamen, oordeelden alle dat er inderdaad sprake was van ondraaglijk en uitzichtloos lijden en dat de arts te maken had gehad met een noodtoestand. De enige reden dat de arts toch schuldig werd bevonden (hoewel niet gestraft), was het feit dat hij geen collega-psychiater had geraadpleegd.

Dat met deze uitspraak de bakens opnieuw verzet waren, bleek wel toen aan het eind van de jaren negentig een nieuwe rechtszaak opzien baarde. De zaak veroorzaakte extra ophef omdat het ging om een bekende Nederlander, de PvdA-politicus Edward Brongersma. De 86-jarige Brongersma had geen ernstige lichamelijke of psychiatrische kwalen, maar vond zijn leven ondraaglijk. In april 1998 beëindigde hij zijn leven door middel van medicijnen die hij van huisarts Sutorius gekregen had.

De rechtbank van Haarlem sprak Sutorius vrij. Volgens het Openbaar Ministerie, dat tegen deze uitspraak in hoger beroep ging, was in deze zaak echter niet duidelijk of er sprake was van ondraaglijk en uitzichtloos lijden. Het enige dat van Brongersma's situatie gezegd kon worden, was dat hij 'levensmoe' was. Het Gerechtshof Amsterdam besloot tenslotte de zaak tijdelijk stop te zetten om twee deskundigen de ruimte te geven dit vraagstuk te onderzoeken. Nadat beide deskundigen oordeelden dat de situatie van Brongersma buiten het medische domein lag en daarom niet onder de wet op levensbeëindiging viel, werd Sutorius schuldig verklaard. Daarop - het was inmiddels eind 2001 - ging Sutorius in hoger beroep, maar dat veranderde de uitspraak niet.

Volgens de wet van 2001, die in 2002 in werking trad, mag levensmoeheid nog steeds geen reden zijn tot euthanasie. Als we de zaken rond de artsen Chabot en Sutorius met elkaar vergelijken, zien we echter dat de grens tussen levensmoeheid (zoals bij Brongersma) en ondraaglijk en uitzichtloos psychisch lijden (zoals bij de vrouw in de zaak-Chabot) maar moeilijk te bepalen is.

Reacties

Nederland was (en is) een pionier waar het euthanasiewetgeving betreft. Anno 2008 hebben alleen België en Luxemburg het Nederlandse voorbeeld gevolgd. In Luxemburg is de wet pas heel recent, op 19 februari 2008, goedgekeurd.

Toen de Nederlandse wet in 2001 door de Tweede Kamer aangenomen werd, was dat overal in het buitenland voorpaginanieuws. De buitenlandse commentators waren opvallend gelijkgestemd: de Nederlandse wet werd als een gevaarlijke ontwikkeling gezien. Politici uit verschillende landen en organisaties lieten weten zich ernstige zorgen te maken.

Volgens een Oostenrijks lid van de Raad van Europa, een organisatie waarvan 47 landen lid zijn, was de wet in strijd met het recht op leven dat in het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens is opgenomen. Soortgelijke kritiek kwam van het Mensenrechtencomite van de Verenigde Naties, dat van mening was dat de definitie van 'ondraaglijk en uitzichtloos lijden' te vaag was en dus tot willekeur zou kunnen leiden. Kort na de totstandkoming van de Belgische wet liet de World Medical Association weten dat het van mening bleef dat euthanasie 'onethisch' is.

Al deze ophef was voor de Raad van Europa aanleiding om zich serieus over het euthanasievraagstuk te buigen. De Zwitserse politicus Marty moest met een voorstel komen waarin de Raad uitspraak zou doen over euthanasie. Pas tweeëneenhalf jaar later, in april 2005, werd deze zaak afgerond. In de laatste versie van de resolutie legde Marty veel nadruk op palliatievezorg (zorg die gericht is op het verzachten of verlichten van het lijden). Hij bleef echter waarschuwen tegen 'overdreven verlenging van het leven' en liet na te waarschuwen tegen euthanasie of misbruik, wat het merendeel van de leden van de Raad tegen de borst stuitte. De resolutie werd met overgrote meerderheid weggestemd. Het anti-euthanasiestandpunt van de Raad van Europa is daarmee intact gebleven.

Binnen Nederland en België is de kritiek ook niet achterwege gebleven. Vanaf het begin uitten de Eerste- en Tweede Kamerfracties van de Christenunie (eerder RPF en GPV) en de SGP hun afkeuring. De fractie SGP/Christenllnie in het Europees Parlement liet eveneens direct weten het met de nieuwe wetgeving niet eens te zijn. Volgens de christelijke fracties was de euthanasiewet in strijd met het Verdrag van de Rechten van de Mens. Zij wezen er bovendien op dat het leven altijd geschapen leven is, dus leven dat aan mensen is gegeven door God. Deze partijen hebben er nadruk op gelegd dat euthanasie nooit een oplossing kan zijn voor uitzichtloosheid en eenzaamheid, terwijl palliatieve zorg dat wel kan zijn.

Naast de politieke partijen zijn verschillende organisaties actief die, meestal in reactie op zowel de abortus- als de euthanasiewetgeving, zich inzetten voor het recht op leven van elk mens. De Nederlandse Patiëntenvereniging (NPV) is daarvan met zo'n 75.000 leden één van de grootste. De NPV ontwikkelt allerlei initiatieven om palliatieve zorg te stimuleren. Eén van de maatregelen die de NPV tegen euthanasie ondernomen heeft, is het instellen van de NPV- Levenswensverklaring met de Levenswenspas. Dit initiatiefis totstandgekomen in samenwerking met het Katholiek Nieuwsblad, dat al eerder was begonnen met de zogenaamde CredoCard. Na de invoering van de euthanasiewet kwam er steeds meer vraag naar de CredoCard. Met de Levenswensverklaring en bijbehorende pas kan er een verklaring worden getekend die in werking treedt als de persoon \ /nnv ' n kwestie wilsonbekwaam wordt. Het is dus )( " een tegenhanger van de eerder genoemde wilsverklaring met euthanasieverzoek.

De strijd tegen de euthanasiewet beperkt zich niet tot het christelijke deel van Nederland. Een voorbeeld daarvan is de Juristenvereniging Pro Vita GPV), opgericht in 1983. Op de website maakt de vereniging zich als volgt bekend: "De vereniging heeft als uitgangspunt het respectvoorde waardigheid van elke mens. Op grond hiervan heeft de vereniging de overtuiging dat de waarde van het leven van de mens vanaf zijn conceptie tot aan zijn natuurlijke dood onaantastbaar is. Daarom zet de vereniging zich in voor de rechtsbescherming van het leven van de mens in alle fasen van zijn bestaan."

Ook de JPV beroept zich op het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De vereniging benadrukt dat het respect voor de waarde van het menselijk leven een algemeen menselijk beginsel is. Onder de leden bevinden zich mensen met allerlei verschillende levensbeschouwingen. Samen streven zij ernaar het respect voor het leven uitdrukking te geven in de wetgeving.

In België is de discussie ook niet opgehouden met het toestaan van euthanasie. Begin 2006 laaide er een hevig debat op rond euthanasie. In reactie op de oproep de euthanasiewet verder uit te breiden, lieten verschillende vooraanstaande personen een andere stem horen.

Eén van degenen die zich uitsprak tegen euthanasie was kardinaal Danneels. Volgens de kardinaal ontstaat er een sfeer van 'onveiligheid, onrust en angst' als de wet euthanasie toestaat. Zowel op de familie als op de zieke ligt er een grote druk: zij gaan zichzelf de vraag stellen of ze er niet een einde aan moeten maken. Kardinaal Danneels vroeg speciaal aandacht voor de zieke zelf. Een zieke voelt zich al eenzaam, omdat hij zijn ziekte alleen moet dragen en niemand echt met hem mee kan voelen; hij wordt nu ook geestelijk en moreel eenzaam, want hij heeft het gevoel dat hij alleen een beslissing moet nemen, waarbij hij verantwoordelijk is voor het welzijn van zijn familie. Een vergelijkbaar geluid kwam van een bekende gezondheidswetenschapper van de Katholieke Universiteit Leuven. Hij waarschuwde ervoor dat al het praten over euthanasie er wel eens toe zou kunnen leiden dat ouderen of zieken het gevoel krijgen dat ze een soort 'plicht tot sterven' hebben.

Opvallend was dat er ook een tegengeluid kwam vanuit de praktijk van het ziekenhuis. Een leidinggevende van het Sint Lucas Ziekenhuis te Gent vertelde dat haar visie op euthanasie in de loop der jaren was veranderd. Bij de oprichting van de afdeling Palliatieve Zorg was ze van mening dat het toestaan van euthanasie geen goede zaak was. Ze was er echter wel van overtuigd dat euthanasie af en toe echt nodig zou zijn. Dertien jaar later zei ze: "We zijn nu dertien jaar en meer dan 2000 patiënten verder. Die situatie [dat euthanasie noodzakelijk was om een einde te maken aan uitzichtloos lijden] heeft zich nog niet voorgedaan. Ik ga ervan uit dat die zich waarschijnlijk niet zal voordoen. Dit vraagt heel veel energie. Dit vraagt infrastructuur, maar vooral mensen en middelen."

Kleine kinderen

Een bijzonder kritiekpunt is het plegen van euthanasie op kleine kinderen. Euthanasie op kinderen is verboden: euthanasie is alleen toegestaan als de betrokkene er zelf om vraagt. In de praktijk komt het echter wel degelijk voor. In 2004 stelde de Groningse arts Eduard Verhagen het zogenaamde 'Groningen Protocol' op, dat richtlijnen geeft om het leven van kinderen te beëindigen zonder strafbaar te handelen. Het protocol is niet rechtsgeldig, maar functioneert in de praktijk wel zo. De laatste jaren is daarover al een paar keer onrust ontstaan. De Italiaanse minister Carlo Giovanardi nam in maart 2006 Nederland onder vuur. De christendemocraat vergeleek in een radio-uitzending de praktijken in Nederland met die van nazi-Duitsland. Nederland reageerde geschokt en verschillende Nederlandse en Italiaanse politici probeerden Giovanardi zover te krijgen dat hij zijn excuses aanbood. Giovanardi bleef echter bij zijn standpunt en zei in een interview: "Vorig jaar zijn er in Nederland duizend kleine kinderen overleden. Zeshonderd daarvan zijn gedood door middel van euthanasie. Volgens de artsen waren die kinderen het niet waard te leven. Ik vind dat zo verkeerd, dat ik het mijn plicht vind om daar iets van te zeggen."

De aantallen die Giovanardi noemde, zijn hoogstwaarschijnlijk niet juist. Het Nederlands Artsen Verbond heeft bekendgemaakt dat die zeshonderd gevallen van euthanasie op kinderen wereldwijd zijn; in Nederland worden er per jaar zo'n twintig gevallen van euthanasie op kinderen gemeld. Toch roept de mogelijkheid van euthanasie op kinderen steeds opnieuw bezorgde of afkeurende reacties op. Eind 2005 hebben toenmalig staatssecretaris Ross (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) en minister Donner (Justitie) besloten de beoordeling van euthanasie op kinderen altijd via het Openbaar Ministerie te laten lopen, terwijl euthanasie op verzoek door de plaatselijke rechtbank mag worden beoordeeld. Ross en Donner verklaarden dat nooit de gedachte mag ontstaan dat kinderen die met bijvoorbeeld een open ruggetje worden geboren niet levenswaardig zijn. Het enige criterium is of het kind uitzichtloos of ondraaglijk lijdt. Als dat niet het geval is, moet het kind kunnen rekenen op medische zorg die hen in staat stelt zo goed mogelijk te leven.

We zien in de reacties op de euthanasiewetgeving en de praktijk ervan dat er waarde wordt gehecht aan het leven op zich. Maar waar zit die waarde van het leven eigenlijk in? Op deze vraag blijven degenen die voor respect voor het leven pleiten het antwoord vaak schuldig. Vaak komt men niet verder dan een verwijzing naar het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, waar in het tweede artikel staat: "Het recht van een ieder op leven wordt beschermd door de wet. Niemand mag opzettelijk van het leven worden beroofd". Hierover is echter nog veel meer te zeggen. In het volgende hoofdstuk wordt besproken waarom het menselijk leven van waarde is en hoe een christelijke visie op leven en dood - en dus ook op het euthanasievraagstuk - eruitziet.


WET van 12 april 2001, houdende toetsing van levensbeëindiging op verzoeken hulp bij zelfdodingen wijziging van het Wetboek van Strafrecht en van de Wet op de lijkbezorging (Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding) (gedeelte)

Hoofdstuk II. Zorgvuldigheidseisen

Artikel 2

1. De zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 293, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, houden in dat de arts:

a. de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt,

b. de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt,

c. de patiënt heeft voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over diens vooruitzichten,

d. met de patiënt tot de overtuiging is gekomen dat er voor de situatie waarin deze zich bevond geen redelijke andere oplossing was,

e. ten minste één andere, onafhankelijke arts heeft geraadpleegd, die de patiënt heeft gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in de onderdelen a tot en met d, en

f. de levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding medisch zorgvuldig heeft uitgevoerd.

2. Indien de patiënt van zestien jaren of ouder niet langer in staat is zijn wil te uiten, maar voordat hij in die staat geraakte tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake in staat werd geacht, en een schriftelijke verklaring, inhoudende een verzoek om levensbeëindiging, heeft afgelegd, dan kan de arts aan dit verzoek gevolg geven. De zorgvuldigheidseisen, bedoeld in het eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

3. Indien de minderjarige patiënt een leeftijd heeft tussen de zestien en achttien jaren en tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake in staat kan worden geacht, kan de arts aan een verzoek van de patiënt om levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding gevolg geven, nadat de ouder of de ouders die het gezag over hem uitoefent of uitoefenen dan wel zijn voogd bij de besluitvorming zijn betrokken.

4. Indien de minderjarige patiënt een leeftijd heeft tussen de twaalf en zestien jaren en tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake in staat kan worden geacht, kan de arts, indien een ouder of de ouders die het gezag over hem uitoefent of uitoefenen dan wel zijn voogd zich met de levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding kan of kunnen verenigen, aan het verzoek van de patiënt gevolg geven. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 2008

AanZet | 97 Pagina's

2. Euthanasie in Nederland

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 2008

AanZet | 97 Pagina's

PDF Bekijken