Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Wie is mijn naaste?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wie is mijn naaste?

22 minuten leestijd

Elke dag lees je over hen in de krant of op internet. Over miljoenen mensen in arme landen. Op de vlucht voor oorlog. Op zoek naar voedsel. Berooid. Mag ik die krant zomaar wegleggen in de lectuurmand? Die website zomaar wegklikken? Of komen hier hulpbehoevende naasten op mijn weg?

Veel mensen geven geld aan goede doelen. Dat geld wordt voor een belangrijk deel besteed aan mensen die duizenden kilometers van ons verwijderd zijn. Mensen die we nooit gezien hebben en waarschijnlijk ook nooit zullen zien.

‘Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf’. Alleen al in het Nieuwe Testament klinkt dat gebod acht keer. Het Bijbelse woord ‘naaste’ wijst op nabijheid. Denk aan een gescheiden vrouw die verderop in de straat woont en in haar eentje voor haar drie kinderen zorgt. Eenzame ouderen uit je kerkelijke gemeente. Om ons heen zijn er zoveel hulpbehoevende naasten. Waarom zouden we op zoek gaan naar verre naasten?

Iedereen is mijn naaste

Je natuurlijke neiging kan zijn: ik help alleen mensen met wie ik me verbonden voel. Dat was ook de gedachte van de Schriftgeleerde. Hij had graag van de Heere Jezus gehoord dat hij alleen zijn Joodse medeburgers moest helpen, als ze in nood waren. Maar de Heere Jezus draait het om. Samaritanen en Joden waren bittere vijanden. En nu helpt nota bene een Samaritaan een overvallen en mishandelde Jood! (Lukas 10). Met andere woorden: die Schriftgeleerde moet niet alleen een volksgenoot in nood helpen, maar ook een hulpbehoevende vijand die hij tegenkomt.

In de Bergrede gaat de Heere Jezus in op het gebod: ‘Gij zult uw naaste liefhebben’ (Mattheüs 5 vers 23). Hij gaat daar in tegen de Schriftgeleerden die zeiden dat je je broeder moet liefhebben, maar je vijand mag haten. Calvijn zegt in zijn verklaring van dit Bijbelvers: ‘Er is niets duidelijker en zekerder dan dat God hier het hele menselijke geslacht bedoelt, wanneer Hij over onze naasten spreekt. Want omdat iedereen op eigen voordeel bedacht is - zo vaak een bijzonder belang scheiding maakt tussen de een en de ander - gaat de wederkerige mededeelzaamheid die alleen de natuur ons al leert, verloren. Om ons daarom door de band van de liefde als broeders met elkaar te verstrengelen, zegt God dat alle mensen onze naasten zijn, omdat dezelfde natuur ons met hen verbindt. Zo vaak als ik een mens zie, moet ik als het ware mijzelf in een spiegel zien, omdat hij van mijn vlees en beenderen is.’

In de woorden van de Heere Jezus uit Mattheüs 5 vers 23 ligt de nadruk op het liefhebben van je vijand. Hij is je naaste, ook al gaat dat tegen je gevoel in. In het verband van zowel de Bergrede als Lukas 10 gaat het om Samaritanen. Er waren veel spanningen tussen Joden en Samaritanen. Maar de Heere Jezus wijst erop dat ze hun medemensen zijn.

Kiezen uit een miljard mensen

Deze wereld is groot. De groep mensen die we elke dag tegenkomen, is eigenlijk maar beperkt. Huisgenoten, buren, collega’s, gemeenteleden. Een aantal van hen heeft hulp nodig. Maar er wonen op deze immense wereld nog veel meer mensen in nood. Als alle mensen mijn naasten zijn en ik mijn naaste in nood moet helpen, dan móet ik keuzes maken. De vraag is voor welke medemens ik een naaste kan zijn zoals de Heere Jezus het bedoeld heeft. Het begrip ‘verbondenheid’ kan ons helpen om een antwoord te krijgen.

De eerste kring: huwelijk, gezin en familie – natuurlijke verbondenheid

De binnenste kring om je naastenliefde te bewijzen is het huwelijk, het gezin, de familie. Paulus schrijft aan Timotheüs: ‘Zo iemand de zijnen, en voornamelijk zijn huisgenoten, niet verzorgt, die heeft het geloof verloochend en is erger dan een ongelovige’ (1 Timotheüs 5 vers 8). Het gaat hier om de zorg die je elkaar verschuldigd bent binnen het gezin, de familie, dus de zorg tussen ouders, kinderen en kleinkinderen. Stel je voor: je zieke moeder heeft bij het ouder worden extra hulp van de kinderen nodig. Of je broer die psychisch kwetsbaar is, vraagt de nodige begeleiding. Als je als christen dan je verantwoordelijkheid niet neemt, heb je eigenlijk je geloof verloochend. Een scherpe uitspraak van Paulus! En als je naaste familieleden ver weg wonen? Ook dan blijft de natuurlijke verbondenheid. Onderkoning Jozef in Egypte nam de verantwoordelijkheid voor zijn hongerige familie in het verre Kanaän.

De tweede kring: de huisgenoten des geloofs – geestelijke verbondenheid

Van de binnenste kring gaan we naar een volgende, wijdere kring. God heeft ons door Zijn goedheid op het kerkelijk erf geplaatst. Wie door genade ook een levend lid van de Kerk geworden is, mag allen die de Naam van Christus belijden zijn broeders en zusters noemen, waar ook ter wereld.

Johannes doet in zijn zendbrieven krasse uitspraken over de liefde tot de broeders. ‘Zo wie nu het goed dezer wereld heeft en ziet zijn broeder gebrek hebben, en sluit zijn hart toe voor hem, hoe blijft de liefde Gods in hem?’ (1 Johannes 3 vers 17). Als je rijk bent, geeft God je de gelegenheid om je liefde aan je armere broeders te bewijzen.

Met die armere broeders hebben wij een diepere band dan met niet-christenen. Paulus zegt in Galaten 6 vers 10: ‘Zo dan, terwijl wij tijd hebben, laat ons goed doen aan allen, maar meest aan de huisgenoten des geloofs’. Het gaat hier overigens ook gaan om broeders en zusters ver weg. Denk aan de collecte die de arme gemeenten van Macedonië en Korinthe houden voor de nog armere gemeente in Jeruzalem (2 Korinthe 8-9).

De derde kring: plaats, land, volk – fysieke verbondenheid

Na de natuurlijke en geestelijke verbondenheid is er de fysieke verbondenheid. Bijvoorbeeld: In jouw straat woont een gescheiden moeder met drie kinderen of een Eritrees gezin dat kortgeleden een verblijfsvergunning kreeg.

De Bijbel geeft indringende voorbeelden van onze verantwoordelijkheid voor hulpbehoevenden in de plaats, de streek of het land waar we wonen.

De barmhartige Samaritaan geeft het positieve voorbeeld. Hij helpt een Jood die langs de weg in elkaar geslagen is. Ze wonen allebei in hetzelfde land Israël. De Samaritaan helpt, ondanks de slechte verhouding tussen Joden en Samaritanen. Zo zou je je in Nederland kunnen voorstellen dat een reformatorische christen in Rotterdam zich inzet voor ontspoorde jongeren in de stad.

De rijke man geeft het negatieve voorbeeld. De arme Lazarus zit elke dag aan het begin van zijn oprijlaan te bedelen. De rijke man knijpt altijd even zijn neus dicht, als hij die stinkende zweren ruikt. Hij negeert Lazarus gewoonweg. Maar eenmaal zal Lazarus tegen hem getuigen, voor Gods rechterstoel. In Nederland zijn er ook heel wat Lazarussen die verzorging nodig hebben. Aan hen kunnen we als christelijke gemeenschap niet voorbijgaan. Kortom, fysieke verbondenheid betekent dat je niet voorbij mag gaan aan de noden in je eigen samenleving. Denk aan Boaz. Hij liet, in overeenstemming met de wet van Mozes, de armen uit zijn omgeving de aren van zijn akker oprapen die bij de oogst achtergebleven waren (Ruth 2).

De vierde kring: allemaal naasten, wereldwijd – algemeen-menselijke verbondenheid

De buitenste kring van mensen zijn de arme naasten wereldwijd. Met hen zijn we verbonden door het feit dat we allemaal mens zijn, schepselen, op elkaar aangewezen in een bijna grenzenloze wereld. De keuzes die wij hier maken hebben invloed op het leven van mensen ver weg, soms op een heel directe manier.

Ook al zijn nogal wat gezinnen gedwongen om in deze onzekere tijd een strak financieel beleid te voeren, bijna iedereen kan wel wat geld vrij maken om te delen met onze verre naasten, die het materieel veel slechter hebben. Opnieuw kunnen we denken aan Galaten 6 vers 10, maar nu met de nadruk op het eerste gedeelte van die tekst: ‘Laat ons goed doen aan allen’. En aan het ‘tweede grote gebod’, namelijk onze naaste lief te hebben als onszelf – waar ze ook wonen (Mattheüs 22 vers 37-40). Die naasten-ver weg komen niet naar ons, rijke westerlingen, toe. We zullen actief naar hen op zoek moeten.

Maar nu blijft de vraag: Hoe maak ik uit die vele arme medemensen een keus? Het begrip verantwoordelijkheid kan ons helpen. Zowel in de zin van verantwoordelijkheid hebben, als in de zin van verantwoordelijkheid nemen. Enkele voorbeelden kunnen dit verduidelijken.

Het eerste voorbeeld: je neemt verantwoordelijkheid voor de nood van mensen waarin zij mede door jouw toedoen gekomen zijn.

Je komt erachter dat het hardhout van je schutting geen FSC keurmerk heeft. Je leest in de krant dat de ontbossing in het Amazonegebied nog doorgaat en dat arme Brazilianen hierdoor getroffen worden. Je gaat geld doneren aan een organisatie die zich inzet voor herbebossing van het gebied.

Het tweede voorbeeld: je neemt verantwoordelijkheid voor de nood van mensen waar ze door andermans toedoen, bijvoorbeeld door criminelen, in gekomen zijn. Je leest over meisjes in India die ontvoerd zijn en ergens anders aan het werk moeten als huissloof of als seksslaaf. Niemand die zich over hen bekommert, behalve enkele christelijke organisaties die proberen hen te bevrijden. Je wordt sponsor van die organisaties.

Het derde voorbeeld: je neemt verantwoordelijkheid voor de nood van mensen waarin ze zich door eigen toedoen gebracht hebben.

Je bent getroffen door het getuigenis van iemand die volledig op het verkeerde pad was, een lange gevangenisstraf heeft uitgezeten en mede dankzij een stichting voor ex-gedetineerden weer een nieuw bestaan opbouwt. Het werk van de stichting kan voortaan op jouw financiële steun rekenen.

Het vierde voorbeeld: je neemt verantwoordelijkheid voor de nood van mensen waarin ze zonder toedoen van anderen in terecht gekomen zijn en waar ze zonder acute hulp van buitenaf niet uit kunnen komen.

Je hebt bijvoorbeeld geld gedoneerd aan organisaties die na een aardbeving of orkaan eerste hulp aan slachtoffers verleenden.

Bij alle noden die via het nieuws tot ons komen, kun je de vraag stellen: heb ik een verantwoordelijkheid? Uiter aard staan daarbij de noden voorop die mede door ons toedoen veroorzaakt zijn. De andere noden komen daarna.

Conclusie

Deze wereld is groot. Maak ik een gift over voor hulp in Syrië? Of in Zuid-Soedan dat veel verder weg is? Of in Nepal dat nog verder weg is? Kijk niet naar het aantal kilometers, maar bepaal met behulp van het begrip verantwoordelijkheid of je een taak hebt. Geven hoeft niet altijd geld te zijn, maar kan ook in daden tot uitdrukking komen voor de naaste dichtbij.

Verantwoordelijkheid hebben omdat, ook al is het maar een klein beetje, mede door jouw toedoen mensen in nood gekomen zijn. Bijvoorbeeld door onverantwoord consumptiegedrag.

Of verantwoordelijkheid nemen voor verre naasten die door eigen toedoen, door toedoen van anderen of door natuurrampen getroffen zijn.


‘Voor donateurs die meer willen weten schreef Evert Jan Brouwer het boekje ‘Wie is mijn naaste?’ De auteur gaat uitgebreid in op geven aan goede doelen. Daarnaast bespreekt hij hoe we via maatschappelijke en politieke inspanningen en via een bewuste leefstijl kunnen bijdragen aan minder armoede en onrecht.’ 175 pagina’s, De Banier 2015, € 12,95


Wat betekent de benaming naaste?

Niet alleen de verwanten of vrienden of die door een of andere onvermijdelijkheid met ons verbonden zijn, maar ook diegenen die ons onbekend zijn, ja zelfs vijanden.

Wat voor band hebben die toch met ons?

Ongetwijfeld zijn zij met die band verbonden waarmee God heel het menselijk geslacht samen verenigd heeft, want die is onverbrekelijk en onschendbaar en kan door niemands slechtheid teniet gedaan worden.

Johannes Calvijn, Catechismus van Geneve, vraag en antwoord 221-222


Alle mensen in één aandoening van liefde omarmen

Naarmate iemand met ons nauwer verbonden is, moeten wij hem ook op een vertrouwelijker wijze met onze diensten bijstaan. Want de menselijke levenswijze brengt met zich, dat mensen elkaar over en weer meer diensten bewijzen, naarmate zij door nauwere banden of van verwantschap of van vriendschap of van nabuurschap onderling verbonden zijn. En dat zonder dat God daar aanstoot aan neemt. Het is door Zijn voorzienigheid dat wij daar in zekere zin toe gedreven worden. Maar ik zeg wel dat het geslacht van de mensen in zijn geheel, zonder uitzondering, in één aandoening van liefde omarmd moet worden en dat hier geen onderscheid is tussen een onbeschaafd mens of een beschaafde Griek, tussen waardig of onwaardig, vriend of vijand, omdat men ze in God moet zien, niet in zichzelf.

Johannes Calvijn, Institutie, Boek II, hoofdstuk 8, par. 55


Zoek de armen op

Geef niet slechts aan degenen die iets van u komen vragen, maar ga eropuit en verneem waar de armen zijn, steun en help ze. ‘Een milddadige’, zegt de profeet Jesaja in hoofdstuk 32 vers 8, ‘beraadslaagt milddadigheden en staat op milddadigheden.’ U behoort uit te zoeken waar de mens is die u het meest goed kunt doen met hulp en bijstand.

Christopher Love (1618-1651), Eens coopmans onderrichtinghe, preken over 1 Korinthe 7 vers 30 en 31, vierde preek

Dit artikel werd u aangeboden door: KOC Visie

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 februari 2020

Criterium | 36 Pagina's

Wie is mijn naaste?

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 februari 2020

Criterium | 36 Pagina's