Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Afbeelding van artikel niet beschikbaar

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Wijsheid als het hoogste goed

Hendrik Anneveld (1800-1876), godsdienstonderwijzer en prominent vrijmetselaar

72 minuten leestijd

Ter inleiding

Sinds enkele jaren verdiep ik mij in het leven en het werk van godsdienstonderwijzers, de kerkelijke werkers van weleer, 1 die geschriften hebben nagelaten. Dat leidt soms tot verrassende ‘ontmoetingen’, zoals ook in het geval van Hendrik Anneveld, die godsdienstonderwijzer was en tevens prominent vrijmetselaar. Hieronder wordt hij voorgesteld.

Biografische schets

Hendrik Anneveld werd op 9 april 1800 te Amsterdam geboren en overleed aldaar op 11 maart 1876. Hij, op 30 april 1800 gedoopt in de Zuiderkerk, was lidmaat van de hervormde gemeente. Die stelde hem in 1828 aan als ‘krankenbezoeker’ ten dienste van de in de Amsterdamse hospitalen verblijvende militairen en belastte hem vijf jaar later tevens met het godsdienstig onderwijs aan de in de stad gelegerde krijgslieden. 2 Blijkens diverse van zijn publicaties richtte zijn onderwijs zich ook op jonge mensen meer in het algemeen. 3

Anneveld was gehuwd met Jannetje van ’t Kruijs (1795-1875). Uit het huwelijk werden drie zonen en twee dochters geboren. Digitaal speurwerk leverde enige informatie op over zijn persoonlijk leven. Zijn wel en wee worden vermeld in Amsterdamse dagbladen en andere periodieken. Het Algemeen Handelsblad (AH) van 5 mei 1851 bericht dat ‘H. Anneveld, onderwijzer bij de Hervormde Gemeente, is verhuisd naar Lange Leidsche Dwartstraat [sic] bij de Kruisstraat, no. 145’. 4 In het AH van 13 januari 1854 kondigt het echtpaar Anneveld het overlijden aan van ‘onze geliefde jongste Zoon’, vijftien en een halfjaar oud. Het AH van 8 mei 1872 maakt melding van de ‘50-jarige echtvereeniging’. Drie jaar later bevat de krant van 2 december 1875 het bericht dat ‘na een langdurig lijden’ op 1 december 1875 op tachtigjarige leeftijd Annevelds ‘geliefde Echtgenoot’ is overleden.

Als godsdienstonderwijzer zette Anneveld zich in voor de behartiging van de belangen van de beroepsgroep. Een uitnodiging in AH van 14 november 1854 voor een vergadering op 18 november in Diligentia in de Kalverstraat, gericht aan de ‘Heeren Godsdienst-onderwijzers der Nederduitsche Hervormden Gemeenten, zowel buiten als binnen Amsterdam’, is door hem ondertekend. 5 Voorts blijkt hij betrokken te zijn geweest bij het in 1843 opgerichte ‘Amsterdamsch Matigheidsgenootschap’ dat haar leden verplichtte het gebruik van sterke drank af te zweren. 6 Hij hield voor de vereniging spreekbeurten over ‘de onbestendigheid, ook naar aanleiding van het ontijdig afsterven eens veeljarigen vriends’ (AH, 20-1-1851), en over ‘de ongeveinsdheid in het houden der belofte bij de toetreding tot het genootschap afgelegd’, waarbij hij ook ‘eenige luimige dichtstukjes tegen dronkenschap’ voordroeg (AH, 14-4-1851).

Anneveld was sinds 1828 vrijmetselaar en lid van de Amsterdamse ‘Loge la Paix’, opgericht op 21 februari 1755. Als ‘redenaar dier Loge’ figureert hij in het verslag (AH, 16-1-1851) van de begrafenis op 16 januari 1851 in ‘de Luthersche Oude Kerk’ te Amsterdam van ‘den Heer J.D. Lulofs, in leven groot-officier van de orde der vrijmetselaren’. In ‘eene dichterlijke uitboezeming’ sprak hij ‘aan de nagebleven betrekkingen vertroosting’ toe, zo laat de krant weten. Ook zijn zonen behoorden tot de loge. 7 In maart 1854 vierde hij zijn vijfentwintigjarig jubileum als ‘Loge-Redenaar’. 8 Letterkunde 9 en beeldende kunst 10 genoten zijn bijzondere interesse. Ook als dichter was hij actief.

Al met al moet Anneveld een in Amsterdam bekend en gezien persoon geweest zijn. Wie hij was en welke denkbeelden hij koesterde valt vooral af te lezen uit zijn geschriften. Die vallen uiteen in twee categorieën: (1) ‘algemene’ pennenvruchten, geschreven in zijn hoedanigheid als godsdienstonderwijzer; (2) publicaties met een maçonniek ‘etiket’. Van beide geef ik hieronder een overzicht en een karakteristiek. In aansluiting daaraan beschrijf ik de door Anneveld als godsdienstonderwijzer gepropageerde opvattingen over het christelijk geloof, de maatschappij en de opvoeding. In mijn slotbeschouwing ga ik in op de vraag hoe die zich verhouden tot zijn als vrijmetselaar uitgedragen ideeën.

‘Algemene’ geschriften

Onderstaande lijst bevat een overzicht van de op basis van de Nederlandse Centrale Catalogus, advertenties in dagbladen en berichten in het Nieuwsblad voor den Boekhandel getraceerde geschriften. Met ‘algemeen’ is bedoeld dat zij voor een breed publiek zijn geschreven en niet, zoals de geschriften van de tweede lijst, voor een specifieke doelgroep. De meeste geschriften, in beide lijsten, zijn stichtelijk van aard. Anneveld publiceerde uitsluitend bij Amsterdamse boekverkopers.=niet beschikbaar in een openbare collectie; Am.=Amsterdam.

1. ‘Een gesprek met de zon’, in: LMWKS, 1831, no. 12, 526- 528.

2. Van Speijk en de zijnen onder de schimmen, of ontdekkings-reis naar eene nog niet waargenomene star. Am.: F. Kaal, z.j. [1831; 22 cm.; viii + 49 p.].

3. De ransel. Een geschenk van ouders aan hunne strijdbare zonen. Tot bevordering van hun duurzaam geluk. Am.: Schalekamp en van de Grampel, 1832 [13 cm.; vi + 114 p.].

4. Eén Heer, één geloof. Godsdienstig handboekje voor jeugdige christenen. Am.: F. Kaal, z.j. [1832].

5. Zedekundige en andere schoonheden, voorkomende in de geschiedenis van het Oude Verbond, van den Bijbel voor de jeugd door den Hoogleraar j.h. van der palm. Am.: Gebroeders Koster, z.j. [1832].

6. Geschiedenis en openbaring. Godsdienstig handboekje voor jeugdige christenen. Am.: F. Kaal, z.j. [1833].

7. Boetvaardigheid, de nieuwe leden der Hervormde godsdienstleer wel ernstig aanbevolen. Am.: J.P. van Heukelom, 1836.

8. De belangwekkende gelijkenissen van den Heiland der wereld. Eene handleiding voor mijne leerlingen. Am.: J.H. van Heteren, 1836 [17 cm.; x + 131 p.; ill. (vele bijgebonden gravures over de Bijbelse geschiedenis)].

