Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Burgers van twee koninkrijken

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Burgers van twee koninkrijken

32 minuten leestijd

In een grijs verleden heette het partijblad van het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV) ‘Ons politeuma’. Later verving men het Griekse woord (πολίτευμα) door de Nederlandse vertaling ervan en heette het partijblad ‘Ons burgerschap’. Met de keuze van die naam probeerden de gereformeerde mannenbroeders, want dat waren ze toen (nog), tot uitdrukking te brengen dat het burgerschap van een christen een tweeledig burgerschap is. Naar het woord van de apostel beleden zij dat hun wandel in de hemelen was. De statenvertalers hebben er voor gekozen om in Filippenzen 3 vers 20 het woord politeuma te vertalen met ‘wandel’. Met die vertaalkeuze benadrukten zij dat het burgerschap vooral blijkt uit de wijze waarop men zich gedraagt. De gelovige burger leeft/wandelt niet alleen volgens de wetten van de wereldlijke overheid, maar ook en vooral naar de wetten van het Koninkrijk der Hemelen.

Verstaan wij nog de kunst om zowel burger van het Koninkrijk der Nederlanden als van het Koninkrijk der Hemelen te zijn? Die twee sluiten elkaar niet uit, maar juist in. Wie door genade een burger van dat hemelse Koninkrijk is geworden, kan niet anders dan een trouw en gehoorzaam onderdaan zijn van de wereldlijke overheid. En juist daar zit de spanning op het moment dat de overheid zaken verlangt die strijden met de diepste overtuigingen van een christen. Hoe dient het reformatorisch onderwijs zich te verhouden tot het ‘Wetsvoorstel burgerschapsopdracht’? Deze vraag verdient besef van urgentie en een fundamentele doordenking. Natuurlijk zijn er diverse antwoorden mogelijk omdat dit vraagstuk meerdere aspecten heeft. Dit artikel zal vooral een historische en levensbeschouwelijke duiding proberen te geven. Het politiek-juridische aspect wordt in een ander artikel beschreven.

Historische schets

Het is een typisch modern verschijnsel om te veronderstellen dat we in unieke tijden en omstandigheden leven. Alsof de wereldgeschiedenis bij ons begonnen is en we in een eeuwig heden leven zonder verleden. We vergeten daarbij dat onze voorouders voor soortgelijke vragen gestaan hebben en heel goed in staat waren diep na te denken over ingewikkelde vraagstukken. Alvorens een voorzichtig antwoord op de in de inleiding opgeworpen vragen te formuleren, is het dus verstandig om bij onze voorouders te rade te gaan.

Al in de Oudheid brak men zich het hoofd over de vraag wat goed burgerschap nu precies inhoudt. In de discussies over wie wel en niet de burgerrechten bezaten en waaruit die rechten dan bestaan werd in het oude Griekenland een onderscheid gemaakt tussen politeia (πολιτεία) en politeuma. De politeia bestaat uit de objectieve rechten en het politieke besluitvormingsproces. Politeuma behelst meer het actieve burgerschap waarin voornamelijk de plichten en niet zo zeer de rechten voorop staan. Bij de juridisch-politieke benadering staat de politeia centraal. In dit artikel zal het vooral gaan over politeuma.

In het Romeinse Rijk kreeg het burgerschap een meer godsdienstige invulling. De nadruk kwam te liggen op de religieuze plichten die gekoppeld werden aan het burgerschap. Burgerschap en staatsreligie waren nauw verbonden. De keizercultus die in de eerste eeuw tot ontwikkeling kwam paste naadloos in dat systeem. De verplichting om goddelijke eer te bewijzen aan de keizer bracht de christenen in conflict met de staat. Christenen werden vanwege hun afwijkende standpunt gezien als staatsgevaarlijke fanatici die de maatschappelijke orde in gevaar brachten. Er werd getwijfeld aan de loyaliteit van de christenen aan de staat. Het gevolg was dat de christelijke kerk in sommige perioden zwaar vervolgd werd door de Romeinse overheid. Desondanks waren de christenen geen revolutionairen, maar voorbeeldige burgers. Zij gehoorzaamden de overheid in alle dingen die recht en billijk waren en bovendien onderscheidden zij zich in maatschappelijk dienstbetoon.

