Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het voornaamste stuk der dankbaarheid

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het voornaamste stuk der dankbaarheid

16 minuten leestijd

Ds. W. à Brakel beschrijft het gebed als volgt: ’t Gebed is een uitdrukking van heilige begeerten tot God in den Naam van Christus, welke door de werking des Heiligen Geestes uit een weder geboren hart voortkomen, met verzoek om die te verkrijgen. (Redelijke Godsdienst deel II, p. 368; Utrecht 1985, 6e druk)

De Heidelbergse Catechismus (HC) noemt het gebed het voornaamste stuk der dankbaarheid, ‘welke God van ons vordert, en dat God Zijn genade en den Heiligen Geest alleen aan diegenen geven wil, die Hem met hartelijke zuchten zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken.’ (HC zondag 45, antwoord 116)

De gehele dienst van God wordt in Gods Woord samengevat met de uitdrukking ‘aanroeping Zijns Naams’. (Gen. 4:26) Gods volk krijgt dan ook de titel ‘aanroepers Zijns Naams’. Het gebed is een onderdeel van de geestelijke wapenrusting en het wordt wel genoemd de geestelijke polsslag. Bidden komt in de Bijbel onder veel benamingen voor, zoals: smeken, klagen, roepen, getier maken, vragen, zoeken van Zijn Aangezicht, opheffen van de ziel, gemeenschap met God, God aanroepen.

In antwoord 117 van de HC wordt beschreven wat de kenmerken zijn van een Gode aangenaam gebed dat door Hem verhoord wordt: ‘Eerstelijk dat wij alleen den enigen waren God, Die Zich in Zijn Woord ons geopenbaard heeft, om al hetgeen Hij ons geboden heeft te bidden, van harte aanroepen. Ten andere dat wij onzen nood en ellendigheid recht en grondig kennen, opdat wij ons voor het aangezicht Zijner majesteit verootmoedigen. Ten derde dat wij dezen vasten grond hebben dat Hij ons gebed, niettegenstaande wij zulks onwaar-dig zijn, om des Heeren Christus wil zekerlijk wil verhoren, gelijk Hij ons in Zijn Woord beloofd heeft.’

De grond van het gebed

Geen mens heeft een toegang tot God dan alleen wanneer hij en zijn gebed mag worden aangezien in het volbrachte Middelaarswerk. Christus is alleen het altaar waarop onze smekingen voor Gods aangezicht gelegd kunnen worden. Daniël eindigt zijn gebed (Daniël 9:18) als volgt: ‘Wij werpen onze smekingen voor Uw aangezicht niet neder op onze gerechtigheden, maar op Uw barmhartigheden, die groot Zijn.’ Hij bedoelt hier de barmhartigheden in Christus. Er zijn geen andere voorsprekers dan alleen Christus. Artikel 26 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis (NGB) spreekt wat dit betreft duidelijke taal.

Inhoud van het gebed

De Heidelbergse Catechismus (HC) zegt in antwoord 118 dat we God moeten bidden ‘om alle geestelijke en lichamelijk nooddruft, welke de Heere Christus begrepen heeft in het gebed dat Hij ons Zelf geleerd heeft.’ Een gebed waarin niet gevraagd wordt om waarachtige bekering, kan geen gebed genoemd worden. Het is ook onbegrijpelijk dat hier niet voor gebeden wordt als men beseft hoe noodzakelijk de bekering is. Als er echter van wordt uitgegaan dat de kinderen van de gemeente in het genadeverbond zijn, dan blijft het vragen om bekering doorgaans ook achterwege in het gebed. Er wordt wellicht nog wel gesproken over vergeving van dagelijkse zonden, maar niet over de wedergeboorte in engere zin.

Degene die voor de klas staat, moet eenvoudig zijn in de keus van woorden. Het is goed voorafgaand aan het gebed te noemen waaraan bijzonder gedacht zal worden tijdens het bidden. We denken dan aan ziekte van kinderen, aan bijzondere zorgen in gezinnen of noden die op dat moment de gemoederen bezig houden. Bij het in het openbaar voorgaan in het gebed gaat het er ook om dat de ander gesticht wordt. Wees daarin sober. De apostel Paulus wekt de voorgangers daarom op met het verstand te bidden. Langgerekte gebeden stichten niet en zijn zeker bij jongere kinderen af te keuren. De Heere is alwetend. Daarom is het niet nodig dat we uitgebreid noemen hetgeen we nodig hebben. Toch heeft het Hem behaagd om aan Zijn volk te bevelen dat ze Hem bidden en Hij Zelf werkt dat gebed ook in hun harten door Zijn Geest. Het gebed is een middel waardoor Gods volk een levende gemeenschap oefent met de Heere en dan mag het zich in heilige zielswerkzaamheden aan Hem overgeven en toevertrouwen.

Gewaarschuwd moet worden tegen het gebruik van stopwoorden in gebeden. Zeker is het af te keuren als we de naam Heere te vaak gebruiken. Sommigen gebruiken de Naam in iedere zin. Dat komt niet overeen met de woorden van de HC ‘dat wij den heiligen Naam Gods anders niet dan met vreze en eerbied gebruiken’. (HC antwoord 99)

Het ‘Onze Vader’ en formuliergebeden

Twee keer lezen we in het Nieuwe Testament dat de Heere Jezus zijn discipelen het ‘Onze Vader’ heeft gegeven (Mattheüs 6 en Lukas 11). Als het gaat om dit gebed en formuliergebeden, dan moet gewaarschuwd worden voor sleurgebeden. Formuliergebeden werken in de hand dat het gebed uit gewoonte wordt opgezegd. Uiteraard kan er ook uit sleur gebeden worden zonder gebruik te maken van een formuliergebed.

Gebedshouding

We moeten de kinderen bewust maken wat het gebed inhoudt. Bidden vraagt om ootmoed en eerbied. De plaats waarop we staan is heilig land. Dat moet ook tot uitdrukking komen in onze houding tijdens het bidden. Handen dienen gevouwen te zijn en de ogen gesloten. Kinderen mogen tijdens het bidden niet onderuitgezakt zitten. Het moet tijdens het bidden ook stil zijn. Gestommel mag absoluut niet gehoord worden. Ook mag er tijdens het bidden geen afleiding zijn. Er moet bovendien tijd zijn voor het gebed. Haast hoort niet bij bidden. Een gebed afraffelen omdat de bel gaat, is uit den boze.

Koelman over het gebed in de opvoeding

Ds. J. Koelman zegt tegen de ouders dat ze reeds voor hun kinderen dienen te bidden voordat ze geboren zijn. Verder wijst Koelman erop dat moeders al met hun kinderen moeten bidden als de kinderen nog niet tot hun verstand gekomen zijn. Daarbij moet gedacht worden aan bidden voor het voeden, voor het slapen gaan en ook aan het danken daarna. Allerlei ziekten en kwellingen zijn volgens hem het gevolg van het verzaken van deze plicht.

Zodra kinderen wat ouder worden en met het gezicht moeder gaan volgen en op haar reageren, is het nodig de kinderen eerbied tijdens het bidden bij te brengen. Als kinderen de woorden zelf kunnen verstaan is het nodig op gezette tijden hardop met hen te bidden. Wanneer de kinderen kunnen spreken, moeten ze het bidden van vader of moeder nazeggen. Nooit kan er dus te vroeg begonnen worden met het leren bidden volgens Koelman. Duidelijk laat hij uitkomen dat bidden geen lippentaal dient te zijn, maar dat het hart voor de Heere uitgestort moet worden.

Veel belang hecht hij aan de voorbiddingen in de gezinnen en dan zegt hij daarvan: “(…) en als gij een smeltend, teder en schreiend hart hebt, hetwelk in veel liefde tot hunnen zielen de Heere aanzoekt om het goede voor hen, het zal te meer indruk en kracht op hen hebben.”

Koelman heeft meer dan 40 pagina’s van zijn 180 pagina’s tellende boekje aan het bidden besteed. Een duidelijk bewijs dat hij het gebed erg belangrijk vindt in de opvoeding.

Geestelijke strijd vanwege het gebed van ds. D. Bakker (1821-1885)

Als ds. D. Bakker zijn bekeringsweg beschrijft gaat hij ook in op de geestelijke strijd rondom het bidden. Hij schrijft daarover: “Ik begon ook al te reformeren in mijn huis. Driemaal daags begon ik aan tafel de Bijbel te lezen. Doch om er mijn formuliergebed aan te geven en hardop uit mijn hart te bidden, dat durfde ik nog niet. Voor het eten bad ik het onze Vader en na den eten dankte ik: “Heere God, hemelse Vader.” Somtijds evenwel gevoelde ik grote aandrang, om dit na te laten en maar uit mijn hart te bidden. Maar telkens durfde ik het weer niet te doen. Eens op een middag zou ik weer het Onze Vader’ bidden, maar toen ontviel het mij geheel en al. Ja, het was mij niet mogelijk, om er iets van te maken. Nu begon ik uit mijn hart te bidden, wat de Heere mij gaf. Wat ik toen gebeden heb, weet ik niet, maar ik was zo verlegen, dat ik die middag niet veel at. Ook mijn huisgenoten waren geheel verslagen, omdat zij dit van mij niet gewoon waren. Ik dacht: “Dat nooit weêr!” Maar bij het danken weer tot mijn formuliergebed mijn toevlucht willende nemen, ging het mij eveneens als bij het bidden; ik kon er niets van maken en deed het toen weer hardop, zoals de Heere het mij gaf te doen. Maar o! die beschaamdheid, die ik daarover kreeg, is niet uit te drukken. De ganse dag durfde ik bijna niet onder de ogen van mijn huisgenoten te komen. Die ganse middag bracht ik met bidden door, wat ik toch des avonds zou voortbrengen.

Behalve mijn onkunde was ik in die tijd ook zeer verlegen, ik was zelfs zo onvrijmoedig, dat ik mijn hoed niet eens durfde afzetten, wanneer ik in de Bijbel las. Wat is toch de mens! Vrijmoedig in het kwade, doch het tegenovergestelde in het goede. David bad niet te vergeefs: “De vrijmoedige geest ondersteune mij.” Psalm 51 :14b.

Dit artikel werd u aangeboden door: KOC Visie

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 april 2020

Criterium | 32 Pagina's

Het voornaamste stuk der dankbaarheid

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 april 2020

Criterium | 32 Pagina's

PDF Bekijken