Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Burgerschapsopdracht en vrijheid voor Bijbels onderwijs

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Burgerschapsopdracht en vrijheid voor Bijbels onderwijs

28 minuten leestijd

De regering wil wettelijk burgerschapsonderwijs aan scholen opdragen. Levert dat een botsing op tussen de seculiere moraal en de Bijbelse boodschap op onze school? Kan die opdracht wel, gelet op de onderwijsvrijheid? Wat houdt de onderwijsvrijheid in en waarom is daarover discussie? Een artikel over deze vragen. Ik begin bij de Grondwet

Wat is de vrijheid van onderwijs?

Eerst nog een andere vraag: wat staat er hierover in artikel 23 van de Grondwet? Ik noem de belangrijkste leden van dit artikel:

1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.

2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid ….

5. De eisen van deugdelijkheid … worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.

Onderwijsvrijheid betekent dat de overheid de schoolbesturen waar mogelijk vrij moet laten. De Grondwet plaatst onderwijsvrijheid en overheidszorg naast elkaar; die overheidszorg is overigens bedoeld om goed onderwijs te waarborgen – dus niet om de samenleving te sturen. De richtingsvrijheid is het meest wezenlijke aspect van de onderwijsvrijheid: dat betreft de invulling van de godsdienstige grondslag. Onder meer in lid 5 zien we dat terug.

Deze fundamentele vrijheid vormde in 1917 reden tot de gelijke bekostiging van bijzonder en openbaar onderwijs. Daarbij was van belang dat de eisen aan scholen zo hoog waren geworden, dat het op eigen kosten in stand houden van scholen voor het overgrote deel van de bevolking niet mogelijk was. Daarnaast werd het als onrechtvaardig beschouwd wanneer ouders via het belastinggeld zouden bijdragen aan openbaar onderwijs en daarbovenop hun eigen scholen zelf moesten dragen. In de tweede helft van de negentiende eeuw was ten slotte de overtuiging gegroeid dat liberaal-christelijk onderwijs niet ‘neutraler’ en ook niet ‘beter’ was dan bijvoorbeeld protestants-christelijk onderwijs. 1

Hoe wordt er nu gedacht over deze onderwijsvrijheid en het feit dat onze scholen door de overheid worden betaald? Waarom is er nu zoveel discussie gekomen over de grenzen van deze onderwijsvrijheid? Ik noem eerst drie hoofdstromingen van visies op de onderwijsvrijheid en daarna twee belangrijke ontwikkelingen die helpen om de discussie te begrijpen.

Drie visies

Allereerst zijn er de verdedigers van ruime onderwijsvrijheid. Zij wijzen op de historische achtergrond, op het grondrecht van ouders om onderwijs voor hun kinderen te kiezen in overeenstemming met hun geloof. Ander argument is dat de overheid geen goede reden heeft om alleen openbaar onderwijs toe te staan, omdat neutraliteit toch niet bestaat. Ook wordt gewezen op de heilzame rol van religie in de samenleving en op het belang voor kinderen van een éénduidige waardenopvoeding. Burgerschapsonderwijs werkt het beste als dit gebeurt vanuit een religieus kader dat de hele school deelt! Dit blijkt uit onderzoek. 2

Ten tweede zijn er de pleitbezorgers van afschaffing van bekostigd richtingonderwijs (zij genieten overigens niet veel steun). Hun argument is: die ‘samenscholing’ leidt tot naast elkaar levende bevolkingsgroepen. Het bevordert een cultuur van uitsluiting en ongelijkheid. Of zij zeggen: geloofsoverdracht hoort niet in het onderwijs thuis. 3

Duidelijk de grootste groep heeft de volgende mening: richtingscholen zijn prima, maar binnen duidelijke grenzen. Er moet een basismoraal zijn van Nederlandse waarden waar iedereen achter moet staan. Als bijzondere scholen deze basiswaarden niet aanleren, of zelfs afkeer hiervan tonen, moeten ze keihard worden aangepakt. 4 De Onderwijsraad beschouwt het burgerschapsonderwijs als een kwaliteitseis aan scholen, maar zo wordt het door de meeste politici niet bedoeld: het is nog belangrijker dan de kwaliteitseisen en gaat echt over de inhoud van de boodschap. Dat deze visie vrij breed gedragen is, blijkt uit verschillende nieuwe wetten. De belangrijkste is uiteraard: het wetsvoorstel Burgerschapsopdracht.

Twee ontwikkelingen

Vanwaar die nadruk op de basiswaarden? Het liberale gedachtegoed was er toch één van: ‘laat duizend bloemen bloeien’? ‘Ieder de vrijheid voor zijn eigen waarheid?’ Dat is de afgelopen twintig jaar enorm veranderd. Belangrijke ontwikkeling in de hedendaagse cultuur is een toegenomen behoefte aan een nationaal moreel kader. De mentaliteit is niet meer: ‘ieder zijn eigen mening’, maar: ‘we staan voor de Nederlandse waarden’. Voor sommigen is bij de invulling van die waarden de christelijke traditie belangrijk als inspiratiebron, anderen hameren op seculiere waarden. Hoe belangrijk dit wordt gevonden, blijkt bijvoorbeeld uit de hardhandige aanpak van het islamitische Cornelius Haga Lyceum, door de Inspectie en het Ministerie. Ik kan dit hier verder niet uitwerken, maar de rechter heeft belangrijke ministeriële besluiten hierover vernietigd. Een ander voorbeeld, dat dichterbij komt: onlangs stelden twee Kamerleden kamervragen aan Minister Slob over het ‘zorgelijk feit dat er nog zoveel reformatorische scholen zijn die het homohuwelijk afwijzen – wat gaat de minister daaraan doen?’ Veel meer dan vroeger dus voelt de overheid zich geroepen om te sturen in de morele inhoud van het onderwijs.

Een tweede ontwikkeling is dat de levenshouding en normen en waarden van de meeste Nederlanders zo veraf is komen te staan van de reformatorische waarden, dat bepaalde standpunten echt niet meer begrepen worden. Vooral over homoseksualiteit: ‘dat is toch ook liefde, hoe kun je dat afwijzen?’ Bovendien: ‘daar beschadig je de kinderen toch mee die daarmee lopen?’ Maar ook over wereldmijding en toelatingsbeleid is er onbegrip: ‘het kan toch niet goed zijn voor kinderen en voor de samenleving om ze wereldvreemd en gescheiden op te voeden?’ En over Bijbelgezag: ‘het is toch eng als je kinderen leert om in de hele inhoud van een heel oud boek te geloven’?

Wetsvoorstel burgerschapsopdracht: basiswaarden

Wat houdt nu dit wetsvoorstel 5 in? Scholen moeten: • In een doelgericht en samenhangend programma respect bijbrengen voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals verankerd in de Grondwet en de mensenrechten.

• Aandacht voor het ontwikkelen van bijbehorende sociale en maatschappelijke competenties, door het actief oefenen in de omgang met deze waarden.

• Zorgdragen voor een ‘schoolcultuur’ die hiermee in overeenstemming is.

Overigens geldt er sinds lange tijd al wel een burgerschapsverplichting uit de wet. Ik geef hieronder die bepaling weer (artikel 8c lid 3 WPO, die de regering nu dus wil vervangen door de bovenstaande), omdat dit heel goed laat zien wat er de afgelopen jaren veranderd is in de politiek. Deze bepaling legde namelijk nog vooral nadruk op diversiteit:

Het onderwijs:

a. Gaat er mede vanuit dat leerlingen opgroeien in een pluriforme samenleving.

b. Is mede gericht op het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie.

c. Is er mede op gericht dat leerlingen … kennismaken met verschillende … culturen ….

Het wetsvoorstel roept natuurlijk de vraag op wat dan die basiswaarden zijn van de democratische rechtsstaat. Het christelijk gedachtegoed heeft een heel belangrijke rol gespeeld bij de vorming van die rechtsstaat, naast dat van de Verlichting. Als basiswaarden zouden wij bijvoorbeeld denken aan: 1) eerbied voor God en Zijn instellingen (ook voor de grenzen aan de overheid en burgerlijke vrijheden); 2) gelijke menselijke waardigheid van iedereen; 3) verantwoordelijkheid en trouw van mensen aan elkaar.

Volgens de toelichting denkt de regering aan: vrijheid, gelijkheid en solidariteit. Maar de toelichting is niet de wet! In een toelichting kunnen geen verplichtingen aan scholen worden opgelegd. De wet vermeldt wel dat er aandacht moet zijn voor de Grondwet en mensenrechten. In een nadere nota van de regering d.d. 27 juni 2020 wordt heel expliciet ingegaan op het meest omstreden standpunt van ‘refoscholen’. Volgens de regering mogen we de Bijbelse visie op homoseksualiteit wel uitdragen, als we maar tegelijk voldoende veiligheid en openheid bieden voor leerlingen om (waar die aanwezig zijn) over tegenstrijdige gevoelens te praten. (Waarbij dan nog wel wordt opgemerkt dat we niet mogen zeggen dat het “verderfelijk” is.) Als dit werkelijk maatgevend wordt, wordt het balanceerkoord voor onze leerkrachten echt smal.

Inperking onderwijsvrijheid?

In de toelichting wordt in vele toonaarden benadrukt dat de onderwijsvrijheid intact wordt gelaten en dat er dus heel veel ruimte is voor onderwijsinstellingen om inhoud en vorm van het burgerschapsonderwijs zelf te bepalen.

Tegelijk is duidelijk dat de wetgever bepaalde morele “basiswaarden” aanduidt, waarmee het onderwijs in overeenstemming moet zijn. In de moderne staat met verschillende levensbeschouwingen naast elkaar en een min of meer seculiere meerderheid, vraagt dat een kritische houding: wanneer gaat de overheid te ver in het ‘controleren’ van de morele inhoud van het onderwijs? De regering stelt: er is geen inperking - de bepaling is zo ruim, dat elke school die de Grondwet en de democratische rechtsstaat sowieso serieus wil nemen, alle ruimte heeft.

Als dat waar is, dan mogen we de ‘basiswaarden’ dus niet strak seculier uitleggen, maar is een ‘reformatorische toepassing’ heel goed mogelijk. Dat volgde ook uit de Memorie van Toelichting. Maar dat betekent dan wel dat de nota d.d. 27 juni 2020 veel te ver gaat in het strak inkaderen van wat we wel en niet mogen zeggen op school.

En hier zit nu mijn bezwaar tegen dit wetsvoorstel: de ‘buitengrenzen’ van de ‘basiswaarden’ zijn niet duidelijk. De wet bevat erg open termen en de regering licht die in de stukken toe, waarbij sommige passages wel degelijk een belangrijke inperking suggereren. En dat zou dan een inperking zijn die staatsrechtelijk niet toegestaan is, gelet op artikel 23 van de Grondwet. Ook vooraanstaande onderwijsjuristen als prof. R. van Schoonhoven hebben dit publiekelijk benoemd.

Beoordeling burgerschapswet

Met de huidige bewoordingen in de wettekst is het gewoon mogelijk om het burgerschapsonderwijs geheel te schoeien op de leest van de gereformeerde grondslag, ook wanneer je daar de Memorie van Toelichting bij betrekt.

Maar: de wettekst en toelichtende stukken geven ook ruimte aan de Inspectie en het Ministerie om (vroeg of laat) interpretaties toe te passen die bepaalde religieuze minderheidsinterpretaties niet meer toestaan. Dat maakt in feite dat dit wetsvoorstel in strijd is met de eisen van de rechtsstaat: één van die belangrijkste eisen is dat het bestuur (zoals Inspectie) alleen mag handhaven op glashelder wettelijk vastgelegde verplichtingen.

In een juridisch tijdschrift heb ik daarom een andere bepaling voorgesteld. Namelijk een verplichting tot een doelgericht en samenhangend burgerschapsprogramma op school, waarbij het verboden is om geweld te verheerlijken of om aan te zetten tot haat of respectloze discriminatie.

Overigens, hierboven heb ik vooral het begrip ‘basiswaarden’ als discutabel benoemd. In feite geldt dit bezwaar natuurlijk nog meer bij het begrip ‘schoolcultuur’: hoe zou de Inspectie moeten beoordelen of de ‘schoolcultuur’ in overeenstemming is met basiswaarden – althans, of het bevoegd gezag daarvoor voldoende ‘zorg draagt’? Ook de Raad van State adviseerde in zijn advies om deze bepaling eruit te halen. De regering heeft daar niet voor gekozen. Het is mijn stellige indruk dat de regering hierbij de casus van het Cornelius Haga Lyceum voor ogen heeft gehad. In die casus was er vooral kritiek op uitlatingen en contacten van een schoolbestuurder; de rechter vond dit echter te weinig om te oordelen dat de burgerschapsopdracht geschonden was. Kennelijk vindt de regering dat de nieuwe wet alsnog de basis moet bieden om in dit soort situaties in te grijpen op grond van de ‘schoolcultuur’.

Dit voorjaar is overigens door de Inspectie een onderzoeksrapport gepubliceerd over “burgerschapsonderwijs en het omgaan met verschil in morele opvattingen”. Dit rapport is niet alleen zeer interessant vanwege de informatie over de scholen, maar ook om te zien hoe de Inspectie aankijkt tegen de grote richtingsverschillen die er natuurlijk zijn tussen scholen en vooral in de inhoud van het burgerschapsonderwijs sterk tot uitdrukking komen. Overigens is de belangrijkste conclusie dat de overgrote meerderheid van alle scholen (van alle richtingen) gedreven werk maakt van het burgerschapsonderwijs en daarbij een positieve bijdrage levert. Toch is bij dat onderzoek ook wel gebleken dat sommige inspecteurs nogal ver gingen in het toetsen of de school wel ‘voldoende openheid’ biedt voor andere opvattingen. Zij gingen daarin grondwettelijk te ver: de vrijheid van richting betekent wel degelijk dat we onze leerlingen de Bijbelse boodschap onvoorwaardelijk mogen meegeven.

Burgerschapsonderwijs op gereformeerde grondslag

Het belang van goede burgerschapsvorming wordt ook aangevoerd als belangrijk argument vóór ruime onderwijsvrijheid. In veel literatuur, bijvoorbeeld van prof. Charles Glenn, wordt betoogd: als je effectief burgerschapsonderwijs wilt, moet je scholen helemaal vrij laten in hun eigen religieuze benadering. Vooral dan landt het verantwoordelijkheidsbesef, doordat het aansluit bij de eigen levensbeschouwing. Hierdoor krijg je intrinsieke motivatie bij leerkrachten en leerlingen om een betrokken burger te zijn. Dit ontbreekt wanneer het burgerschapsonderwijs vooral gestuurd wordt door ‘waarden uit de wetgeving’ en overheidstoezicht.

Eén ding staat voor mij vast: we doen er goed aan om gedreven werk te maken van gereformeerd burgerschapsonderwijs op onze scholen! Niet om krampachtig steeds zoveel mogelijk binnen de lijntjes te blijven van wat de minister of de Inspectie hierover zegt. Dat is namelijk ook niet waartoe de wet ons verplicht (ook al doen sommige politici of dat wel zo is). Maar om een verantwoordelijkheidsbesef te vormen vanuit de Bijbelse beginselen, met een houding van loyaliteit naar de overheid als onze overheid.

Als het gaat om de democratische rechtsstaat heeft de christelijke traditie heel veel te bieden. Respect voor de rechtsstaat brengen we graag bij, evenals waardering voor de democratie als staatsvorm. Dit allemaal uitwerken vraagt een heel boek. Maar één mooi voorbeeld wil ik toch noemen: de geschiedenis van de kroning van koning Saul (zie 1 Sam. 8-11-17; 1 Sam. 10 vers 17,25). Nadat hij eerst persoonlijk in Gods opdracht was gezalfd, werd hij op een vergadering van volksvertegenwoordigers publiekelijk aangewezen als koning. Het volk werd hier dus bij betrokken (democratie). Daarna schreef Samuël ‘het recht des koninkrijks’ in een boek, voor Gods aangezicht. De koning stond dus niet boven de wet, maar moest zich daaraan houden, ook ten gunste van de vrijheden van het volk – nog steeds de essentie van de rechtsstaat. Dit moest omdat hij slechts koning was ‘bij de gratie Gods’.

