Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Luther Over Psalm 127

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Luther Over Psalm 127

8 minuten leestijd

Dr. Maarten Luther schreef in 1524 een brief aan de christenen te Riga met een uitleg over psalm 127. ‘Zo de HEERE het huis niet bouwt…’ We laten enkele fragmenten daaruit volgen.

(…) Maar wilt u zich rustig en behoorlijk voeden, en op de rechte wijze huishouden, luister dan toe: Neem een werk op u, waarmee u veel te doen hebt, opdat u uw brood eet in het zweet van uw aangezicht; en maak er u verder geen zorg over, hoe u gevoed zult worden, en hoe u met zulk een arbeid uw huis bouwen en behouden zult: geef dat alles over aan God, en laat Hem zorgen en bouwen, vertrouw dat Hem toe. Hij zal precies en rijkelijk voor u neerleggen, hetgeen uw arbeid vinden en u brengen zal. Want als Hij het niet voor u neerlegt, dan zult u toch tevergeefs arbeiden en niets vinden.

(…)

Ditzelfde, waar het in nagenoeg deze gehele Psalm om gaat, heeft ook Christus innerlijk bewogen. Want Hij spreekt Matth. 6: Is het lichaam niet meer dan de kleding, en het leven niet meer dan de spijs? Alsof Hij zeggen wil: Voor kinderen en de vruchten van het lichaam hebt u niet te zorgen; wat maakt u zich dan bezorgd voor hun onderhoud en bescherming? Want wie kan ooit zeggen, hoe dat toegaat, dat alle mensenkinderen uit het lichaam van de vrouw voortkomen? Wie heeft zulk een grote menigte mensen in het arme vlees verborgen, en brengt hen zo wonderbaarlijk daaruit tevoorschijn, dan Hij alleen, die de kinderen tot erfdeel geeft, en de vrucht van het lichaam tot loon aan Zijn vrienden, als in de slaap? Men zegt: God schenkt Zijn gaven bij nacht, en dat is soms werkelijk waar.

(…)

Wat helpt het dan, of wij ons vele zorgen maken en van te voren beramen, hoe het met ons gaan zal, daar het toch niet anders gaan zal dan zoals Hij het wil? Daarom is het het beste: arbeiden, en Hem voor de toekomst laten zorgen: In ’t bijzonder noemt hij de zonen der jeugd, die er nog geen huishouden op nahouden, noch wachters in de stad zijn, en van wie wij menen, dat zij geheel en al op ons overleg zijn aangewezen. Maar Hij leidt hen in huis en stad zoals Hij wil, en richt met hen uit wat Hij wil; opdat wij zien zullen, dat Hij voor alle dingen zorgt, en aan ons niets anders wil overlaten dan de arbeid.

Opdat wij niet denken zullen, dat God alleen over de jonge kinderen in de wieg de leiding heeft, terwijl Hij de groten maar laat begaan, naar hun eigen inzicht en naar wat zij zelf willen. Hier zegt Hij, dat Hij over de groten met evenveel macht regeert als over de kleinen: zij zijn pijlen in Zijn hand, en moeten gaan, waar en hoe Hij wil. Het staat voor Hem gelijk, verstand en onverstand, hemel en aarde, jong en oud, schrander en wijs. Ja, met de schranderen en verstandigen gaat Hij wonderlijker om; met hen heeft Hij veel meer te doen, ten einde hun overleggingen en hun verstand tot dwaasheid te maken. Hij leidt hen anders dan zij van plan zijn.

(…)

Hij wenst, dat zulk een jeugd, door God gegeven en gekend, talrijk zij. Dan zou het in de wereld goed gaan. Het is ook waar, wanneer alles goed zal gaan, dan moet de jeugd, die na ons tot besturen geroepen zal worden en in het leven op aarde leiding zal geven, dienovereenkomstig opgevoed worden. (…) want daar voert God Zelf het huishouden en bewaart de stad. Maar bij zulk een grote genade kan vervolging niet uitblijven; want waar het goddelijk toegaat, daar moet ook aanvechting van de duivel zijn. Het ongeloof en de hebzucht in de wereld kan het niet verdragen, dat men aldus leert en leeft. Daarom zullen zulke huisheren en steden ook steeds vijanden hebben, die hen belasteren en beledigen. Maar daartegenover staat hier de troost, dat zij eindelijk toch met ere stand zullen houden, en hun vijanden in de poort, dat is, in het openbaar, te schande zullen maken.

Hij noemt echter geen harnas of wapen, maar alleen het woord, en zegt: Zij zullen spreken met hun vijanden in de poort; alsof Hij zeggen wil: Met het woord zullen zij kunnen aantonen, dat het recht aan hun zijde is, hoezeer ook de tegenpartij dit mag aanvechten.

Dit artikel werd u aangeboden door: KOC Visie

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 2021

Criterium | 32 Pagina's

Luther Over Psalm 127

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 2021

Criterium | 32 Pagina's