Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Belgische vluchtelingen of onze jongens?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Belgische vluchtelingen of onze jongens?

De Amersfoortse kerken moesten kiezen in de Eerste Wereldoorlog

43 minuten leestijd

Inleiding

In 1914-1918 vond een verwoestende wereldoorlog plaats. Gelukkig was Nederland neutraal. Amersfoort zat wel stampvol soldaten en vluchtelingen en voedsel en goederen werden zo schaars! Wat betekende dat voor de taakopvatting van kerken en welke keuzen maakten zij? En hoe komt het dat er tot dusver nauwelijks iets bekend was over de kerken en de Belgen?

Het eerste dat Amersfoort van de oorlog merkte was de mobilisatie van dienstplichtigen en reservisten op 31 juli 1914. Liefkozend werden ze onze jongens genoemd. Daar waren veel kerkleden bij, ook ouderlingen en diakenen. 1 De landelijke protestantse kerken riepen op om bidstonden te houden ‘vanwege den nood der tijden’. De hervormden in Amersfoort deden dat in de eerste oorlogsmaanden elke woensdagavond en de gereformeerden volgden in september het goede voorbeeld. Eerst wilde de kerkenraad dat op de donderdag doen, waardoor gezinsleden om beurten naar een van de twee wekelijkse gebedsavonden konden gaan. Deze vroege oecumenische gedachte was echter voor veel leden zó bedreigend dat de raad toch maar besloot tot een eigen bijeenkomst op de woensdag. 2

Toen de Duitse troepen begin augustus op weg naar Frankrijk het neutrale België binnenvielen werden zij verrast door felle tegenstand van het Belgische leger. Ook de burgers waren niet zo maar bereid te doen wat de Duitsers bevalen. De standrechtelijke executie van burgers en het platbranden van Dinant en Leuven wekten grote afschuw in Nederland. De Belgen die de grens over vluchtten werden met open armen ontvangen; toen zij de grensstreek overspoelden werden de Belgische burgers getransporteerd en verdeeld over alle gemeenten van Nederland, volgens een quotering naar aantal inwoners. Elders is daar recent al voldoende over geschreven. 3 Ook over de situatie in Amersfoort zijn nieuwe publicaties verschenen. 4

Soldatenstad en veldpredikers

De oorlog kwam natuurlijk ook ter sprake in de vergadering van de hervormde kerkenraad van 2 september 1914. Voorzitter ds W.J. Meiners verwoordde de ‘verontwaardiging opgaande uit de gansche christenheid’. Ook steunde men een voorstel van de hervormde gemeente Hoorn voor een internationaal kerkelijk vredescongres; men verwachtte er overigens niet veel van, omdat ‘de oorlogen zullen blijven’. 5 Men had er toen nog geen idee van hoe profetisch die woorden waren.

In dezelfde vergadering kwam ook Meiners’ aanmelding als veldprediker ter sprake. Deze functie was in de week na de afkondiging van de mobilisatie bedacht door hervormde synode, naar Frans voorbeeld. Men had deze veldprediker-functie aan de minister van Oorlog aangeboden en bovendien alle predikanten opgeroepen om zich aan te melden. 6 Net als 62 andere hervormde predikanten had Meiners zich spontaan opgegeven, ‘omdat hij veel gevoelt voor soldaten’. Meiners gevoel stoelde op het feit dat Amersfoort de belangrijkste garnizoensstad van Nederland was en hij dus wist waar hij het over had. Alleen was hij vergeten zijn aanmelding met zijn kerkenraad te overleggen; de raad had het in de krant had moeten lezen! Toch ging men akkoord: voor een soldaten-stad was het veldpredikerschap ook wel eervol en bovendien was het garnizoen ter plaatse uitgedund, doordat veel soldaten aan de grens lagen. De twee andere hervormde predikanten te Amersfoort namen zijn werk over. Meiners ging naar Tilburg en keerde pas in mei 1918 terug; hij bleek geknipt voor dit werk. 7 Wel kwam er een reserve-veldprediker voor het garnizoen in Amersfoort. 8 Voor leger en marine was de geestelijke in uniform (protestant én katholiek) een vernieuwing die na de oorlog behouden bleef en bijdroeg aan de vermaatschappelijking van de krijgsmacht, al was de doordenking van de rol van de kerken nog helemaal niet aan de orde en in 1940 evenmin afgerond. 9

Op 7 oktober vergaderden de hervormde ambtsdragers weer. Inmiddels waren er enkele Belgische vluchtelingen in Amersfoort aangekomen. Verbazend is echter dat deze hele vergadering over iets anders ging. De kerkenraad moest een comité neutraliseren dat de ‘belangstelling voor de gereformeerde leer en haar geestelijk leven’ wilde bevorderen en liefst 200 handtekeningen had ingezameld. Met drie rechtzinnige predikanten vond de raad dit overbodige luxe en de petitie werd afgewezen. 10

Ook de andere kerkbesturen hadden interne zorgen en de Belgen kwamen er op de vergaderingen niet ter sprake. De katholieken gingen de Sint-Ansfriduskerk bouwen en ook in later jaren was men vooral bezig met verbeteringen aan de andere kerkgebouwen. 11 De gereformeerde Zuidsingelkerk werd sterk vergroot.

Bovendien riep de voorgenomen fusie van de twee gereformeerde kerken felle tegenstand op bij een deel van de leden. 12 Eén van de twee kerkenraden sprak op 12 oktober wel over een voorstel van de kerk van Amsterdam om ‘een publiek woord tot de volken van Europa’ te richten in verband met de nood der tijden. 13 Maar geen woord over de Belgen, terwijl het grote nieuws van de vorige dag de aankomst van de eerste trein met vluchtelingen was geweest.

Invasie van Belgen

In de nacht van 10 op 11 oktober arriveerden vijfhonderd Belgen in Amersfoort. Die hele maand kwamen er in totaal circa 17.000 soldaten en 3.000 vrouwen en kinderen naar Amersfoort; ter vergelijking: er waren toen zo’n 25.000 inwoners en ook nog eens 15.000 Nederlandse soldaten! De militairen werden geïnterneerd in de leegstaande Juliana van Stolbergkazerne aan de Leusderweg, die echter maar 3.000 bedden had. Daarom verrees er een groot tentenkamp. De Amersfoorters toonden grote belangstelling voor hen en zamelden spontaan lectuur en snoep in.

Voor de opvang van burgers hadden Amersfoortse notabelen net als elders al een vluchtelingencomité gevormd. Dit ging dus niet uit van de kerken en evenmin van de overheid. Het comité werkte verbazend snel en efficiënt, zodat de diakonieën er eigenlijk geen enkele rol in hoefden te spelen; in de diaconale rekeningen vinden we dan ook geen uitgaven voor Belgen. 14 Veel Amersfoorters namen een kind of een gezin in huis. Het Burgerweeshuis en de katholieke kindertehuizen namen 50 Belgische kinderen op, naast de 61 eigen bewoners. In het hervormde Sint-Pieters- en Bloklandsgasthuis (met 52 bejaarde gastelingen) konden ook nog eens 60 Belgen terecht. 15 Maar de meesten belandden in pakhuizen en gymlokalen.

Bijna alle Belgen waren katholiek en zij waren welkom in de kerkdiensten in de twee katholieke kerkgebouwen, beide in de binnenstad: de Sint Franciscus Xaverius aan ’t Zand en de Onze Lieve Vrouw Hemelvaart aan de Langegracht. De mis was in het Latijn en dus prima te volgen, ook voor de Walen. De kinderen gingen naar de katholieke scholen: de jongensscholen aan de Breestraat (bij de Onze-Lieve-Vrouwetoren) en aan de Schimmelpenninckkade; de meisjes in het patronaatsgebouw Sint Aechten aan ’t Zand. Daar werd al snel apart onderwijs door Belgische onderwijzers aangeboden; aan de Breestraat zelfs in twee lokalen. 16

Zorg voor de Nederlandse soldaten

Het ligt voor de hand dat de Amersfoortse kerken met Kerst 1914 in zicht alsnog iets voor de Belgen zouden organiseren, maar in de archieven en de kranten is daar niets over te vinden. Er was geen gezamenlijke kerstviering en zelfs geen collecte. Het hemd was nader dan de rok: de kerstgaven waren voor de eigen armen 17 en de dienstplichtigen aan de grenzen moesten ook aandacht krijgen. De gereformeerden stuurden tweemaal geld naar het Comité tot Behartiging van de Geestelijke Belangen der Protestantsche Militairen in Noord-Brabant en Limburg, dat was opgericht door zowel hervormde als gereformeerde predikanten. Men was nogal bezorgd over het zedelijk gevaar dat de jongens daar liepen en behartigde actief hun geestelijke belangen. Een derde bedrag van ƒ25,- was bestemd voor een houten noodkerk in Tilburg, die was gebouwd omdat de soldaten niet in de gewone kerken pasten en in zalen moesten worden opgevangen. 18

Eerder zagen we dat Tilburg de standplaats was van de hervormde ds Meiners. Hij kwam geregeld terug naar Amersfoort om een dienst te leiden en ongetwijfeld vertelde hij van zijn werk aan de grens. 19 Er waren daar in de omgeving 20.000 soldaten gelegerd, waaronder honderden gereformeerden. Tilburg was ook het bestuurscentrum van het zojuist genoemde comité. Gereformeerde predikanten gingen geregeld een weekeinde of week naar de zuidelijke provincies. De noodkerk trok bij opening op 17 maart 1915 zo’n 850 bezoekers. De gereformeerde soldaten voelden zich enorm aangesproken door de preken van de plaatselijke predikant. De kerk was bovendien een militair tehuis, waar elke avond een dagsluiting plaatsvond. 20 Hierbij is het goed te bedenken dat gereformeerde militairen veel kerkser waren dan hervormde of katholieke.

Ook een landelijke, niet-kerkelijke collecte voor een kerstgave voor onze jongens was succesvol; hiervoor zetten veel comité’s zich in en in Amersfoort was het niet anders. 21 Slechts één bericht ging over de Belgische soldaten: de commandant van de Van Stolbergkazerne stond hen toe om 24 uur naar hun gezinnen te gaan, die ze in een aantal gevallen al sinds augustus niet gezien hadden. En er was tóch nog een kerkelijke activiteit. De militairen zonder gezin, die dus het kamp niet uit mochten, werden op initiatief van het Leger des Heils ‘herinnerd aan den grooten feestdag’; helaas weten we niet wat dat inhield. 22

De katholieke kerk aan ’t Zand werd intussen onder de voet gelopen door Nederlandse soldaten die door de mobilisatie naar Amersfoort gekomen waren. Deze Xaveriuskerk was immers de enige garnizoenskerk. Er was er een aparte stille mis met preek voor de militairen ingesteld, maar dat had de aanloop nauwelijks beperkt. Gelukkig zou de nieuwe Sint-Ansfriduskerk voorjaar 1916 ingewijd worden; het kerkbestuur verzocht de aartsbisschop de infanteristen van de Van Stolbergkazerne daarbij in te delen, ook omdat deze dichterbij de nieuwe kerk lag. 23

De Nederlandse soldaten in de stad konden ook op aandacht van de protestanten blijven rekenen. De gereformeerde ds A.M. Donner (van de Grachtkerk; grootvader van oud-minister Piet Hein Donner) zette zich enorm in. Hij kende het werk onder soldaten al uit Assen, waar hij eind negentiende eeuw had meegewerkt aan de oprichting van het plaatselijke Christelijk Militair Tehuis. Later herinnerde hij zich:

Amersfoort was het centrum der mobilisatie. Daar kwamen de soldaten van alle kanten naar toe, om gedistribueerd te worden. Er waren zondagen dat meer dan 300 militairen op de gaanderij zaten en soms had ik er wel zo’n 80 op de catechisatie. Iederen avond ging ik in het Tehuis [aan de Lange Beekstraat] spreken, over den toestand van dien dag. En de jongens waren dat zoo gewoon, dat velen niet eens de krant meer lazen, want dominee vertelde het des avonds wel. 24

De twee Amersfoortse gereformeerde predikanten hadden hun handen vol aan deze soldaten. Zij gingen voor in militaire tehuizen, verzorgden catechisaties en bezochten het militair hospitaal in de stad. Er lagen zo’n 13.000 tot 17.000 soldaten in Amersfoort, telde de gereformeerde kerkenraad, en dus meenden de gereformeerden niets meer te kunnen doen voor de jongens elders in het land (gemakshalve werden hierbij dus alle Nederlandse soldaten in de stad meegerekend.) Die opmerking werd in de notulen telkens herhaald als andere kerken steun vroegen voor de soldaten elders: Amersfoort leverde al een ‘uiterste krachtsinspanning’, dus nu waren anderen aan zet. 25

Wel probeerden de gereformeerden met kleine gebaren nog wat extra te doen voor de Nederlandse militairen in Amersfoort. Het Christelijk Militair Tehuis dreef op de gereformeerde soldaten. De Christelijke Onderofficiersvereeniging had in Amersfoort het landelijk kantoor en werd vooral door de gereformeerden gesteund; van de hervormde gemeente kreeg men minder sympathie. Eenmaal kregen de onderofficieren de gereformeerde Zuidsingelkerk ter beschikking voor een lezing van de bekende professor Hugo Visscher, die even orthodox-hervormd was als de gemeente van de Sint-Joriskerk. Men vond echter dat de hervormden daar teveel huur vroegen. Tenslotte mocht de Christelijke Jongelingsvereeniging CJV een gereformeerd zaaltje gebruiken voor de eerste vergadering van haar mobilisatie-afdeeling. 26

Dat ook niet alles koek en ei was blijkt uit een incident uit 1917. De jongere broer van de koster joeg de aanwezige militairen na de dienst in de Zuidsingelkerk weg met knippende vingers. Hun stoelen moeten immers verplaatst worden, zodat de andere kerkgangers het gebouw konden verlaten. Dit gaf veel ergernis onder militairen én burgers; de soldaten wilden immers best helpen met de stoelen. 27

Aandacht voor de Belgen

Hoe was intussen de aandacht voor de vluchtelingen? Daarvoor moeten we terug naar 1914 en naar de Van Stolbergkazerne. Omdat de situatie daar door de massale toevloed van Belgische militairen onhoudbaar was begon het Nederlandse leger vrijwel meteen met de bouw van een enorm barakkencomplex, Kamp Zeist. Dat lag niet in de gemeente Zeist, maar net over de grens met Soest, bij het dorp Soesterberg (dicht bij de plek waar nu Syrische en Eritrese vluchtelingen worden opgevangen). Het was het grootste Belgenkamp van Nederland. Hier konden in december 1914 15.000 soldaten terecht.

Zomer 1915 volgde Elisabethdorp in Amersfoort, het eerste van drie kampen voor gezinnen (vlak bij het huidige asielzoekerscentrum). De Amersfoortse tehuizen konden zo de helft van de Belgen laten gaan. In deze Belgendorpen woonden, leerden en kerkten zij in hun eigen barakken en huisjes. Elisabethdorp had een kleuterschool, een Vlaamse en een Waalse lagere school, een kantwerkplaats en een kerk. 28 Gegoede dames en twee officieren organiseerden dat jaar een kinderkerstfeest in Kamp Zeist, waar 700 kleintjes werden getrakteerd en kerstliedjes zongen. 29

Een hoogbejaarde Belgische vluchteling, Jeanne Clapdorp, herinnerde zich dat zij in kamp Nieuwdorp (geopend in 1917) terug moest naar de kleuterklas! Zij was al acht jaar en had les gekregen van haar vader. Tenslotte mocht zij toch naar de meisjesschool in de stad: ‘Het was een katholieke school met nonnen en daar moesten we veel bidden, wat niet strookte met de ideeën die er thuis heersten. Trouwens, we werden in Amersfoort beter bejegend door de protestantse gemeenschap. Die toonde zich behulpzaam en vriendelijk. De katholieken maakten ons vaak uit voor Belgische allesvreters.’ 30

Wat deden de kerken nu voor de Belgische soldaten en hun gezinnen? En wat deden de Belgen zelf? Daarover is tot dusver niets gepubliceerd in de boeken en artikelen over de vluchtelingen in het algemeen en over Amersfoort en Kamp Zeist. Jeanette Pors kwam er in de archieven niets over tegen. Ingeborg Kriegsman heeft de kampkranten bestudeerd, zoals De Kampbode en de Franstalige versie Le Courrier van Kamp Zeist, die verschenen van november 1915 tot augustus 1918 (toen de soldaten van Zeist werden overgeplaatst naar Harderwijk). Ook zij meldt er niets over; wel over de viering van Pasen, Allerheiligen, Allerzielen en Kerstmis, maar dit leidde alleen tot smakelijke maaltijden, terwijl in de krantjes beschouwingen stonden over de oorlog en een gedicht over het kindje Jezus. 31 Daarom zijn de kranten van Kamp Zeist alsnog nagekeken. De wekelijkse Kampbode is vrijwel compleet bewaard gebleven en bevat toch enkele interessante berichten. 32

Een mededeling over kerkbezoek of een beschouwing van een geestelijke komen hierin niet voor; voor de soldaten was de zondag een dag waarop je toneel kon zien en kon ontspannen. Soms maakte de redactie zelf een bijbelse verwijzing: al die jaren was er een rubriek Gesprekken met den dwazen jongeling en éénmaal was er een kop Want alle vleesch is als het gras. 33 Kerstmis was steeds aanleiding tot een beschouwing door de redactie of door een dame uit Baarn, E.H. du Quesne van Gogh. Zij schreef over het Godskind als licht der verwachting in donkere dagen en een jaar later volgde haar gedicht Kerstvertroosting. 34 Toen een soldaat van 28 jaar overleed aan de Spaanse griep en na vier jaar zijn geliefde dus niet terug zou zien, leidde dat nog tot een ontboezeming van de redactie: ‘Aan de ondoorgrondelijke beschikking van den Oppersten Wil, die een streep haalt door alle menschelijke verwachtingen, onderwerpen wij ons.’ 35

We weten dat er in elk kamp erediensten werden gehouden, maar die waren voor de meeste militairen vermoedelijk niet zo aantrekkelijk. Toch mogen we veronderstellen dat de diensten vanzelf spraken en niet in de kampkranten vermeld hoefden te worden. Er waren inderdaad ook één of meer katholieke geestelijken: éénmaal stelde aalmoezenier De Ridder een politieke spreker en een zanger voor op een zondagse feestavond. 36 Bovendien deden priesters, seminaristen (priesterstudenten) en kloosterlingen dienst als brancardiers; zij hadden op hun uniform een gouden of rood kruisje en werden daarom Mannen van den Kruiskensbond genoemd. Ook vrome soldaten die een schildje van het Heilig Hart op hun borst speldden werden soms als leden van deze bond beschouwd. 37

Tenslotte weten we iets meer dankzij een recent artikel van Hans Zijlstra over de situatie in de gemeente Zeist en Kamp Zeist. In oktober 1914 kregen de burgervluchtelingen daar eerst onderdak op verschillende plekken, waaronder twee wijkgebouwen van de kerken, het katholieke Sint Joseph en het hervormde Irene. In dit laatste pand sliepen eerst 109 Belgen, maar toen de zondag naderde en bleek dat er geen dienst gehouden kon worden wilden de hervormden geld zien. De gemeente noemde dit boos ‘profiteeren’ en Irene werd binnen de maand ontruimd. 38

Zijlstra meldt ook dat het Belgische leger vóór de oorlog drie katholieke aalmoezeniers telde en één protestantse (in Nederland dus veldprediker genoemd). Inmiddels was dominee Fons Decoster actief in Zeist en zijn collega J.C. van Belleghem in Harderwijk. Ook waren er in Zeist een katholieke en een protestantse kerkbarak. 39

Decoster had al rond de jaarwisseling een bijbelstudiekring op- gericht in het militaire kamp. Hij wist Anna Kuijtenbrouwer en freule Joanna van de Poll van het Zeister vluchtelingencomité voor zich te winnen en samen zetten zij de protestantse zielzorg op. De dames zorgden voor een orgeltje en zo konden er zondagse diensten worden gehouden. Decoster wist van alles voor de soldaten te organiseren, waaronder activiteiten, vermaak en kerstvieringen voor 400 protestanten. Ook ging hij met 34 man naar Den Haag, naar het Vredespaleis en naar een conferentie in de doopsgezinde kerk aldaar. Na de oorlog bleven de contacten van freule Van de Poll met Decoster en enkele soldaten nog decennia lang voortbestaan. 40 Dat laatste was niet uitzonderlijk, want ook Amersfoortse burgers die bijvoorbeeld kamers aan een Belgisch gezin hadden verhuurd behielden zulke contacten. 41

Evangelisatie

De Amersfoortse gereformeerden konden dan wel niet veel bijdragen, ze wilden wél de blijde boodschap brengen aan de ‘onwetende’ katholieke soldaten. Inderdaad vormden drie mannen en een vrouw meteen na aankomst van de eerste Belgen een evangelisatiecomité, dat bijbels, evangelies en traktaten verspreidde. Vergeefs hoopten zij dat de hervormden ook mee zouden doen. In april 1917 was deze commissie nog steeds actief met het verspreiden van lectuur. 42 Overigens verscheen in De Kampbode meermalen een advertentie Godsdienstige lezingen, waarin Nederlandse burgers aanboden boeken over het vrijzinnige christendom uit te lenen en de portokosten te betalen. 43

Zoals gemeld vond de gereformeerde kerk van Amersfoort dat de zusterkerken van Zeist en Soest maar voor pastoraat aan de Belgen moesten zorgen. Dit ging zelfs zó ver dat Amersfoort weigerde om de Belgische evangelist De Bontridder te steunen, die in Kamp Zeist aan de slag ging in opdracht van de evangelisatiecommissie van de classis Harderwijk. Die commissie had zich eerder ontfermd over kamp Oldebroek, waarvan de soldaten naar Zeist waren overgeplaatst. 44

De zusterkerk van Zeist pakte de handschoen inderdaad op. ‘Hun geestelijk heil kan ons (…) niet koud laten’ en zo ‘hebben wij een roeping (…) de blijde boodschap des evangelies te brengen’, schreef men in een circulaire aan alle gereformeerde kerken. Deze jongens liepen volgens de kerk evenveel zedelijke gevaren als de Nederlandse grenssoldaten in Brabant en Limburg; er was ƒ1500 à ƒ1600 nodig. Na een moeizame start wist De Bontridder ruim 50 soldaten te interesseren, waarvan de helft ook lid van de kerk wilde worden. Uiteindelijk kwam er van de zusterkerken toch maar een paar honderd gulden binnen, zodat Zeist na de wapenstilstand van 11 november 1918 een nieuwe circulaire stuurde. 45 Dat was dus nádat de soldaten van Zeist waren overgeplaatst naar Harderwijk. Revolutie De wapenstilstand was nauwelijks reden tot vreugde, want deze viel in de Roode Week (9-14 november 1918). Naar buitenlands voorbeeld hing er een staatsgreep in de lucht; sdap-voorman Pieter Troelstra riep er enthousiast toe op. Daarom vroeg de gereformeerde synode om een landelijke bidstond voor ‘het gevaar der revolutie dat zoo nabij dreigt’. Op verzoek van de regering hadden de kerken er de vorige maand al een gehouden, maar nu gebeurde dat opnieuw op 28 november. 46 Toen was de Roode Week echter al met een sisser afgelopen. Er kon gedankt worden dat Nederland relatief goed door de oorlog was gekomen. Onze jongens én de Belgen konden naar huis! Nabeschouwing Garnizoenstad Amersfoort wist alles van soldaten en van pastorale zorg voor onze jongens. Vandaar dat een hervormd predikant spontaan veldprediker werd en dat ook gereformeerden en katholieken klaarstonden om de handen uit de mouwen te steken voor de Belgische vluchtelingen. Hun mogelijkheden waren beperkt, maar dankzij de zorg van de overheid voor de soldaten en het vluchtelingencomité voor de burgers was er ook niet zoveel meer nodig. De gereformeerde kerken van Amersfoort en Zeist onderscheidden zich in hun hulpvaardigheid, maar Amersfoort koos waar het er op aankwam nadrukkelijk voor de Nederlandse soldaten.


1 Bijvoorbeeld Archief Eemland, archieven hervormde gemeente Amersfoort 1579- 1951 (bnr 167, hierna afgekort als H) invnr 23, notulen grote kerkenraad 23-9-1914: een diaken was opgeroepen; archief gereformeerde kerk Amersfoort (bnr 172, hierna afgekort als G) 371, 12-10-1916: ontheffing als ouderling na herhaald verzoek verleend, omdat er geen zicht op was dat hij terug zou keren uit dienst.

2 G 5, notulen kerkenraad parochie A (Grachtkerk) 8-9-1914 en 16-2-1915; G 55, notulen kerkenraad B (Zuidsingelkerk) 14-9- en 24-11-1914.

3 Evelyn de Roodt, Oorlogsgasten. Vluchtelingen en krijgsgevangenen in Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog (Zaltbommel 2000); Paul Moeyes, Buiten schot. Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog (Amsterdam, herziene editie 2014); Ingeborg Kriegsman, Hoop op toekomst. BBelgische vluchtelingen in Nederland (Zwolle 2016).