Verder past het bij een Bijbelse mensvisie dat we ons ook verdiepen in de achtergronden en opvattingen van mensen van andere culturen, maar ook van andere godsdiensten – of seculiere landgenoten. Het is goed om oprecht geïnteresseerd te zijn in wat hen drijft. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor (opvattingen over) homoseksualiteit. Zonder afbreuk te doen aan de Bijbelse boodschap.

Maar voor christelijke burgerschapsvorming is dit nog niet het belangrijkste, denk ik. Het meest wezenlijk is de vorming van een verantwoordelijkheidsbesef en het najagen van trouw en betrouwbaarheid. Verantwoordelijkheid als gehoorzame burger, maar ook voor vrijwilligerswerk of hulp aan de naaste. Het voorbeeld van het Wartburg College, dat jaarlijks een maaltijd voor de behoeftigen in de stadswijk organiseerde, vind ik dan ook aansprekend. 6

Het huidig politiek debat maakt ook duidelijk dat verantwoording over de christelijke opvattingen meer dan ooit nodig is. De Bijbelse visie op seksualiteit bijvoorbeeld is onbegrijpelijk als je als levensvisie hebt dat je het maximale uit jezelf haalt. Er is daarom uitleg nodig over het christelijk vreemdelingschap, het uitgangspunt dat God als Schepper het huwelijk instelde, het uitgangspunt dat Hij het waard is om ons leven aan Hem te geven, het feit dat ieder christen altijd te strijden heeft met zijn zondige aard. En uiteindelijk moet het ons gaan om de stad die fundamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is. En dat kan alleen door wedergeboorte, uit vrije genade.

Eindnoten

1 Onderwijsvrijheid én overheidszorg. Spanning in artikel 23, Onderwijsraad 2019.

2 G.D. Bertram-Troost, ‘Refoscholen op de balk: balanceren tussen eigenheid en openheid’, in: J. Exalto (red.), De multiculturele refoschool. Het reformatorisch onderwijs en de uitdaging van het pluralisme, p. 23-56; Ch.L. Glenn, ‘Does the Dutch Education Model Still Make Sense’? essay Onderwijsraad, december 2019; Ch.L. Glenn, ‘Structural Pluralism in Education: Can We Stop Fighting over Schools?’, Johns Hopkins Institute for Education Policy 2017, https://edpolicy.education.jhu.edu/structural-pluralism-ineducation-can-we-stop-fighting-over-schools/.

3 ‘De vrijheid van onderwijs is dood… Leve de vrijheid van onderwijs. Position paper: artikel 23 Grondwet’, gepubliceerd in 2019 door VOS/ABB, te vinden op www.vosabb.nl/artikel-23-alle-scholen-algemeen-toegankelijk/.; en: Essay S. Jensen, Onderwijsraad december 2019.

4 Zie bijvoorbeeld: T. Barkhuysen, ‘Artikel 23 Grondwet: struikelblok voor democratisch, rechtsstatelijk en inclusief onderwijs’, Nederlands Juristenblad, NJB 2019/918; J. van den Brink, ‘Reactie’, Nederlands Juristenblad, NJB 2019/1322.

5 Tweede Kamerstuknummer 35352.

6 R. Toes en B.J. Spruyt, ‘Burgers van twee rijken’ in: J. Exalto (red.), De multiculturele refoschool. Het reformatorisch onderwijs en de uitdaging van het pluralisme, p. 173-194.


Gezamenlijk draagvlak

Voor het grondig en gestructureerd vormgeven van burgerschapsonderwijs is het cruciaal dat we met heel het reformatorisch onderwijs de krachten bundelen en leermiddelen ontwikkelen. Vooral middelen en ideeën die niet zo theoretisch zijn als dit artikel, maar die op een heel praktische manier bij de kinderen de vanzelfsprekendheid van hun verantwoordelijkheid bijbrengen. Daarvoor is een gezamenlijk draagvlak nodig. Maar ook is die gezamenlijkheid van belang om éénduidige signalen af te geven naar de buitenwereld en de politiek, over hoe onze scholen aankijken tegen burgerschapsvorming.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 2020

Criterium | 36 Pagina's

Burgerschapsopdracht en vrijheid voor Bijbels onderwijs

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 2020

Criterium | 36 Pagina's

PDF Bekijken