In Romeinen 13 kunnen we lezen hoe de apostel Paulus de gelovigen te Rome vermaant om de overheden te gehoorzamen. Zelfs een openlijke antichristelijke overheid dient gehoorzaamd te worden en wordt een dienaresse Gods, de gelovigen ten goede, genoemd. Burgerschap betekent echter niet dat de overheid in alles voetstoots gehoorzaamd moet worden. Christenen werden geroepen om Gods Naam openlijk te belijden en de keizer geen goddelijke eer te bewijzen. Dat was nadrukkelijk in strijd met de eisen die de Romeinse staat stelde aan goed burgerschap. In al het overige dienden de christenen zich stipt aan de burgerlijke plichten te houden, ja meer zelfs dan dat. Wat dat betreft kunnen we stellen dat de antirevolutionaire staatkunde niet terug gaat op Groen van Prinsterer, maar op de apostel Paulus, ja op de Heere Jezus Christus zelf. Het was immers de Heere Jezus die opriep tot een strikte belastingmoraal en eerbied voor het overheidsgezag.

De combinatie van burgerschap en religieuze plichten bleef in de eeuwen daarna bestaan, zij het in een christelijke variant. In zowel de Middeleeuwen als de Vroegmoderne Tijd beschouwde men het christelijke geloof als fundament onder alle politieke en maatschappelijke verbanden. In de Middeleeuwen vielen Europa en het christelijke geloof grotendeels samen.

In dit Corpus Christianum werd de christelijke moraal gezien als de vooraf gegeven goddelijke orde. Een vergrijp tegen die natuurlijke orde was derhalve een inbreuk op de godsdienst en andersom. Het gezag van de staat was afkomstig van God zelf. Weten regelgeving waren gebaseerd op de christelijke moraal en de staat beschermde de kerk. Toch waren de instituten van kerk en staat wel enigermate gescheiden. De zogenaamde tweezwaardenleer stelde dat het wereldlijke gezag door God aan de keizer en de koningen gegeven was, terwijl de geestelijke macht berustte bij de paus van Rome. In de tijd van de Reformatie benadrukten de reformatoren dat alle staatsgezag van God afkomstig was, hoewel Calvijn de lagere overheden wel het recht van opstand toedichtte indien de hoge overheid haar macht misbruikte. De overheid werd gezien als een weerhoudster en bestrafster van het kwaad. In die traditie staat ook het gereformeerde belijden zoals verwoord in artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

In de tijd van de Verlichting kwam het tot een fundamentele breuk met het verleden. De staat en de kerk werden zo zeer van elkaar gescheiden dat er welhaast een scheiding van geloof en politiek optrad. Het traditionele godsbesef werd als bijgelovigheid gediskwalificeerd en alle machtsaanspraken moesten voortaan berusten op rationele argumenten. De moraal werd niet meer ontleend aan Bijbelse noties, maar aan nut en rationaliteit. Daarmee verdween de goddelijke sanctionering van het gezag. Tot de Verlichting was overheidsgezag gebaseerd op de basale notie dat het God beliefde de mensen te regeren door overheden. Voortaan zou het staatsgezag zich beroepen op de algemene wil, de volonté generale. Dit was geheel in lijn met de door de verlichte filosofen voorgestane volkssoevereiniteit. Wetten en regels waren geen afgeleiden meer van Gods soevereiniteit en wetten, maar werden gefundeerd in de meerderheid van stemmen. De menselijke rede zou gaan bepalen wat moreel aanvaardbaar en verwerpelijk is.

In de negentiende eeuw ontwikkelde zich in Nederland een dominante liberale en min of meer algemeen christelijke cultuur. Met die cultuur raakte Groen van Prinsterer, de grondlegger van de antirevolutionaire staatkunde, in conflict. De dominantie van het liberalisme was in de negentiende eeuw zo groot dat allerlei religieuze minderheden in de verdrukking raakten. Groen constateerde dat de liberale levensbeschouwing, als vrucht van de Verlichting, een radicale en intolerante kant kent. Verderop in dit artikel wordt er nader ingegaan op de relevantie van Groen in verband met burgerschapsonderwijs.

De politieke activiteiten van Groen hebben de eerste aanzet gegeven tot een typisch verschijnsel: de verzuiling. Diverse minderheden ontwikkelden parallelle samenlevingen gebaseerd op religieuze en ideologische overtuigingen. Binnen de eigen zuil was er consensus over de vraag waaruit goed burgerschap bestaat. Die uniformiteit binnen de zuil was van groot maatschappelijk belang omdat het onderwijs steeds meer binnen de zuil werd vorm gegeven. De sociale cohesie van de late negentiende en het grootste deel van de twintigste eeuw kreeg vooral binnen de zuilen gestalte. De top van de diverse zuilen werkte samen in wat later de pacificatiedemocratie is gaan heten. Vanaf de ontzuiling van de jaren zestig en zeventig werd het beeld diffuser. De zwevende kiezer deed zijn intrede en ieder construeerde zijn hoogstpersoonlijke eigen postmoderne waarheid. De duidelijkheid en de geborgenheid van de zuil waren verdwenen en men werd teruggeworpen op zichzelf. Er ontstond een permissieve samenleving waarin nog nauwelijks sprake was van een objectieve moraal. Dit subjectivisme resulteerde in maatschappelijk ongenoegen dat breed onder de bevolking leefde. Nederlanders waren op zoek naar samenbinding, zingeving en een publieke moraal.

Tegen de achtergrond van maatschappelijke pluriformiteit, individuele autonomie en globalisering ontstond de behoefte om te definiëren welke publieke opvattingen behoren tot de Nederlandse identiteit en moraal. De overheid wenste een beschavingsoffensief om de ‘verhuftering’ tegen te gaan en de Nederlandse jeugd op te voeden tot moderne mondige burgers die hun rechten en plichten kennen. Dit proces heeft echter een zeer gevaarlijke kant, want waarop moet die aan te leren publieke moraal gebaseerd worden als het christelijk geloof niet meer voldoet als morele basis? Al snel komt de seculiere meerderheid van de Nederlandse bevolking uit bij humanistische en verlichte basiswaarden die als cement voor de samenleving en de publieke moraal moeten dienen. En het laat zich raden dat de teneur (noodzakelijkerwijs?) zal zijn dat minderheden met andere opvattingen zich op zijn minst moeten committeren aan die basiswaarden. Tolerantie heeft immers ook een grens, zo is dan de gedachte. Welnu, tegen deze historische achtergrond is het wetsvoorstel burgerschapsopdracht ontstaan.

Basiswaarden

De door de regering voorgestane basiswaarden voor burgerschapsonderwijs zijn: vrijheid, gelijkheid en solidariteit. Hoewel deze begrippen niet letterlijk in de wettekst staan en dus niet meteen juridisch bindend zijn, zouden ze toch de alarmbellen moeten doen rinkelen. De drie basiswaarden lijken immers verdacht veel op één van de leuzen van de Franse Revolutie: ‘Vrijheid, gelijkheid en broederschap’. De leus ‘Vrijheid, gelijkheid en broederschap’ bleek overigens niet los verkrijgbaar van een ander uitgangspunt: ‘Geen God en geen meester’. De voorgestane basiswaarden zijn dus eerder ontleend aan de Verlichting dan aan de christelijke traditie. Nu zou men kunnen tegenwerpen dat we de drieslag vrijheid, gelijkheid en solidariteit ook christelijk kunnen laden. En op zichzelf genomen is het mogelijk om dit drietal van een christelijke inhoud te voorzien. De vraag is alleen of de seculiere meerderheid en de onderwijsinspectie het zullen toestaan dat deze basiswaarden door iedere levensbeschouwelijke stroming een eigen kleuring krijgen. Als ieder zijn eigen invulling aan deze begrippen zal mogen geven, worden deze begrippen inhoudsloos of te algemeen en te vaag. En dat zal nu net niet de bedoeling zijn. De overheid wenst namelijk meer zicht (en grip?) te hebben op de inhoud van het burgerschapsonderwijs. De vrees dat alleen de seculiere duiding van de basiswaarden zal zijn toegestaan, wordt ingegeven door het feit dat iedere vorm van godsdienst uit de publieke ruimte, en dus ook uit de van staatswege gesubsidieerde scholen, gebannen zal worden als men werkelijk consequent op seculiere wijze doorredeneert.

Vrijheid wordt tegenwoordig vooral opgevat als individuele vrijheid met als enige beperking het zo genaamde ‘schadebeginsel’ van John Stuart Mill. In Mills pamflet On Liberty zet hij uiteen dat individuele vrijheid maximaal dient te zijn en dat die vrijheid slechts beperkt wordt als men de vrijheid van anderen schaadt. Dit nutsdenken (utilitarisme) staat ver af van de Bijbelse invulling van vrijheid, hoewel het wel een goede gedachte is dat vrijheid ook verantwoordelijkheid (voor de ander) impliceert. Immanuel Kant was van mening dat de mens vooral vrij is om het goede te doen. In de Bijbel komen beide noties –vrijheid impliceert verantwoordelijkheid en vrijheid om goed te doen- ook naar voren. Wat echter ontbreekt in het moderne denken is de notie dat wij mensen van nature onze vrijheid zullen misbruiken omdat wij geneigd zijn tot het kwade. De Verlichte en liberale denkers hebben daarentegen een ‘positief’ mensbeeld dat veronderstelt dat de mens in staat is om zijn vrijheid goed te gebruiken. Bovendien is de puur menselijke en horizontale invulling van vrijheid niet de inhoud van het Bijbelse begrip vrijheid. In Bijbelse zin verstaan impliceert vrijheid juist een verticale dimensie. De mens die God mag dienen en Christus als Zaligmaker mag kennen, die mens is waarlijk vrij. Vrijheid in Bijbelse zin bestaat dus in gebondenheid aan God en Zijn woord en wet.

Gelijkheid is in revolutionaire zin een totale gelijkheid. De moderne mens bedoelt met gelijkheid, niet alleen gelijkwaardigheid maar ook feitelijke gelijkheid. Zelfs biologische verschillen moeten ontkend en gelijkgeschakeld worden. Iedere vorm van hiërarchie wordt op zijn minst met argwaan bejegend omdat het in strijd is met het absolute gelijkheidsbeginsel. In Bijbelse zin gaat het veel meer om gelijkwaardigheid dan om gelijkheid. Voor God is ieder mens gelijk en van evenveel waarde. Dit neemt echter niet weg dat mensen van elkaar kunnen, mogen, ja moeten verschillen. Ouders behoren hun kinderen leiding te geven. Overheidsdienaren dienen gezag te hebben over burgers. Mannen en vrouwen zijn verschillend en hebben verschillende gaven en taken. Het seculiere gelijkheidsbeginsel is (helaas) een emancipatorisch gelijkheidsbeginsel. Allerlei (vermeende) achtergestelde groepen zullen en moeten gelijkgemaakt worden, desnoods in strijd met de natuur en het gezonde verstand. Gelijkheid functioneert als een politiek actiebegrip dat ten koste van alles en dus ook ten koste van de scheppingsorde gerealiseerd dient te worden.

Solidariteit of broederschap behelst het wenkende seculiere perspectief van een vredige wereld waarin mensen vrij en gelijk aan elkaar zijn en zich verantwoordelijk voelen voor elkaar en elkaars welzijn. Deze solidariteit is vooral gebaseerd op de hiervoor beschreven gelijkheid. Het begrip solidariteit is in zijn seculiere invulling welhaast grenzeloos. Men is solidair met de onderdrukte en uitgebuite medemens, maar ook met achtergestelde groepen, minderbedeelden, ja zelfs met dieren en planten. De vraag is alleen of solidariteit dan geen inhoudsloos begrip wordt. Wanneer men met alles en iedereen solidair is, heeft dat geen enkele betekenis meer. Opvallend is alleen wel dat seculiere solidariteit niet helemaal grenzeloos is. Het betreft vooral een solidariteit met hen die dezelfde overtuigingen huldigen. Het blijkt in de praktijk heel wat moeilijker om broederschap te ervaren met mensen met afwijkende opvattingen. Solidariteit is een seculiere invulling van het liefdesgebod tot de naaste, maar dan niet zonder tirannieke trekken. Gij zult solidair zijn.

Groen van Prinsterer als voorbeeld

Het is van groot belang om het voorbeeld van Groen van Prinsterer na te volgen. Hij tekende verzet aan tegen verkeerde vooronderstellingen en wetten die de rechten van (religieuze) minderheden inperkten. Juist Groen was er van doordrongen dat de staat geen albedil mag worden, maar dat minderheden beschermd moeten worden tegen een te machtige staat. Het liberale denken neemt het individu tot uitgangspunt van redeneren, terwijl Groen van Prinsterer redeneerde vanuit de diverse levenskringen/groepen. Het vrijheidsbegrip van Groen is dus ingebed in de gemeenschap. Bovendien was zijn vrijheidsbegrip een christelijk verstaan van de ware vrijheid.

Groen maakte bezwaar tegen de geest der eeuw en beriep zich, naast theologische, rechtsstatelijke en historische argumenten ook op de uitgangspunten van het liberalisme zelf. In zijn tijd bestreed Groen van Prinsterer het liberalisme door steevast te wijzen op de inconsequenties in de toepassing van allerlei liberale waarden. Hij sprak daarbij over de paradox van de vrijheid, waarbij men minderheden zal dwingen om vrij te zijn. Die vrijheidsparadox evenals de intolerantie voor minderheidsstandpunten ontleende Groen letterlijk aan het werk van de verlichte filosoof Rousseau: ‘Om niet een lege formule te zijn, bevat het menselijk verdrag stilzwijgend deze verplichting, die alleen aan de anderen kracht kan verlenen, namelijk dat degene die zal weigeren de algemene wil te gehoorzamen, daartoe door het volksgeheel gedwongen zal worden. Dit betekent niet anders, dan dat men hem zal dwingen om vrij te zijn.’ Groen bestreed de ‘neutrale’ staatsvisie door haar met behulp van haar eigen uitgangspunten van repliek te dienen en te wijzen op de absurde en tegenstrijdige consequenties.

Wanneer we bij Groen te rade gaan zou hij in de eerste plaats wijzen op de kracht van het gebed. Als iemand het adagium ora et labora heeft gepraktiseerd, dan was het Groen. Allereerst en allermeest is het nodig dat we God kennen in deze worsteling. Vervolgens zou hij de hand aan de ploeg slaan en niet aflaten bij iedere daartoe geëigende gelegenheid zijn bezwaren uiteen te zetten. Wanneer de wet er onverhoopt toch komt, is het van groot belang dat er gestreden blijft worden voor het bestaansrecht van afwijkende meningen. Groen wilde Gode meer gehoorzamen dan de mensen, ook als dat in zijn eigen nadeel was. Daarom zou hij de scholen oproepen om onverkort vast te houden aan de eigen belijdenis en overtuiging, ook als dat in strijd is met een door het parlement aanvaarde wet. Dat betekent waarschijnlijk een negatief rapport van de onderwijsinspectie op dit gebied. Het is dan echter wel dure plicht van het reformatorisch onderwijs dat de inspectie op alle andere terreinen geen enkele reden heeft tot een negatief oordeel. Ongetwijfeld zal de onderwijsinspectie een zogenaamde herstelopdracht geven aan het reformatorisch onderwijs. Laten we die herstelopdracht aangrijpen om nogmaals onze positie uiteen te zetten en zeker niet toegeven aan de druk. In het uiterste geval kan het zijn dat we ons voor de rechter zullen moeten verantwoorden. Het zij zo.

Tweeërlei burgerschap

Het ideaal van het reformatorische burgerschapsonderwijs is niet de door de overheid voorgestane mondige en autonome burger. Zeker niet wanneer die mondige en autonome burger een volstrekt seculiere inhoud geeft aan de begrippen vrijheid, gelijkheid en solidariteit. Paradoxaal genoeg is het dan wel nodig dat we weerbare (mondige) christenburgers opvoeden om in te gaan tegen de maalstroom van modern waardenrelativisme en subjectivisme. Burgerschapsvorming, karaktervorming en christelijke geloofsopvoeding behoren in het reformatorisch onderwijs hand in hand te gaan.

In navolging van Groens antirevolutionaire staatkunde is het nodig dat onze lessen in burgerschap oog hebben voor christelijk waarden en normen, eerbied voor de (nationale) historie en traditie en een beroep doen op de idee van de rechtsstaat. Een goed christen kan niet anders dan een goed een eerbaar burger zijn met respect voor de historisch gegroeide staatsinstellingen. Christenen zijn geen oproerkraaiers en revolutionairen. Bovendien zijn christenen uit op maatschappelijke gerechtigheid en hebben ze oog voor hun naasten. De overheid wordt door christenen aanvaard als een instelling die God in Zijn goedheid de mens heeft gegeven om de ongebondenheid van de mens te beteugelen opdat de burgers in alle gerustheid en godzaligheid hun leven zouden kunnen leiden. Christenen zijn, als het goed is, burgers van het Koninkrijk der Hemelen en van het Koninkrijk der Nederlanden. In die volgorde. Met een beroep op rechtstatelijke principes mogen christenen een vrije ruimte claimen om afwijkende opvattingen te huldigen of gewetensbezwaren te hebben. Bovendien mogen zij de staat eraan herinneren dat er ook nog levenskringen zijn waar de overheid zich niet al te nadrukkelijk in zou moeten mengen. De staatsmacht dient beperkt te blijven en de rechten van minderheden dienen gewaarborgd te worden. De grondrechten zijn er immers om de burger te beschermen tegen de willekeur van de overheid. De conclusie is dat de burgers van twee koninkrijken altijd ook met twee woorden spreken: ‘vreest God, eert den Koning’

Dit artikel werd u aangeboden door: KOC Visie

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 2020

Criterium | 36 Pagina's

Burgers van twee koninkrijken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 2020

Criterium | 36 Pagina's

PDF Bekijken