Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Belijdenis doen (2)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Belijdenis doen (2)

8 minuten leestijd

En zij traden in een verbond, dat zij den Heere, den God hunner vaderen, zoeken zouden met hun ganse hart en met hun ganse ziel (2 Kronieken 15:12).

Wat is het doen van belijdenis des geloofs door jongeren van de gemeente eigenlijk? En waarom zou ik belijdenis doen?

Een belangrijk en leerzaam antwoord op die vragen is dáár in het Oude Testament te vinden, waar de Israëlieten het verbond van de Heere vernieuwen. Zie hiervoor bijvoorbeeld Jozua 24 of 2 Kronieken 34. En ook 2 Kronieken 15, waaruit onze tekst afkomstig is.

De vorige keer hebben we nagedacht over wat de Israëlieten aan de Heere beloofden, toen zij in een verbond traden: dat zij den Heere zoeken zouden met hun ganse hart en met hun ganse ziel. Verder maakten we een begin met de vraag waarom de Israëlieten dit beloofden. Het was allereerst vrucht op het door de profeet Azária gepredikte Woord (2 Kronieken 15:1).

Het recht van God

Maar er is nog een tweede reden waarom het volk plechtig belooft dat zij de Heere zullen zoeken. Dat is omdat de Heere daar recht op heeft. En wel vanuit twee gezichtspunten:

a. Hij heeft er allereerst recht op als onze Schepper en Wetgever. Als Zijn schepselen zijn we verplicht de Wet van onze Schepper te gehoorzamen. Daarom hoort u in de belofte van het volk ook een echo van de Wet klinken. Die Wet eist immers: ‘Gij zult liefhebben den Heere uw God met geheel uw hart en met geheel uw ziel’. In de belofte van het volk hier hoort u diezelfde woorden: dat zij de Heere zoeken zouden met hun ganse hart en met hun ganse ziel. Belijdenis doen is dus (onder andere) erkennen: U hebt mij geschapen. En als mijn Schepper en Wetgever hebt U er recht op dat ik U zoek.

b. De Heere heeft er in de tweede plaats recht op als de God van het verbond. Hij heeft in dat verbond een heilige claim gelegd op ons leven. Prof. Wisse sprak in dat verband wel over ‘Gods opeisende verbondsrecht’. In Ezechiël 16:20 zegt Hij tegen de moeders van Israël (zelfs in een heel goddeloze tijd): ‘uw zonen en uw dochteren, die gij Mij gebaard had’. De kinderen van het verbond dienen te leven voor Hem. Welnu, dat erkennen de Israëlieten in onze tekst ook. Daarom wordt er gesproken over de God hunner vaderen. Belijdenis doen is dus ook erkennen: U hebt mij afgezonderd onder het verbond, me daarin bijzonder bevoorrecht. En als God van het verbond hebt U er óók recht op, dat ik U zoek.

Voor de meesten van ons geldt, dat vele jaren geleden onze ouders met ons bij de doopvont stonden. Toen hebben onze ouders verklaard dat zij de leer van de kerk hielden voor de ware en zaligmakende leer. Toen hebben zij beloofd: Wij zullen onze kinderen bij die leer opvoeden. Wij zullen hen onder dat Woord brengen en hen daarin onderwijzen.

Al blijven ouders altijd een verantwoordelijkheid houden ten opzichte van hun kinderen, er zal toch (hopelijk!) een moment komen dat je als jongvolwassene de bij de doop uitgesproken verantwoordelijkheid gaat overnemen. En dat je diezelfde belofte gaat herhalen: Dat je ook de leer van de kerk die je hebt gehoord, geleerd en beleden, houdt voor de ware en zaligmakende leer. En dat je belooft dat je door Gods genade bij die leer wilt blijven en ernaar wilt leven.

De lieflijke nodiging

Er is nog een derde reden waarom het volk belooft dat het de Heere zal zoeken. Daarvoor blikken we nog even terug op de woorden van de profeet Azária. In die woorden ligt iets nodigends, iets dat lieflijk wil lokken. We horen Azária zeggen: ‘Indien gij Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden’. Het zoeken van de Heere is geen vergeefse zaak. ‘Ik heb tot het zaad Jakobs niet gezegd: Zoekt Mij tevergeefs.’ Juist de weg van het biddend zoeken in Zijn huis, in Zijn Woord, in de gebeden, in Zijn geboden wil de Heere zegenen. Nee, niet in die zin dat een mens zijn zaligheid verdienen kan. Maar wel, in die zin dat God een Beloner is dergenen die Hem zoeken (Hebreeën 11:1).

En tegelijk geldt ook: ‘De Heere heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien of iemand verstandig ware, die God zocht. Zij zijn allen afgeweken… er is niemand die goed doet, ook niet één’ (Psalm 14:2 en 53:3). Het echte zoeken begint daar, waar we door het werk van Gods Geest gaan zien dat we God kwijt zijn, en waar we gaan beleven dat God kwijt, alles kwijt is. Moge de Heere ons door Woord en Geest in dat gemis brengen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 2020

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Belijdenis doen (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 2020

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken