Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Cyprianus – pastor in tijden van grote sterfte (6, slot)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Cyprianus – pastor in tijden van grote sterfte (6, slot)

9 minuten leestijd

Kritische vragen

De vorige keer kondigde ik al aan dat we ter afsluiting nog twee kritische vragen zouden stellen bij het kleine boekje van Cyprianus Over de sterfelijkheid. Allereerst de vraag of de oproep van Cyprianus aan zijn lezers om niet te treuren wanneer geloofsgenoten van hun zijde worden weggenomen, wel helemaal terecht is.

Die vraag laat zich inderdaad wel stellen. De Bijbel laat namelijk duidelijk zien, dat ook wanneer Gods kinderen sterven, er rouw en verdriet is bij degenen die achterblijven. Het is goed om daar even de vinger bij te leggen. Nogal eens zie je in onze tijd de gewoonte om, wanneer iemand overlijdt, te spreken over een dankdienst voor het leven. We komen dat echter in de Bijbel niet tegen. De Bijbel is er heel duidelijk over, dat er plaats mag zijn voor rouw en voor verdriet, wanneer iemand sterft. Ook wanneer iemand door genade een goede ruil mocht doen, laat hij op aarde wel een lege plaats achter.

Als de apostel Paulus in 1 Thessalonicensen 4: 13 schrijft: ‘Doch, broeders, ik wil niet dat gij onwetende zijt van degenen die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd zijt gelijk als de anderen, die geen hoop hebben’, wil hij daarmee dan ook niet alle droefheid over degenen die ons ontvallen zijn, verbieden. De Heere Jezus heeft Zelf ook geweend over Lazarus (Johannes 11: 35), de eerste christengemeente over Stefanus (Handelingen 8: 2) en Paulus over Epafroditus, toen die zeer ernstig ziek was (Filippensen 2: 27). Wel wil de apostel ermee duidelijk maken, dat er geen onmatige en heidense droefheid mag zijn, waarbij men zou treuren zonder hoop.

Gevlucht

De tweede vraag: Is wat Cyprianus schrijft, niet al te gemakkelijk ge-zegd, als we letten op het feit dat hij zelf in tijden van vervolging wegvluchtte uit Carthago en buiten de stad onderdook? Dat laatste is een gevoelig punt geweest in Cyprianus’ leven. Steeds weer hebben critici hem voorgehouden dat hij niet mocht wegvluchten tijdens de vervolging. Cyprianus heeft op zijn beurt uitgelegd waarom hij vluchtte. Het was onder meer om de aandacht van de overheid niet te veel op de gemeente van Carthago te richten; de vervolging richtte zich namelijk aanvankelijk sterk op de bisschoppen. En ook wilde Cyprianus in leven blijven om de gemeente te kunnen dienen; zij had – zo schrijft later één van zijn diakenen – haar stuurman zo hard nodig.

Maar laten we niet vergeten, dat binnen tien jaar na de eerste periode van vervolging een tweede periode aanbreekt. Tijdens die tweede periode wordt Cyprianus eerst, in 257, verbannen naar Curubis. Een jaar later wordt hij teruggeroepen en veroordeeld tot de doodstraf. De bisschop sterft dus uiteindelijk als martelaar.

Martelaar

De akte van de rechtszitting waarbij hij veroordeeld is, bleef voor ons bewaard. We komen eruit te weten hoe Cyprianus zijn rechters te woord stond. Ik citeer: ‘Ik ben christen en bisschop. Ik ken geen andere goden dan de ene, ware God, Die hemel en aarde, de zee en alles wat daarin is, heeft geschapen. Dat is de God die wij, christenen, dienen, tot Wie wij dag en nacht bidden voor onszelf, voor alle mensen en voor het welzijn van de keizers zelf’.

De laatste zin is kenmerkend voor veel vroegchristelijke geschriften. Juist als de christenen ervan beschuldigd werden dat ze een bedreiging zouden vormen voor de maatschappij omdat ze niet wilden offeren voor de keizer, verdedigden zij zich door te zeggen dat ze de keizer weliswaar niet vereerden, maar wel eerden door voor hem te bidden. Voorbede voor de overheid had dus ook een apologetische functie.

Laatste ogenblikken

Indrukwekkend is de beschrijving van Cyprianus’ laatste ogenblikken: ‘Hij werd naar de akker achter het paleis van de gouverneur geleid, ontdeed zich daar van zijn mantel en spreidde die uit op de grond om erop te knielen. Toen trok hij zijn priestergewaad uit, overhandigde dat aan zijn diakenen en wachtte in linnen onderkleed de beul af. Toen deze verscheen gaf hij de zijnen opdracht hem vijfentwintig goudstukken te geven. Toen deed Cyprianus de blinddoek eigenhandig voor. Daarna onderging Cyprianus de marteldood’.

Zo kwam er een einde aan het leven van de bisschop van Carthago. Ook na zijn sterven hebben zijn verhandelingen – korte boekjes over praktische onderwerpen – en zijn brieven veel invloed uitgeoefend. Vooral de grote kerkvader Augustinus heeft hem vaak aangehaald. Maar ook Calvijn grijpt nogal eens op Cyprianus terug. En onze oudvaders waren stuk voor stuk ook kenners van de kerkvaders, die zij op hun beurt ook ‘Oudt-vaders’ noemden.

Voor Cyprianus zelf geldt intussen dat hij, zoals hij zelf schreef, ‘langs de smalle Christusweg tot Christus’ mocht gaan. Hij kwam aan op de plaats waarvan Gods Kerk mag zingen: Daar is de vreemdelingschap vergeten, en wij, wij zijn in ’t Vaderland’.

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 2020

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Cyprianus – pastor in tijden van grote sterfte (6, slot)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 2020

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken