Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

“… al is het dat mij mijn consciëntie mij aanklaagt”(17)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

“… al is het dat mij mijn consciëntie mij aanklaagt”(17)

Over de plaats van het geweten in de opvoeding en de bekering

9 minuten leestijd

Geliefde lezer, in de vorige bijdragen hebben we stil gestaan bij de rechtvaardiging door het geloof alleen. Hoe de Heere nu door genade een zondaar vergeving der zonden schenkt. Dan kan de vraag rijzen: Is het geestelijke leven nu tot haar hoogste doel gekomen? Is het dan goed als ik weten mag dat mijn zonden mij vergeven zijn? Wat zou dat erg zijn. Want dan zijn we altijd nog zo op onszelf gericht. Dan zou het werk van Christus niet volkomen in de zondaar zijn. Want Christus is niet alleen gestorven, maar Hij is ook opgestaan. Hij heeft het eeuwige leven voor de Zijnen verworven. Opdat ze leven zouden tot Gods eer. Het gaat ten diepste niet om mijn zaligheid, maar om de eer van God. Hoe wordt Hij verheerlijkt in mijn leven. Daarom: na de vergeving begint het ware leven pas. Het leven waarin het gaat om de eer van God en het heil van de naaste. Het leven der heiligmaking. In dat nieuwe leven neemt ook het geweten weer een belangrijke plaats in. Want wat lezen we van de levenspraktijk van Paulus? ‘En hierin oefen ik mijzelven, om altijd een onergerlijke consciëntie te hebben bij God en de mensen’ (Handelingen 24:16).

Het geweten en heiligmaking

Wat verstaat Paulus onder een onergerlijk geweten? Onergerlijk betekent zoiets als: geen aanstoot geven, mensen niet ergeren. Paulus schrijft dit terwijl hij zich moet verantwoorden voor stadhouder Felix. De Joden hebben tegen hem verschillende beschuldigingen geuit. Ze ergeren zich aan zijn optreden en nemen aanstoot aan zijn prediking. De ergernis tegen hem is zo groot, dat ze hem wel zouden willen doden. En juist dan zegt Paulus tegen de stadhouder: Ik span me in om een onergerlijk geweten te hebben tegenover God en de mensen. Zo’n uitspraak roept toch wel vragen op. Hoe kun je dat nu zeggen, Paulus? Wel, de apostel spreekt in het licht van de komende oordeelsdag. Hij weet dat hij voor God eenmaal rekenschap moet afleggen van zijn handel en wandel hier op aarde. En vooruitlopend op dit oordeel mag hij nu weten dat zijn geweten hem in het licht van al die geuite beschuldigingen vrijspreekt.

Strijd

Om een rein en vrij geweten voor God te mogen hebben, dat brengt in de ziel strijd teweeg. Heel nadrukkelijk zegt Paulus dat hij zich in de eerste plaats geoefend, ingespannen heeft om bij God door zijn gedrag geen ergernis te geven. God weet dat ik niets gedaan heb waardoor ik aanleiding heb gegeven tot deze ergernis. In alles heb ik juist geprobeerd geen aanstoot te geven. Het is mijn verlangen om de Heere door mijn levenswandel te verheerlijken. Dat is voor hem het allerbelangrijkste. Hij oefent zich daarin. Denk aan een hardloper die er alles aan doet om de prijs te behalen. Hij oefent en traint de hele week om die prijs in de wacht te kunnen slepen. Alles moet ervoor wijken. Wel, dat is ook het leven van Paulus. Een leven dat gepaard gaat met heel veel strijd. Want de apostel weet dat in hem geen goed woont. Hij is erachter gekomen hoe zijn oude mens tekeer kan gaan. Mijn vlees, zo schrijft hij ergens, wil zich aan God en Zijn wet niet onderwerpen.

Vlees en geest

Op indrukwekkende wijze schrijft Paulus over die geestelijke strijd in Romeinen 7. Een enkel vers uit dat hoofdstuk: ‘Zo vind ik dan deze wet in mij: als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt. (...) Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?’

Paulus spreekt hier over de strijd tussen vlees en geest. De oude mens die Gods kind naar beneden wil trekken, bij zijn Zaligmaker vandaan, om de vrede in zijn hart weg te nemen. De satan probeert met al zijn gemene aanvallen scheiding te maken tussen God en het hart, tussen de Heere Jezus en de ziel. Het liefst ziet hij Gods kinderen struikelen in de zonden en ook dat ze daarin blijven liggen. Die werkelijkheid deed Paulus in dit hoofdstuk dan ook uitroepen: ‘Het goede, dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik!’ Maar te midden van die strijd mag hij overwinnen. Ziende op het kruis van Christus, ziende op Zijn eeuwige zondaarsliefde, jubelt hij het uit: ‘Ik dank God door Jezus Christus onzen Heere.’

Dit is een hele oefening. Een strijd die nooit ophoudt. Want je eigen ik sterft niet. Steeds heb je te strijden tegen je hoogmoed, eerzucht, eigenliefde enzovoort, die er steeds weer aanleiding voor kunnen zijn dat je de Heere en de naaste ergert en aanstoot geeft. Daarom is een leven lang nodig om je te oefenen altijd een onergerlijk geweten te hebben. Geliefde lezer, kenmerkt uw leven zich ook door deze strijd en mag u Paulus nazeggen dat u zich oefent om een rein geweten te hebben voor God en de mensen?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 22 januari 2019

Bewaar het pand | 12 Pagina's

“… al is het dat mij mijn consciëntie mij aanklaagt”(17)

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 22 januari 2019

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken