Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Voorbereiding op doop en avondmaal in het licht van Schrift en traditie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voorbereiding op doop en avondmaal in het licht van Schrift en traditie

23 minuten leestijd

Het kan in het bestek van dit artikel om niet meer gaan dan enkele hoofdlijnen.

Doop en avondmaal zijn de enige twee sacramenten die in reformatorische kerken in gebruik zijn. Hoewel er in de loop van de kerkgeschiedenis ook andere kerkelijke instellingen bij kwamen (Rome telde zeven sacramenten) heeft de Reformatie deze beperkt tot de twee waarvan we duidelijk in het Evangelie lezen dat ze door de Heere Jezus Zelf zijn ingesteld. We laten de hele theologische discussie over de precieze werking van water, brood en wijn die er vooral tijdens de Reformatie geweest is rusten en beperken ons tot wat onze Catechismus helder heeft gesteld: Sacramenten zijn zichtbare tekenen en zegels door Christus ingesteld om ons door het gebruik daarvan de belofte van het Evangelie des te beter te verstaan te geven (Zondag 25). Door de doop worden we in de verbondsgemeente van Christus ingelijfd opdat we door de werking van de Heilige Geest als kind gaandeweg zullen leren wat God ons beloofd heeft (om Jezus’ wil vergeving van onze zonden, opstanding en eeuwig leven). Door het avondmaal worden we versterkt in het geloof dat we deze weldaden ontvangen.

Vroege kerk

Wat de doop betreft lezen we na de instellingswoorden van Christus (Matt. 28: 19 en Mark. 16: 15) bijv. over de doop van de Ethiopische minister van de koningin aldaar (Hand.8: 26 – 40). De evangelist Filippus volgt het doopbevel van Christus letterlijk op: eerst onderwijst hij deze zwarte man en doopt hem pas daarna wanneer hij een goede indruk heeft gekregen van de oprechtheid en motivatie van diens geloof.

Vanouds was er in de kerk voor mensen die uit het heidendom tot geloof kwamen een inwijdingsen leerperiode (catechumenaat) voordat ze werden gedoopt en aan het avondmaal mochten deelnemen. In de vroege kerk was de doop van kinderen van gelovigen normaal, al werd later de doop juist zo lang mogelijk - tot op latere leeftijd - uitgesteld omdat men er een definitief middel tot vergeving in zag en dus zoveel mogelijk zonden vergeven konden worden voordat men stierf.

Er was opvallend genoeg dus geen discussie over de Bijbelse legitimiteit van de heersende praktijk van het dopen van kinderen, maar wél over het uitstellen ervan!

Wat de kinderdoop betreft is kortweg te zeggen dat de teksten die over het huis van de gedoopten zoals Lydia en de gevangenbewaarder spreken genoeg bewijskracht hebben om de aanwezigheid van kinderen aan te nemen. In zulke gezinnen was dat vanzelfsprekend. Ook de slaven en hun gezinnen deelden in het verbond waarin het gezinshoofd was opgenomen. Datzelfde was immers ook van Abraham en zijn volwassenbesnijdenis te zeggen (Gen. 17: 9 – 14, 23-27).

Niet uit gewoonte

Het klassieke doopsformulier zegt vóórdat aan de doopouders de vragen worden gesteld dat we de doop van onze kinderen niet uit gewoonte of bijgelovigheid mogen gebruiken. Dat vraagt dus bezinning en voorbereiding. In de Kerkorde (art. 57) is bepaald dat de kerkenraden er zorg voor zullen dragen dat de ouders het sacrament van de doop voor hun kind zullen aanvragen en bij de bediening van de heilige doop de daaraan verbonden verplichtingen op zich zullen nemen. Vandaar dat de wijkouderlingen en/of de predikant van te voren een doopgesprek zullen houden. Althans zeker wanneer het een eerste kind betreft.

Verder zijn er nog bepalingen in bijzondere gevallen die bij art. 60 worden genoemd. Daarbij gaat het o.a. om de zekerheid bij de kerkenraad dat het te dopen kind een kind van het verbond is en dat het een christelijke opvoeding zal krijgen. De kerkenraad draagt de ambtelijke verantwoordelijkheid voor de wettigheid van de doop. In gesprekken vooraf moet een en ander goed worden doorgesproken.

Openbare belijdenis van het geloof

Bij de doop is het kind passief en wórdt het gedoopt. De ouders of anderen zijn dan in eerste instantie verantwoordelijk om het kind een opvoeding naar de eis van Gods verbond te geven. Maar op een gegeven moment wordt het kind zelf verantwoordelijk geacht. De leeftijd waarop dat gebeurt is in de reformatorisch traditie per land(streek) niet overal hetzelfde. Eerst moeten zij catechese van de kerk volgen. De leeftijd van kinderen voordat ze aan het avondmaal mogen deelnemen na persoonlijke geloofsbelijdenis varieert van 12 tot 16 jaar. In ons land liep het uit naar ongeveer 18 jaar. Er is een tendens om het nog later te doen omdat jongeren zich eerst breder willen oriënteren over de geloofsleer of over de kerk waarbij ze zijn aangesloten in verhouding tot andere kerken en gemeenschappen.

In onze Kerkorde (art.61) is gesteld dat het bij belijdenis doen moet gaan om een levend geloof. Een kerkenraad die bij het afnemen van en toelaten tot de openbare geloofsbelijdenis tevreden is met de verklaring van een historisch geloof, is in strijd met de uitspraken van Gods Woord en de grondslagen van de gereformeerde leer. Ook moet op het onlosmakelijke verband tussen het afleggen van belijdenis van het geloof en het gebruik van de sacramenten worden aangedrongen.

De bekende Dordtse Synode vermaande de predikanten om voorzichtig te zijn bij het toelaten tot de voorbereidingscatechisatie voor het avondmaal. Men moest alleen toelaten hen die met vrucht het onderwijs konden volgen en “die bekommerd waren om de zaligheid hunner zielen”. Maar dat hield ook in dat men, na eenmaal toegang te hebben gevraagd tot het avondmaal, niet mocht wegblijven. Ernstige vermaning was dan op zijn plaats.

Huisbezoek vooraf

Calvijn bepaalde in Genève dat in plaats van de kerkelijke biecht de predikanten en/of ouderlingen alle huizen bezochten van de lidmaten die geacht werden aan het avondmaal deel te nemen. Het gesprek ging dan over de kennis die men over het avondmaal had en welke verwachtingen er waren omtrent de viering. Het hing er natuurlijk van af hoe diep het in zo’n gesprek ging. Van dit bezoek met het oog op het avondmaal stamt het onder ons bekende huisbezoek af. In art. 23 van de Kerkorde is t.a.v. de ouderlingen bepaald: “Zij zullen jaarlijks huisbezoek afleggen. Daarbij zullen zij de leden van de gemeente vertroosten, vermanen en onderwijzen, onder andere met het oog op de avondmaalsviering.”

In dit verband is ook te wijzen op art. 81 waar staat: “De predikanten, ouderlingen en diakenen zullen in de kerkenraadsvergadering voorafgaande aan de viering van het heilig avondmaal onderlinge christelijke censuur oefenen met name door elkaar met betrekking tot hun ambtsbediening in liefde te vermanen.” Dus ook binnen de kerkenraad is er op deze wijze voorbereiding. Men noemt dat censura morum (Latijn voor: toezicht op de zeden). Dan kunnen soms mooie openhartige gesprekken ontstaan waarin men iets vertelt over wat men persoonlijk verwacht van de genadegaven, vertroostingen en bemoedigingen die Christus aan Zijn tafel uitdeelt. Of wellicht ook daarna!

Kinderen aan het avondmaal?

De belangrijkste vraag is: kan van een kind gevraagd worden het lichaam van de Heere goed te onderscheiden, zoals Paulus dat als norm stelt (1 Kor.11: 29)? Daarbij komt ook de constatering dat het avondmaal niet zomaar de voortzetting is van de Oudtestamentische Pesach-gezinsmaaltijd. Christus heeft het avondmaal alleen ingesteld voor Zijn gelovigen. Het oordeel des onderscheids is van een kind niet te vergen. Voorts zal de noodzaak van bewuste openbare geloofsbelijdenis niet meer zo sterk gevoeld worden wanneer kinderen eenmaal mee zouden doen. De reformatie heeft tegenover de RKtraditie sterk gepleit voor een goede catechese vooraf. Een ontwikkeling naar een klakkeloze avondmaalsviering wilde men juist afsluiten.

Verwijderen van oud zuurdeeg

In het Oude Testament lezen we dat Israël zich moest voorbereiden op Gods openbaring bij de Sinaï door o.a. hun kleren te wassen (Ex. 19: 10 – 13), maar ook bij andere godsdienstige plechtigheden was dat voorgeschreven. Denk ook aan het doorzoeken van de huizen als voorbereiding op het Paasfeest zoals de joden dat nu nog doen. Alle zuurdeeg moet worden verwijderd. Paulus wijst op dat gebruik als hij in 1 Kor. 5: 7v schrijft: “Verwijder het oude zuurdeeg, opdat u een nieuw deeg zult zijn. U bent immers ongezuurd, want ook ons Paaslam is voor ons geslacht: Christus. Laten wij dus feestvieren, niet met oud zuurdeeg van slechtheid en boosaardigheid, maar met ongezuurde broden van oprechtheid en waarheid.” We mogen deze woorden zeker ook van toepassing achten op onze avondmaalsvoorbereiding.

Een oordeel eten en drinken

Dit geldt nog meer voor de vermaning die Paulus aan de christenen in Korinthe heeft geschreven. Hun slordige gebruik van het avondmaal was voor Paulus aanleiding daar uitvoerig op in te gaan (1 Kor.11: 17 – 34). Kort gezegd schrijft hij dat iedere deelnemer zichzelf dient te beproeven en pas dan te eten en te drinken. Want wie op een onwaardige wijze eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelf een oordeel omdat hij niet onderscheidt het lichaam van de Heere. Deze laatste woorden hebben in onze traditie veel misverstand gegeven. Men ging het avondmaal mijden om maar niet onder Gods eeuwige oordeel te vallen. Hiertegenover is te stellen dat Paulus spreekt over “een” oordeel, dat blijkens v. 30 bestaat in een korter leven door ernstige, dodelijke ziekte, zoals Paulus dat kon constateren.

Het lichaam des Heeren onderscheiden

Vervolgens betekent het onderscheiden van het lichaam van de Heere blijkens de context niet alleen een gelovig beseffen wat Christus’ offer voor jouzelf betekent maar ook dat je door aan de tafel brood en wijn aan elkaar door te geven samen de gemeente (het lichaam) van de Heere vormt. De eerste christengemeenten kwamen in de huizen van welgestelde gemeenteleden samen (kerkgebouwen waren er immers nog niet) en hadden er de gastvrije gewoonte om samen te eten (liefdemaaltijden) en op een bepaald tijdstip over te gaan tot het plechtige avondmaal. Vaak hadden de rijken die niets met werktijden te maken hadden al veel op en waren dronken. Maar andere gemeenteleden, bijv. slaven, die pas na hun dagwerk konden komen, troffen bijna niets meer aan en namen met een lege maag op het moment van het gezamenlijke avondmaal eraan deel. Men lette dus niet voldoende op elkaar. Paulus wijst er op dat persoonlijk geloof en gezamenlijk geloof onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn in de maaltijd van de Heere! Als de behoeften van het eigen lichaam aan tafel zo’n grote rol blijken te spelen, kan er dan nog wel oprechte honger en dorst zijn naar Christus Zelf? En is er dan ook wel aandacht voor Zijn lichaam, de gemeente?

Serieuze voorbereiding

In onze kerkelijke traditie hebben Paulus’ woorden over het zelfonderzoek en het niet onderscheiden van het lichaam van de Heere een grote rol gespeeld en zijn ze vooral op het persoonlijk geloofsleven betrokken. De apostel wijst onmiskenbaar op een serieuze voorbereiding.

Hoewel Calvijn en Luther geen speciale regel hadden om vóór de avondmaalszondag een voorbereidingsdienst te houden, ontstond er in Zuidwest-Duitsland blijkens diverse kerkordes de gewoonte om op de voorafgaande zaterdag zo’n dienst te hebben. In ons land nam men de praktijk van de Nederduitse calvinistische vluchtelingengemeente in Londen over. De geestelijke leider aldaar, Marten Micron, gaf in zijn kerkorde (Christelijke Ordinantie 1554) veel aandacht aan de voorbereiding. Ook latere synoden in de bevrijde Nederlanden bepaalden de wenselijkheid van een voorbereidingsdienst. In onze Kerkorde staat dan ook de bepaling (art. 63) dat het avondmaal “na gehouden voorbereiding zal worden gevierd”.

Voorbereiding bij Petrus Immens

Tenslotte nog een voorbeeld van voorbereiding zoals we die tegenkomen in de traditie van de Nadere Reformatie, de beweging in de Nederlandse kerk die door Engels-puriteinse en ook Duits-piëtistische stromingen is beïnvloed en die verdieping van het persoonlijke en kerkelijke leven voorstond. Petrus Immens (1664 – 1720) behoorde tot de latere periode van deze richting. Zijn boek De godvruchtige Avondmaalganger (pas 32 jaar na zijn overlijden gedrukt!) beleefde vele herdrukken en is enkele jaren geleden opnieuw in hedendaags Nederlands uitgegeven (inmiddels 3 e druk). Het is dus voor velen een gids voor de persoonlijke avondmaalsviering (geweest). Uitgebreid worden het geloof en zijn kenmerken beschreven, de voorbereiding bij het avondmaal, de genietingen eronder en de nabetrachting ervan. Voorbijgaand aan de inhoudelijke kant geef ik nu alleen aan hoe hij zich de persoonlijke voorbereiding voorstelde en die ook adviseerde. We mogen aannemen dat hij die zelf ook in praktijk bracht.

Immens pleit voor een dag(gedeelte) van afzondering vooraf door het hele gezin (!). Om dan te vasten en in gebeden schuldbelijdenis te doen voor zichzelf en het gezin. “Men wekke elkaar op door godvruchtige samenspraken en heilig psalmgezang. Daarna begeve ieder zich in de eenzaamheid en zuchte tot God om Zijn kracht. Dan belijde ieder zijn zonde en smeke om vergeving. Men leze het een en ander (nl. uit de Schrift, R.) en verbinde zich plechtig aan de Heere tot vernieuwing van het verbond. Tenslotte kome men weer samen en besluite de dag met openlijke gebeden”. Immens acht het ook nodig om in de overige dagen voorafgaand aan de avondmaalszondag zich een half uur af te zonderen voor meditatie en gebed. Het kan z.i. ook nuttig zijn aantekeningen en een dagregister bij te houden van alle geestelijke werkzaamheden, oefeningen en ervaringen tijdens de voorbereidingen ten avondmaal. Voor de huidige lezer krijgt de emotionele voorbereiding wel een zwaar accent en lijkt het wel een hele verplichting die men op zich moet nemen. Toch zegt Immens dat ieder zijn voorbereiding mag regelen naar eigen tijd en omstandigheden. Hij besluit zijn adviezen dan ook met de woorden: “Nu, de Heere onderwijze uzelf door Zijnen Geest.” Lezing van bovenstaande raadgevingen doet ons wel beseffen hoe groot het verschil is tussen de levenssfeer in de pastorie van een Zeeuwse predikant uit de 17 e eeuw en de huidige kerkganger en zijn gezin.

Blijft staan dat we ons altijd – hoe dan ook - hebben voor te bereiden om de Heere aan Zijn tafel te ontmoeten en het door Hemzelf ingestelde sacrament met verlangen en dankbaarheid te ontvangen.

Niet om ons voor Hem aanvaardbaar te maken maar om te beseffen wat Zijn genade voor zondaren inhoudt.

Ds. Rietveld is emeritus predikant en woont in Nijkerk.

Dit artikel werd u aangeboden door: Christelijk Gereformeerde Kerken

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 2019

Ambtelijk Contact | 20 Pagina's

Voorbereiding op doop en avondmaal in het licht van Schrift en traditie

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 2019

Ambtelijk Contact | 20 Pagina's