9. Socratiseerkunst in versmaat. Ter bevordering van menschenkennis en levenswijsheid. Am.: H.H. Huisman, 1846 [16 cm.; 48 p.].

10. Berijmde katechismus voor mijne kinderen en leerlingen. Am.: H.H. Huisman, 1847 [16 cm.; 22 p.].

11. Dat is eene kostelijke stad! Liederen. Am.: W. Willems, 1848.

12. Handleiding voor mijne leerlingen, tot het aanleeren hunner christelijke geloofs-belijdenis. Am.: De erven H. van Munster en Zoon, tweede vermeerderde druk 1849 [16 cm.; 48 p.].

13. 4 April 1849, of wat leerde ons de dag der begrafenis van wijlen Z.M. Koning Willem? Ter vertroosting opgedragen aan het Vorstelijk Huis, en het trouwhartige Nederlandsche volk. Am.: De erven H. van Munster en Zoon, 1849 [22 cm.; 16 p.].

14. Register van gedenkwaardigheden uit de Heilige Schriften des Ouden en Nieuwen Verbonds. Eene handleiding voor mijne leerlingen. Am.: J.H. en G. van Heteren, 1851.

15. De banier der volken. Am.: H.W. Willems, 1853.

16. Jezus’ gelijkenissen, aan jonge lieden verhaald. Am.: H.W. Willems, 1853.

17. De familie Woudman of Zorgvrij. Een geschenk voor natuuren godsdienstlievende kinderen. Am.: C.J. Koster, z.j. [11 cm.; viii + 112 p.; ill. (6 met de hand ingekleurde gravures)].

Maçonnieke geschriften

In het Maçonniek Weekblad. Uitgaaf van de broeders publiceerde Anneveld in de periode 1853-1862 meer dan zestig bijdragen, 11 voor het merendeel de tekst van toespraken, en voorts circa vijfentwintig gedichten. 12 In De Acacia. Bloemlezing van oorspronkelijke en buitenlandse lettervruchten verzameld op het gebied der vrijmetselarij verschenen gedichten van zijn hand 13 en de volgende beschouwingen, voornamelijk bestaande uit aan de drukpers toevertrouwd gesproken woord:

18. ‘Iets voor den afreizenden’, 4 (1855), 144-156 [‘predikatie’ bij het vertrek van Annevelds zoon en diens gezin naar Londen, met schildering van de gevaren die een mens bedreigen en oproep tot trouw aan de beginselen van de vrijmetselarij].

19. ‘Wat verlangt de wetgeving des gemoeds van den vrijmetselaar?’, 5 (1856), 97-108.

20. ‘De schoonheid der volmaking’, 5 (1856), 23-33.

21. ‘Ons sterfbed’, 6 (1857), 125-127.

22. ‘Blikken in de wereldgeheimen’, 7 (1858), 129-164.

23. ‘Nevelvlekken, mierennesten, zonnen’, 8 (1859), 102-112.

24. ‘Het heilzame der Verlichting’, 8 (1859), 384-399.

25. ‘Wijze voorzichtigheid’, 9 (1860), 257-270.

26. ‘Over de wijsbegeerte (Bekroonde beantwoording eener prijsvraag)’, 11 (1862), 155-186.

27. ‘Vrijmetselarij. Een der bronnen van geoorloofd vermaak’, 11 (1862), 353-361.

Karakteristiek van de ‘algemene’ geschriften

Als geestelijk verzorger voelde Anneveld zich tijdens de nasleep van de Belgische opstand van 1830 zeer betrokken bij de lotgevallen van de Nederlandse militairen. In Van Speijk (2) verdedigt hij het optreden te Antwerpen op 5 februari 1831 van Jan van Speijk (1802-1831) – als commandant liet hij ‘zijn’ kanonneerboot in de lucht vliegen – tegenover diegenen die van mening waren dat hij ‘in strijd met het liefderijke Christendom’ handelde, schuldig was ‘aan den gruwelijken zelfmoord’ en aan de afschuwelijke dood ‘zijner natuurgenooten’ en bijgevolg ‘strafbaar’ voor ‘de regtbanken van God en menschen’ (p. 7-9). 14 Hij verhaalt hoe hij in een fictieve droom getuige was van de ontvangst van Van Speijk en zijn mannen in het in navolging van J.H. Jung-Stilling (1740-1817) mythologisch vorm gegeven schimmenrijk. Van Speijk wordt als ‘dappere Strijder’ verwelkomd met de woorden ‘Woon in hoogeren kring, leef onsterfelijk; geniet het loon uwer vaderlandsliefde en onverschrokkenheid’ (p. 29).

Van Speijk, die volgens Anneveld niet onderdeed voor ‘onze voorvaderlijke zeehelden’, verwoordt zijn beweegredenen en belijdt: ‘Ik wachtte van God de uitkomst’. Bijna zag hij van zijn voorgenomen daad af, omdat hij zich realiseerde zijn manschappen met zich in de dood mee te slepen. De schim met wie hij spreekt, troost hem met de mededeling dat die ‘reeds’ zullen ‘beseffen, dat zij het in deze gewesten beter zullen hebben’ (p. 30-34).

In recensies werd Van Speijk uiteenlopend beoordeeld. 15 Met enthousiasme werd daarentegen de door Anneveld voor de gemobiliseerde soldaten samengestelde ‘brevier’, De ransel (3), begroet. 16 Het boek bevat een bloemlezing van door hem verzamelde treffende uitspraken uit bronnen van diverse aard, waaraan hij de zijne toevoegde. Hij wilde de militairen ‘leeftogt’ geven ‘op de reis naar de Eeuwigheid’ (p. iv), ‘bouwstof’ tot ‘verdere voltooijing van het Christelijke deugdengebouw’ (p. vi), zodat zij ervoor bewaard zouden blijven zich tegenover God voor ‘onregtvaardigheden’ te moeten verantwoorden (p. iii). Aan het slot komt hij daar nog weer op terug en stelt hij hun onder meer de vraag:

Wat zou het u helpen, zoo gij van rang tot rang in de krijgsdienst steegt, en gij moest u zelve verfoeijen wegens gepleegde wanbedrijven en de folteringen van een jagend geweten verduren? Neen! het is eerwaardiger, een eerlijk, verstandig, voorzigtig, opgeruimd, een arm, maar godvruchtig soldaat, dan een rijke, adellijke deugniet te zijn. (p. 113)

Het leeuwendeel van de ‘leeftogt’, de ‘regelen’ om ‘duurzaam geluk in te oogsten’ (p. 112), bestaat uit 315 paragrafen met citaten uit de Bijbel en de antieke literatuur, gezegden van groten uit de geschiedenis, van dichters, maar ook van anonieme krijgslieden. Daaraan zijn 38 spreuken voor stervenden toegevoegd (p. 104- 110), gevolgd door een slotbeschouwing van vijf paragrafen. Enkele grepen uit de ‘ransel’ volstaan om daarvan een beeld te krijgen:

De goedhartigheid en goedwilligheid der onderdanen zijn de regte middelen, door welke een Vorst zijne Landen kan behouden. (Willem van Oranje [1533-1584]; p. 20)

Hij, die niet weet te gehoorzamen, zal nooit weten te gebieden.

(Frederik ii van Pruisen [1712-1786]; p. 22)

Zelfs vreemden moeten u verachten,

Wen ge uw’ geboortegrond versmaadt.

Welk volk zal immer trouw verwachten

Van hem, die eigen bloedt verraadt? (P. Moens [1764-1843]; p. 37)

[...] het gedrag van Jezus Christus verpligt ons de menschen te verdragen, van welke gezindheid zij ook zijn mogen, in vrede met hen te leven, en hen niet te kwellen, welk eene belijdenis zij ook hebben aangenomen. (Paus Clemens xiv [1705-1774]; p. 71)

Vaart wel, mijne Vrienden! wij zullen elkander wederzien. (p. 105)

Blijkens De ransel was Anneveld een belezen man. Ook in andere publicaties geeft hij blijk van zijn eruditie en maakt hij de lezer deelgenoot van zijn literaire ‘verzamelwoede’. Belangwekkende gelijkenissen (8) is eveneens een treffend voorbeeld van zijn passie als ‘collectioneur’. Hij presenteert daarin de door Jezus uitgesproken gelijkenissen in de door IJ. van Hamelsveld (1743-1812) of J.H. van der Palm (1763-1840) verzorgde vertalingen van het Nieuwe Testament uit respectievelijk 1789-1791 en 1825 17 of in een door hem verzorgde vrije bewerking van een van die vertalingen, waarbij hij soms ter toelichting gebruik maakt van de fabels van C.F. Gellert (1715-1769) of G.K. Pfeffel (1736-1809). De weergave van de gelijkenis wordt gevolgd door een toepasselijke tekst, een berijmde psalm, een gezang of een gedicht van een Nederlandse of buitenlandse poëet.

De strekking van de aldus door hem gepresenteerde gelijkenissen duidt Anneveld in de opschriften aan. Lucas 14:31-33, ‘De bedachtzame koninklijke veldheer’, betrekt hij op ‘De zorg, om in het handhaven van de Christelijke leer wèl te slagen’ en illustreert hij met lied 60:4, 7 uit de Evangelische Gezangen (p. 18-19); Matteüs 20:1-16, ‘De Arbeiders in den Wijngaard’, licht hij toe met ‘Wij behooren ons eerbiedig te onderwerpen aan Gods wijze en goede vrijmagt, in het verleenen zijner gunstbewijzen’ en sluit hij af met Psalm 37:2, 3 (p. 58-61); Lucas 12:13-21, ‘De rijke dwaas’, gaat volgens hem over ‘De verijdelde zucht naar onmatig zingenot’; ter illustratie citeert hij een gedicht van J. Lublink de Jonge (1736- 1816) (p. 77-78).

Met Belangwekkende gelijkenissen beoogde Anneveld levenswijsheid over te dragen. Dat doel streefde hij ook met Socratiseerkunst (9) na. Daarin ontpopte hij zich als een spreukendichter die door vragen en antwoorden op rijm zijn lezers in de wijsheid binnen voert. In 44 paragrafen passeren waarheden als de volgende de revue:

Wie zullen wijs en goed regeren?

Zij, die den mensch als ’t goud waarderen. (p. 14)

Waar moet gij levenswijsheid zoeken?

In ’t oudste en beste Boek der boeken.

Wat stelt dat boek u steeds ten wet?

Zijt in de liefde naauwgezet. (p. 15)

Verscheidene van Annevelds geschriften zijn leerboekjes met een uiteenzetting van de geloofsleer. In een ervan, Berijmde katechismus (10), 18 bedient hij zich van rijm met als resultaat onder meer de volgende vragen en antwoorden:

Wat vond eens Adam in de vrouw?

Een beeld van wederliefde en trouw. (p. 10, nr. 13)

Wat is dan wel voor ons deze aarde?

Opvoedingsplaats tot hooger waarde. (p. 11, nr. 16)

Wie kan met grond op God vertrouwen?

Wie God in Jezus blijft aanschouwen. (p. 12, nr. 14)

Wat gaf God door des Bijbels leering?

Den sterksten spoorslag tot bekeering. (p. 17, nr. 21)

Werwaarts is Hij [Jezus] voorts opgenomen?

Daar elke brave hoopt te komen. (p. 18, nr. 16)

Waaruit kan uw geloof steeds blijken?

Uit daân, die aan zijn [Jezus’] deugd gelijken. (p. 21, nr. 7)

Uitvoeriger en in proza belicht Anneveld het christelijk geloof in Handleiding (12). In het eerste gedeelte (p. 3-23) geeft hij daarvan een bepaald ondogmatische en aanschouwelijke beschrijving. In het tweede gedeelte (p. 24-46) komt de geloofsleer in catechismusstijl thematisch aan bod. In mijn schets van Annevelds levens- en wereldbeschouwing put ik rijkelijk uit dit boekje.

Van geheel andere aard dan de voorafgaande publicaties is De familie Woudman (17), een voor de jeugd bestemde narratieve verheerlijking van het buitenleven met als doel de godsdienstige opvoeding. Zij vloeide uit de pen van een man die zijn leven lang in de grote stad woonde, maar dankzij zijn kennissenkring het leven op buitenplaatsen kende. 19

Karakteristiek van de maçonnieke geschriften

Anneveld was ‘Loge-Redenaar’. Dat hield in dat hij tot taak had zijn logebroeders de beginselen van de vrijmetselarij in te prenten en de naleving ervan te toetsen. Zijn status weerspiegelt zich in zijn geschriften.

Tot de onderwerpen die Anneveld in het Maçonniek Weekblad aanroerde behoorden bijvoorbeeld: ‘De wijsgeerige, geloovige en godsdienstige deugd, zich onderling en den mensch met zich zelven verzoenende’ (God openbaart zich ‘in den Bijbel als in Christus, in de natuur en in de rede’), 20 ‘De zegepraal der vrijmetselaars’ (bij trouw aan de beginselen van deugd en wijsheid, eensgezindheid en menslievendheid, de zorgvuldige vermijding van burgerlijke en godsdienstige geschillen enz.), 21 ‘De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen en de Joden’ (niet de vorming van ‘menschen tot goede christenen’ moet het doel zijn, maar de vorming van ‘christenen tot goede menschen’ en dat doel kan men evenzeer nastreven aangaande ‘joden, mohammedanen en heidenen’), 22 ‘Over het gevaar van een menschenhater te kunnen worden’ (blijf trouw aan de ‘hoogere godsdienstig-zedelijke beginselen’), 23 ‘Welke is de grondslag der vrijmetselarij? Is die grondslag onwankelbaar? Wat beveiligt haar voor vergaan?’ (de vrijmetselaar gelooft ‘dat het waarlijk goede trotsch alle gebrek en verkeerdheid, in alle Godsredelijke schepselen aanwezig is’; het is het geschenk van ‘Hem, die de liefde zelve is’ aan alle mensen ‘als Zijne kinderen’). 24

In De Acacia etaleert Anneveld zijn kennis van de (geschiedenis van de) wijsbegeerte (22 en 26) en geeft hij blijk van zijn afkeer van de intriges van rooms-katholieke geestelijkheid. 25 Dat hij een ‘belijder van de waarheden des Evangelies’ (26, p. 157) is, valt uit zijn beschouwingen niet direct af te leiden. Wel kan uit de door hem gebezigde formuleringen zo nu en dan opgemaakt worden dat hij goed in de Bijbel thuis was. In zijn schildering van de bestemming van de vrijmetselaar resoneren Jesaja 60:19-20 en Openbaring 21:23 mee: ‘eens zult gij daar [in het verblijf van ware rust en vrijheid, van liefde en reinheid] aanlanden, waar gij het licht der zon bij dag en het schijnsel der maan bij nacht niet meer zult behoeven. De eeuwige zal daar uw licht zijn!’ (27, p. 361).

God is een realiteit. De ware vrijmetselaar aanbidt ‘Hem, die uit de schepping kenbaar is, en tracht zulks bij het gansche Godsgeslacht te bevorderen’, maar richt zijn aandacht tevens op ‘de gedachten der wijzen’ die ‘vroeger en later voor het rijk der waarheid en der deugd hebben gestreden, en het gebied der zedelijkheid hebben uitgebreid’ (20, p. 31).

Het betrachten van de deugd is een weerkerend refrein. De vrijmetselaar is ‘tot Gods beeld geschapen en tot de hoogst zedelijke volmaking geroepen’. Hij weet dat ‘waar geluk’ afhankelijk is van de aanwezigheid van ‘wijsheid en deugd’ (22, p.129) en wijsheid voortkomt uit ‘de alom geldige, steeds vooruitstrevende opvoedingsopenbaring der rede’ (22, p. 145). Van de deugd geeft Anneveld een concreet beeld. Zijn logebroeders roept hij op tot echtelijke trouw:

Dat ieder uwer haar [zijn vrouw] beschouw’!

Als ’t voorwerp uwer trouwe.

Zij zij en blijve u alles waard

En worde lang met u gespaard,

Opdat zij met u bouwe. 26

De zedelijke volmaking als ideaal impliceert de wens om met een zuiver geweten te sterven (21, p. 127).

Anneveld erkent dat er grenzen zijn aan het kennen van de mens (23 en 24), maar is ervan overtuigd dat het menselijk ik nooit zal sterven. 27 Zo nu en dan slaat hij eschatologische tonen aan:

De hoop blijft mij vergezellen

Op meer volmaakte maatschappij, waar niemand wordt gekweld

Door ’t vreeslijk doodsgeweld. 28

In de vergaderingen van de broeders waar ‘het geheim hetwelk wij bewaren’ opgespoord wordt, kan reeds een ‘voorproef van het genot eens hoogeren en beteren levens’ ervaren worden, zo laat hij weten (27, p. 359).

Annevelds uiteenzetting van het christelijk geloof

Anneveld typeert de Bijbel als ‘het oudste en schoonste boek, vol van wijsheidslessen van den echten stempel, geschikt tot leering en stichting tot aan den avond des levens’ (12, p. 21-22). Het lezen ervan wordt ‘elk die wijsheid zoekt’ aanbevolen (8, p. 131). De Spreuken van Salomo karakteriseert hij als ‘voortreffelijke gezangen, vol van waarheid, tot lof der onontbeerlijke levenswijsheid’ (8, p. 124). Met stof daaruit en uit de apocriefe Wijsheid van Jezus Sirach vulde hij een flink deel van De ransel (3). Naast de wijsheidgeschriften genieten de Bijbelgedeelten waarin de mens geconfronteerd wordt met ‘Gods grootheid in de natuur’ (17, p. 66), zoals het boek Job en de natuurpsalmen, bijzondere waardering.

Anneveld benadrukt dat de Bijbel ‘een boek van smaak’ is (8, p. 121), esthetisch imponeert en kennisname van de Bijbel bijdraagt aan de ‘veredeling’ van de smaak. Hij sluit zijn boek over de gelijkenissen van Jezus af met een hoofdstuk over de ‘gewijde onderwijskunde’ (8, p. 131), de manier waarop de Bijbelschrijvers door middel van beeldspraak en andere stijlfiguren vorm geven aan wat zij te zeggen hebben. Het hoofdstuk bevat ook diverse ‘proeven van de Goddelijke Hebreeuwsche Poëzij’, ‘waarin de reinste uitstorting van het godsdienstig gevoel met de uitdrukking der echte orakelspreuk zoo gelukkig vereenigd is!’ (8, p. 127). Elders typeert hij het boek Job als ‘een meesterstuk van Oostersche dichtkunde’ (17, p. 60).

Hoog geeft Anneveld op van de Bijbel, maar die is voor hem niet de enige autoriteit. Ook kent hij aan hem geen onfeilbaar gezag toe zoals de (latere) orthodoxie. Tastend zoekt hij naar woorden om de relatie van de menselijke rede tot de Bijbelse openbaring te beschrijven en aan te duiden hoe de inhoud van de Bijbel zich verhoudt tot de uitkomsten van de diverse wetenschappen. Hij stelt vast dat God ‘tot ons eigen heil’ de mens de aanleg gegeven heeft door de ‘beoefening der wetenschappen’ kennis te verwerven. Die kan benut worden ‘ter vergelijking met en ter redelijke toelichting van den Bijbel’ opdat ‘de waarheid aan het licht kome, de nuttigheid des Bijbels blijke en de leer van het Evangelie met andere waarheden, door ervaring ontdekt, verbonden worde’. Hij betoogt dat de mens (buiten de Bijbel om) met behulp van de wetenschap ‘nog vele gewigtige zaken’ kan leren, maar voegt eraan toe dat de Bijbel ‘altijd voortreffelijker is dan eenig ander boek’ en ‘de rijkste stof tot overdenking geeft’ (12, p. 44). Hij benadrukt dat de in de Bijbel vervatte openbaring de rede ‘opgeklaard’ heeft en ‘de verbetering der zeden’ bewerkt, maar dat ter verdediging van de Bijbel ‘bewijsgronden’ nodig zijn die door de diverse wetenschappen geleverd worden (12, p. 45). Hij memoreert dat het christendom ‘niet de zegenpraal des verstands’ vertegenwoordigt, ‘maar die der genade’, ‘geene Godsdienst van vernuft’ is, ‘maar van gehoorzaamheid’. Op ‘de kern des Bijbels’ heft hij een lofzang aan. Met gebruikmaking van traditionele terminologie omschrijft hij die als volgt: ‘Des Heeren zoo volmaakte wet bekeert de ziel, schenkt den eenvoudigen wijsheid, verblijdt het hart, verlicht de oogen, is rein, waarachtig en regtvaardig tevens’ (12, p. 46).

Niettegenstaande zijn hierboven beschreven typering van ‘de Godsdienst’ 29 en zijn laudatio op de Bijbel speelt de rede in Annevelds ‘theologie’ een voorname rol. Ook heeft de Bijbel bepaald niet altijd het primaat. De ransel bevat naast Bijbelse ‘met Goddelijk gezag’ beklede wijsheden ‘van den Godmensch Jezus en van zijne Gezanten’, ook veel van grote waarde, afkomstig ‘van wijsgeeren uit de Oudheid of van later’ tijd’ (3, p. 11). Opmerkelijk is ook dat de ‘overdenkingen’ over ‘sterven en voortleven’ (13), voorgedragen op de dag van de begrafenis van koning Willem ii (1792-1849), niet op de Bijbel steunen – de drie Bijbelteksten op de achterzijde van de titelpagina (Lucas 23:43; Johannes 20:29; Openbaring 14:13) spelen geen rol in het betoog –, maar op godsdiensthistorische (Egypte) 30 en wijsgerige (Plato) gegevens. Op basis daarvan acht hij twijfel aan de onsterfelijkheid van de mens ongegrond:

Zoo gij dus ooit iets betwijfelt, betwijfelt Gods gezindheid niet, om zijne redelijke en zedelijke schepselen tot die hooge heerlijke bestemming te willen opleiden. Verwacht, dat gij uwe beminde afgestorvenen [...] zult wederzien.

Wat gij ook verwerpen moogt, verwerpt de leer niet, dat gij een volmaakbaar, voor eeuwig, geestelijk leven voorbeschikt wezen, dat ook gij daarin naar en tot Gods beeld geschapen zijt.

Wat u ontvalle, u ontvalle de overtuiging niet, dat de eeuwige wijsheid en goedheid haar weldadig plan met hare wèlgezinde kinderen bij haar onbezweken alvermogen tot hare eer, in betrekking tot uw waar, zedelijk geluk, luisterrijk voleindigen zal. De tijd lost zich op in eeuwigheid, het sterfelijke in de onsterfelijkheid. (13, p. 12-13)

Voor Anneveld is God, ‘de wijze en goede Schepper van hemel en aarde’, een realiteit. Hij is kenbaar door de rede ‘uit alles wat in de wereld’ zichtbaar is en ‘vooral uit de Heilige Schrift’ (12, p. 40). Door ‘de verkondiging van het Evangelie [...] vervat in den Bijbel’ ‘verlicht en verbetert’ Hij de mens (12, p. 21). Aanschouwelijk schildert Anneveld Gods hoedanigheid: ‘De leeuw is sterk. Menschen zijn, wanneer zij elkander helpen, nog sterker: zij kunnen het wild gedierte temmen. Maar God heeft nog grooter magt: Hij kan alles onderhouden en besturen’ (12, p. 4); Hij is niet zichtbaar, ‘gelijk gij uwe ouders ziet’, want Hij is ‘een geest’, maar ‘daar Hij overal werkt, zult gij Hem in alles kunnen zien, zoodra gij op Zijne werken aandachtig let’ (12, p. 9). Die werken hebben in Zorgvrij (17) een prominente plaats. Wanneer de familie Woudman, bestaande uit vader en moeder en de kleine Anne Mie, de bloemenpracht bij een naburig buitenhuis aanschouwt, reageert de vader, terwijl zijn vrouw en dochtertje met hem naar de hemel kijken en zij tezamen hun handen vouwen, met de woorden: ‘God! wat zijt Gij groot! wat spreidt gij al magt en luister in dit verrukkelijk oord ten toon’. Zijn vrouw ‘veegde eenen traan uit haar oog’. Sprakeloos keerden zij huiswaarts (17, p. 36-37).

God is overigens niet alleen in de schoonheid van de natuur ‘zichtbaar’, maar evenzeer in het onweer. ‘Zulk een dreunen’ veroorzaakt Hij evenwel niet ‘om zijne lieve kinderen angst aan te jagen, maar uit noodzakelijkheid, tot zuivering van het luchtgestel en tot verkwikking van het aardrijk’ (17, p. 54). Ook met ‘de harde les’ van ‘armoede en ziekte’ heeft Hij het goede voor. Hij wil daarmee de mens voorhouden hoezeer bezit en gezondheid zegeningen zijn, hem erbij bepalen: ‘uw goed en uwe gezondheid in waarde te houden’ (17, p. 73).

Van zijn presentie geeft God niet alleen blijk in de natuur en in de geschiedenis. Ook klinkt zijn stem in het ‘hart’ van de mens. Al ‘Gods groote werken’ zijn manifestaties van ‘zijn liefde’ (9, p. 19) en een uitnodiging aan de mens tot de bede: ‘Hoe lief heb ik uwe Wet! Ik volg, o God! uw wijs gebod, verleen mij daartoe uwe hulp!’ (12, p. 16). Al met al leiden de beschouwing van de natuur en het lezen van de Bijbel volgens Anneveld ‘tot ware godsvrucht’ (17, p.111), d.w.z. tot een door deugdzaamheid gekenmerkt gelukkig leven.

De centrale plaats in Annevelds geloofsleer is gereserveerd voor Jezus. Hij noemt hem ‘ons Opperhoofd’ en ‘den besten der Koningen’ (3, p. 112). Zijn Handleiding begint met de oproep: ‘Kom, laat ons jezus zoeken [...]’ en typeert hem onder meer als volgt: ‘Zijn mond spreekt tot u van de waarheid. Zijn voetspoor leidt u tot de deugd. Zijn leer voedt u op voor de hemel’ (12, p. 3). In het vervolg wordt Jezus’ betekenis als volgt uitgewerkt: zijn komst op aarde is te danken aan ‘Gods zorg voor de opvoeding van den dwaalzieken mensch’, maar ‘het ongeloof wilde zich niet door Hem laten bepalen bij het ééne noodige, namelijk de waarheid en de deugd [...] men was doof voor de stem der vermaning en blind voor het licht der kennis’. Jezus is ons van God geschonken tot ‘de gewigtigste einden’: ‘Hij bevordert bij ons wijsheid, wanneer wij Zijne leer belijden; heiligheid, wanneer wij Zijn voorbeeld volgen; onschuld voor God, wanneer wij ons Zijn lijden en sterven ten nutte maken [...]. Hij [is] de Middelaar, door wien wij tot God behooren te gaan; door wien wij vrij van zonde, vrij van straf zullen worden, wanneer wij ons door den invloed van Zijnen persoon en van Zijne leer tot goede daden laten aansporen’. Zijn komst op aarde heeft ‘de zegenrijkste gevolgen’ voor allen ‘die van Zijn onderwijs een dankbaar gebruik maken’ (12, p. 16-19).

Aan de leer van de verzoening schenkt Anneveld minimale aandacht. Op de vraag ‘Wat verzekerde hij [Jezus] ons door zijn lijden en sterven?’, volgt als antwoord: ‘Vergiffenis van zonden’ (p. 31). 31

Maatschappijvisie

Voor Anneveld is de standenmaatschappij van zijn tijd een geaccep teerd gegeven. Op het gewenste optreden van de notabele daarbinnen heeft hij een duidelijke visie. De door hem gecreëerde, vermogende heer Woudman, een mens van ‘onberispelijke deugd’ en ‘getrouw aan zijne edele beginselen’, strekt de Bijbelse Job, ook bij lijden, tot voorbeeld (17, p. 67). Woudman was ‘billijk’ ten opzichte van de dienstboden en ‘zeer mild’ in de omgang met zijn bedienden. Om die reden en ‘daar zij van hem een goed loon kregen’, ondervond hij van hen ‘wederliefde en trouw’ (17, p. 18, 94). Het hindert hem, ‘wanneer vermogende menschen hunne natuurgenooten [medemensen] onderdrukken’. ‘Het weldoen aan anderen’ was hem een ‘hemelsch genoegen’ dat hij praktiseerde in het besef dat hij zijn bezit aan God te danken had (17, p. 91-95).

De grenzen tussen de standen liggen vast, maar eenvoudige lie-den kunnen qua ontwikkeling en optreden mensen van stand zijn. In Zorgvrij (17) maakt de familie Woudman kennis met twee ‘schijnbaar geringe’ en ‘brave menschen’, een herder en zijn zus. De twee vallen op door hun ‘beschaafde handelwijze’, hun ‘verstandige woorden en de vriendelijke toegenegenheid voor elkander’ (17, p. 51). Wat hen met de familie Woudman samenbond en maakte dat ‘het aanzienlijke kleed’ geen hindernis was voor een ongedwongen ontmoeting op voet van gelijkheid was het bezit van een gemeenschappelijk geloof en een gedeelde interesse:

Zij hadden elkander als vrienden van God, als aandachtige beschouwers der Natuur, als vlijtige lezers van den Bijbel en als belijders van den naam des Verlossers Jezus leeren kennen, en dit een en ander verwekte eene vriendelijke toegenegenheid voor elkander, te meer daar zij heimelijk er bij dachten: in den Hemel [...] zullen wij allen gelijk zijn, en, hij, die hier Jezus het meest bemint, zal daar de rijkste wezen. (17, p. 64)

De ideale opvoeding

In Zorgvrij geeft Anneveld ook een beeld van zijn kijk op een goede opvoeding. Die bestaat uit enerzijds de inwijding in de godsdienst, het christelijk geloof en het daaraan inherente morele besef en handelen alsmede de daarbij behorende etiquette, en anderzijds het aankweken van liefde voor en interesse in letterkunde, schilderkunst en muziek. In zijn ‘jeugdroman’ heeft de heer Woudman ook de rol van kunstverzamelaar. De man spant zich in om zijn dochtertje gevoel voor beeldende kunst bij te brengen door haar uitleg te geven bij een aantal nieuwe aankopen die hij gedaan heeft (17, p. 18-23). Mevrouw Woudman speelt ’s avonds piano en zingt daarbij. Tot haar repertoire behoort ‘het geestelijke muzijkstuk’ de Schepping van Joseph Haydn (27, p. 39), aan wiens oeuvre ook elders gerefereerd wordt (8, p. 72).

Tot de culturele belangstelling behoort de liefde voor het buitenleven. Die blijkt door de Romantiek gestempeld. Lokkend fluitspel voert de familie Woudman binnen in een idyllische scene: ‘in stille eenzaamheid’ musiceert een herder in gezelschap van een herderinnetje (27, p. 41-42). Hoezeer Anneveld hechtte aan belezenheid, bleek reeds eerder.

Tot de godsdienstige opvoeding behoort volgens Anneveld ook het uit het hoofd leren van ‘een genoegzaam aantal bijbelspreuken en goede Christelijke gezangen’. In De ransel drukt hij in navolging van de verlichte lutherse theoloog J.G. Rosenmüller (1736-1815) de ouders op het hart daarvoor garant te staan ‘want het geheugen moet iets hebben, waaraan het zich houden kan’ (3, p.114).

De ideale opvoeding kan gepaard gaan met vermaning en te-rechtwijzing. Ter illustratie vergelijkt Anneveld de ouderlijke toewijding aan hun kinderen met de zorg voor de tuin: onkruid ‘op den kleinen akker van uw hartje’ moet verwijderd worden om te voorkomen dat ‘gij eindelijk weinig anders dan kwade vruchten zoudt leveren’ (17, p. 12-13; vgl. p. 23-29, 72). De kinderen houdt hij voor dat de passende reactie op de zorg van de ouders bestaat uit gehoorzaamheid – het is een van de uitingen van liefde jegens God (17, p. 8) – en uit het verlangen hen met de ‘grootste vreugde’ te ‘behagen’ (17, p. 9).

Als godsdienstonderwijzer beschouwde Anneveld zich als een opvoeder in bijzondere zin. Het was zijn taak zijn pupillen godsdienstig te vormen. Hij voelde zich evenwel tevens geroepen hen liefde voor cultuur bij te brengen. Binnen het kader van zijn godsdienstig onderwijs maakte hij hen attent op ‘het schoone der Oostersche stijl en letterkunde’ van de Bijbel (8, p. 120).

Tot besluit: deugd en rede

De door Hendrik Anneveld gepropageerde christelijke levensbeschouwing droeg een sterk persoonlijk stempel. Als godsdienstonderwijzer wilde hij de door hem uit de literatuur opgedane wijsheid, aangevuld met persoonlijke raadgevingen en constateringen, anderen inprenten om hen te vormen tot beschaafde, godvruchtige en cultureel ontwikkelde leden van de maatschappij oftewel tot wijze mensen. Ervan overtuigd dat ‘godvruchtig leven’ waarlijk een ‘vrolijk leven’ is (17, p. 110), was het zijn doel ‘hun wezenlijk geluk’ te bevorderen (17, p. vii). Wijze mensen waren in zijn ogen deugdzame mensen. Voor hen waren de Bijbel en de natuur bronnen van kennis. Zij putten daaruit om reeds op aarde ‘hun grootsche taak’ te vervullen, ‘te leeren aan God gelijk te worden’ (17, p. 111). Jezus was hun leraar bij uitstek. Met het gros van zijn tijdgenoten deelde Anneveld het geloof in God als de wijze bestuurder van het heelal, geloofde hij in het voortleven van de doden in de hemel en waren de standenmaatschappij en vaderlandsliefde voor hem ‘heilig’. Dienst aan ‘Koning Jezus’ en ‘Koning Willem [i]’ konden naar zijn oordeel ‘best gepaard gaan’ (3, p. 113). Kort en bondig vat hij de teneur van zijn godsdienstig onderwijs als volgt samen:

Vreest God! eert den Koning! eerbiedigt den Verlosser der menschen! bemint uwe naasten! beveiligt u zelve voor eeuwige ellende! zijt een nuttig burger van den Staat! blijft aan uwe Christelijke belijdenis getrouw! behoedt uw hart boven al wat te bewaren is! zijt regtvaardig omtrent uwe vijanden! in één woord, leeft, zoo als gij wenschen zult geleefd te hebben! (3, p. v).

Zoals eerder vastgesteld, speelde de rede in Annevelds ‘theologie’ een voorname rol. In het algemene ‘wijsheidsboek’ De ransel hebben uitspraken van Confucius en Zoroaster en andere wijzen niet minder gezag dan woorden van Jezus die het middelpunt vormt van zijn christelijke geloofsleer. Als vrijmetselaar is Anneveld getypeerd als de man die ‘gewapend door Godsdienst en Wijsbegeerte’, steeds zijn broeders opmerkzaam maakte ‘op den Opperbouwheer van het Heelal’ ‘als ons anker en onze burgt in lief en leed’, hen de deugd en de zedelijkheid ‘als de onmisbare vereischten van den Vrijmetselaar’ leerde en ‘sectengeest en vooroordeelen’ bestreed. 32 De ‘Opperbouwheer’ noemt Anneveld zelf ook in het gedicht ‘Der Vrijmetselaren standpunt en rigting’, maar de centrale plaats daarin heeft de rede, door hem in een ode op het verstand getypeerd als ‘spraak van de Godheid’ en ‘zeedlijke kracht’. 33 Het standpunt van de vrijmetselaar typeert hij als ‘de immer vruchtbare wel van ’t opgeklaard verstand’; het denken van de vrijmetselaar als een zaaien in de geest van ‘een keur van kiemend graan, ontleend aan de redemagt’. 34

Ook elders geeft Anneveld er blijk van als vrijmetselaar geen ‘eenkennig christen’ te zijn. Ware vrijmetselaren trachten ‘door het besef van de waarde en de onsterfelijkheid van den menschelijken geest aangespoord’ ‘de godsdienst, de zedelijkeid, de wijsheid en de wetenschap der menschheid aan hunne volmaking dienstbaar te maken’, zo laat hij weten. 35

Anneveld de vrijmetselaar legde de accenten even anders dan Anneveld de godsdienstonderwijzer, maar ambivalent was hij niet. In zijn optiek waren het ware christendom en de vrijmetselarij qua doelstelling eenstemmig: beide streefden de vervolmaking van de mens na, zijn vorming tot een goed en wijs persoon. Zijn overtuiging als vrijmetselaar verwoordde hij in zijn ‘Vrijmetselaars Catechismus’ als volgt:

Welk is het doel van onze Orde?

Dat ieder braaf en wijzer worde.

Zijt gij een speelbal van ’t geval?

Neen, ’k eer een Bouwheer van ’t Heelal.

Wat moet gij elken dag bezinnen?

Mij naasten als mij zelf te minnen.

Wat hoedt u voor het zeedlijk kwaad?

Bij ’t stil gebed een wijs beraad.

Wat maakt u altijd blij te moede?

Volharding in het zeedlijk goede.

Wiens taal is altijd wijs en goed?

Die van een wel gestemd gemoed.

Welk plan moet gij gestadig smeden?

Dat ter verbeetring mijner zeden.

Welk is ’t gevolg van zuivere deugd?

Bij zelfvoldoening ware vreugd.

Waarom moet gij de deugd betrachten?

’k Moet haar reeds om haar schoonheid achten.

Wie is bij u beklagenswaard?

Hij, wiens gedrag hem onrust baart.

Wien moet gij als de pest ontvlieden?

Die ’t onkruid uit hun hart niet wieden. 36

Uit Annevelds ‘algemene’ geschriften krijgt men een goed beeld van de inhoud van zijn onderwijs als kerkelijk werker. Uit wat over hem als vrijmetselaar bekend is, blijkt dat ‘Loge la Paix’ voor hem zijn persoonlijke, ‘oecumenische’ parochie was, waar hij als ‘Redenaar’ ongebonden zijn ‘evangelie’ van de wijsheid als het hoogste goed kon uitdragen.

De combinatie godsdienstonderwijzer-vrijmetselaar kan voor een eenentwintigste-eeuwse christen verrassend zijn. Bedacht moet evenwel worden dat in de negentiende eeuw protestantisme en vrijmetselarij konden samengaan. Onder de vrijmetselaars bevonden zich ook predikanten. Anneveld was met zijn weinig orthodoxe levensbeschouwing niet het enige buitenbeentje dat als godsdienstonderwijzer in de Amsterdamse hervormde gemeente werkzaam was. Wat mij bij mijn ‘excursies’ in de geschriften van enkele van zijn Amsterdamse collega’s trof was hoe rijk geschakeerd de opvattingen van de godsdienstonderwijzers te Amsterdam in de negentiende eeuw waren en hoe zij klaarblijkelijk de ruimte hadden die bij hun godsdienstig onderwijs uit te dragen. In de negentiende eeuw, toen de kerk stevig in de samenleving verankerd was, bood, naar het zich laat aanzien, de hervormde gemeente te Amsterdam de ruimte om onder de noemer ‘christelijk’ een gevarieerd ‘boeket’ van religieuze overtuigingen te presenteren. Toen geschiedde onder de paraplu van de kerk, wat nu, nu de kerk voor velen passé is, maar religie nog volop leeft, buiten de kerk in de maatschappij gebeurt, zij het meestal niet meer onder de christelijke vlag. 37


1 Zie ‘Godsdienstonderwijzers en religieuzen in kerk en school in de negentiende en twintigste eeuw’, themanummer van Documentatieblad voor de Nederlandse kerkgeschiedenis na 1800 (DNK), 36, nr. 78 (2013).

2 J. de Niet, Ziekentroosters op de pastorale markt 1550- 1880, Rotterdam 2006, 104.

3 Zie 4-6, 8, 10, 12, 14, 16-17. De getallen hebben betrekking op de lijsten van geschriften (zie beneden). De titelpagina van 3 noemt hem ‘Godsdienst-Onderwijzer, ook in de hospitalen te Amsterdam’. In een recensie van 5 in Letterkundig Magazijn van Wetenschap, Kunst en Smaak (LMWKS)1833, no. 3, 99, is sprake van door Anneveld gegeven ‘privaat onderwijs in de Bijbelsche geschiedenis’.

4 Later, in elk geval in 1874 en volgende jaren, woonde hij aan de Lijnbaansgracht 249.

5 Op betreffende vergadering is klaarblijkelijk het besluit genomen tot de oprichting van de ‘Vereniging van Protestantse Godsdienstonderwijzers in Nederland’ die in 1954 haar eeuwfeest vierde. Zie C.J. van Dam e.a., De aloë bloeit, z.p. z.j. [1954].

6 In 1851 sloot het genootschap zich aan bij de ‘Nederlandsche Vereeniging tot Afschaffing van Sterken Drank’. Zie M. Janse, De afschaffers. Publieke opinie, organisatie en politiek in Nederland 1840-1880, Amsterdam 2007, 45-46, 50-51. Wijn behoorde niet tot de sterke drank. Zo behoeft het niet te bevreemden dat Annevelds personages daarvan gebruik maken: mevrouw Woudman van Zorgvrij (17) laat, ‘wel wetende wat hem [haar echtgenoot] het aangenaamste was’, bij zijn thuiskomst door de meid ‘een flesch wijn, een schaaltje met aardbeziën, brood, boter en suiker opzetten’ (p. 17).

7 Zie ‘Een vader en zijne drie zonen vrijmetselaren. Treffend bewijs van de hooge waarde der orde’, in: Nederlandsch Jaarboekje voor Vrijmetselaren, Amsterdam 5849 [1849], 132-140 (de tekst van een op 23-4-1848 gehouden toespraak).

8 Zie Maçonniek Weekblad (MW) 3 (1854), nrs 11 en 12 van 13 en 20 maart.

9 Blijkens het Jaarboek der Stad Amsterdam 1833, 16, hield hij op 5-1-1833 voor de Taal- en Letteroefenende Maatschappij Tot Nut der Jeugd een referaat ‘Over de betrekkingen van een letterkundig genootschap op de verdedigers van vaderland en koning’. De Rederijker. Tijdschrift voor leden van Rederijkers-Kamers (...), 2 (1855), 74, bericht dat aan Anneveld bij de beëindiging van het lidmaatschap ‘het diploma van het honoraire lidmaatschap’ werd aangeboden.

10 Zijn naam komt voor op de ‘Naamlijst der leden’, opgenomen in: Verslag [over 1848] van de Vereeniging tot Bevordering van Beeldende Kunsten, Opgerigt door de Maatschappij: ‘Arti et Amicitiae’, 13; hij behoorde tot de intekenaren van J. Immerzeel, Jr., De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers (...), i, Amsterdam 1842.

11 Zie 2 (1853), nrs. 1, 3, 7, 14, 16, 19, 22,25-27, 28, 33, 38, 47, 50; 3 (1854), nrs. 1, 2, 8, 9, 24, 41, 42, 48; 4 (1855), nrs. 2, 14, 35; 5 (1856), nrs. 2, 4, 5, 8, 11, 18, 24, 27, 30, 39, 44, 48, 50, 51; 6 (1857), nrs. 6, 7, 9, 12, 14, 15, 19, 21, 33, 35; 7 (1858), nrs. 2, 23; 8 (1859), nrs. 5, 18, 33, 38.

12 Zie 2 (1853), nrs. 5, 6, 31, 35; 3 (1854), nrs. 6, 26, 36, 40, 50; 4 (1855), nr. 29; 5 (1856), nr. 20; 6 (1857), nrs. 25, 28, 43, 45; 7 (1858), nrs. 9, 13, 25, 27; 8 (1859), 1, 21, 25, 26; 11 (1862), nr. 40.

13 In 7 (1858), 53-54, 325- 326; 8 (1859), 63-64; 9 (1860), 51-52, 167-168; 10 (1861), 124-126; 12 (1864), 59-60, 253-256.

14 Van Speijk werd al kort na zijn daad in Noord-Nederland bejubeld als een nationale held. Zo figureert hij in de negentiende eeuw in de literatuur en beeldende kunst. Zie S. de Vries, De lucht in gevlogen, de hemel in geprezen. Eerbewijzen voor Van Speyk, Haarlem 1988; R. Prud’homme van Reine, Liever niet de lucht in. De omstreden zelfmoordaanslag van Jan Carel van Speijk, Amsterdam/Antwerpen 2016. Uit Annevelds apologie blijkt dat Van Speijks handelwijze ook gekritiseerd werd (vgl. De Vries, 109-111; Prud’homme van Reine, 205-208). Vanwege de burgerslachtoffers van de explosie werd Van Speijk in de Vlaamse pers afgeschilderd als een moordenaar. Zie C.J.M. Breunesse, ‘Losgemaakt uit de verdrukking’. Opiniejournalistiek rond de scheiding van Noord en Zuid 1828- 1832, Apeldoorn/Antwerpen 2014, 173-177, en voorts ook J. Huijbrechts, Trouw aan Oranje. Antwerpen 1830-1832, Brussel 2007, 178-183.

15 Zie LMWKS 1831, no. 10, 437-439; Vaderlandsche Letteroefeningen (VL) i, 1831, 553-555. Evenmin gunstig was het oordeel over Annevelds bloemlezing uit de Bijbel voor de jeugd (5) in LMWKS 1833, no. 3, 99-100 (het bevordert ‘de letterdieverij’) en VL, 1833, i, 12-13. Aangeprezen werd Van Speijk in Algemeen Letterlievend Maandschrift 15/ i (1831), 362-364, en De Recensent, ook der Recensenten 25/i (1832), 228-230.

16 LMWKS 1832, no. 14, 587-588.

17 Zij genoten de waardering van ‘verlichte’ protestanten. Een van Annevelds literaire personages typeert Van der Palms bijbelvertaling als voor ‘ongeleerden verstaanbaarder’ dan de oude, de Statenvertaling (17, p. 66).

18 Voor het fenomeen zie H. van ’t Veld, Wegwijzer naar Christus. De Heidelbergse Catechismus berijmd en gezongen, 1624-2006, Zoetermeer 2007.

19 Zie het gedicht ‘Op het Buitengoed van een Broeder’, MW 7(1858), no. 41.

20 2 (1853), nr. 19.

21 3 (1854), nrs 42 en 42.

22 4 (1855), nr. 35. Anneveld mengde zich in de discussie over de vraag of het lidmaatschap van de Maatschappij, voorbehouden aan christenen, mocht worden uitgebreid.

23 7 (1858), nr. 23.

24 8 (1859), nr. 5.

25 In ‘Lessen uit België’, 7 (1858), 53-54.

26 Zie ‘Het lentefeest’, 10 (1861), 124-126.

27 Zie ‘Het E:. O:.’, 8 (1859), 63-64.

28 Zie ‘De Acacia’, 8 (1858), 325-326.

29 Annevelds beschouwingen zijn niet in elk opzicht uitgebalanceerd.

30 Sinds Napoleons expeditie naar Egypte (1799) was de Egyptologie tot ontwikkeling gekomen. Zie P.S. Ash, ‘Egyptology and Biblical Studies’, in: J.H. Hayes (ed.), Dictionary of Biblical Interpretation, i, Nashville 1999, 318-323.

31 De anonieme recensent in VL, i, 1849, 243, merkt op: ‘Wat blijft er over, niet alleen van het Protestantismus, maar van het geheele Christendom, als men de verzoening in Christus, de regtvaardigmaking door het geloof wegneemt, of ook maar op den achtergrond schuift’.

32 Zie MW 3 (1854), no. 12.

33 ‘Aan mijne rede’, MW 2 (1853), nr. 31.

34 MW 7 (1858), no. 5.

35 Zie de in n. 7 genoemde toespraak.

36 MW 2 (1853), nr. 5.

37 De hierboven gedane beweringen hoop ik in een ander verband nader te adstrueren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 2017

DNK | 1 Pagina's

Afbeelding van artikel niet beschikbaar

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 2017

DNK | 1 Pagina's

PDF Bekijken