4 Jeanette Pors, ‘Een stad vol vluchtelingen: Belgische burgervluchtelingen in Amersfoort tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918)’, in Flehite. Historisch jaarboek voor Amersfoort en omstreken 15 (2014) 6-31; Gerard Raven (red.), ‘Belgen op de vlucht: gastvrij Amersfoort 1914-1918, themanummer bij de tentoonstelling in Museum Flehite’, Kroniek. Tijdschrift historisch Amersfoort 16:3 (september 2014) 1-19; ‘In staat van oorlog: [de provincie] Utrecht tijdens de Eerste Wereldoorlog’, themanummer Oud-Utrecht, december 2008, iets gewijzigde herdruk 2014.

5 H 15, notulen kleine kerkenraad 2-9-1914.

6 George Harinck, ‘Via veldprediker naar legerpredikant. De protestantse kerken en de wederzijdse doordringing van kerk en leger’, in Enne Koops en Henk van der Linden (red), De kogel door de kerk? Het Nederlandse christendom en de Eerste Wereldoorlog [Soesterberg 2014] 107-131, ald. 116.

7 K. den Hollander, Ds W.J. Meiners herdacht … (Amersfoort 1921; bibliotheek Archief Eemland 2519) 7; meer details over zijn werk en een foto in tenue op pp 21-34. Meiners staat ook op een foto met zijn soldaten in Els Boon, Jan Hoffenaar en Wilco Veltkamp, Met het woord onder de wapenen. Protestantse geestelijke verzorging in de krijgsmacht vanaf 1914 (Zoetermeer [2016]) 16. Meiners’ kleindochter Caroline Oljans beschikt over brieven die hij in 1914 uit Noord-Brabant schreef.

8 H 34, correspondentie 392, briefwisseling met Meiners 1915-1918.

9 Harinck, Veldprediker, 124-127. Zie ook de bundel in noot 7.

10 idem, 7-10-1914.

11 Archief Eemland, archief parochie Sint Franciscus Xaverius (bnr 169.1) 122, uitgaande correspondentie (notulen parochiebestuur zijn niet bewaard); parochie Onze Lieve Vrouw Hemelvaart (bnr 169.2) 102, notulen parochiebestuur.

12 G 5, 8-9-1914; G 372, correspondentie A 1914- 1915; G 374, idem B 1914- 1915.

13 G 55, 12-10-1914.

14 H 351, jaarrekeningen diakonie 1914 en 1915; G 41, notulen diakonie 1914-1915; G 79, jaarrekening diakonie B 1914-1915; G 81, uitgaven diakonie B 1914-1915.

15 Verslag van den toestand der gemeente Amersfoort 1914-1918. Van het gereformeerde weeshuis zijn hierin geen cijfers gevonden.

16 Pors, Stad vol vluchtelingen, 20-21; Guido Delahaye, 200 jaar katholiek lager onderwijs in Amersfoort 1814-2014 [Amersfoort 2014] 257-258.

17 G 41, 8-10-1914 en 12-1-1915; G 5, 1-12- en 22- 12-1914; G 81, 29-12-1914 en 1915.

18 G 5, notulen 1-12-1914 en 4-1-1915; G 55, 26-10- 1914.

19 H 15, 2-12-1914; vgl noot 7.

20 Peter Dillingh, ‘Een herinneringsalbum voor ds Jan de Vries, Tilburgs predikant in mobilisatietijd 1914-1918’, Historisch Tijdschrift GKN 31 (2015) 19-26.

21 Eembode 4-12-1914; Amersfoortsch Dagblad-De Eemlander 7-12-1914; Amersfoortsche Courant 8-12-1914.

22 Amersfoortsche Courant 29-12-1914.

23 Archief parochie Sint Franciscus Xaverius 122, 26-1-1916.

24 Enne Koops, ‘Ervaringen en reflecties van voorgangers’, in: Enne Koops en Henk van der Linden (red), De kogel door de kerk? Het Nederlandse christendom en de Eerste Wereldoorlog [Soesterberg 2014] 63-105, ald. 67.

25 G 371, 25-1-1916, 3-4- 1917; G 729, 14-5-1917

26 G 371, 30-12-1916, 20-3-1917. Over Visscher werd nog gemeld dat hij niet geliefd was bij de orthodox-hervormde Gereformeerde Bond, maar hij was daarvan juist een van de voormannen.

27 G 371, brief [1917].

28 De Kampbode 19-12- 1915. Dit was het blad van Kamp Zeist: http://eemland. courant.nu/.

29 De Kampbode 2-1-1916. Mogelijk is dit later herhaald, maar in dat geval was dat geen nieuws meer voor de kampkrant.

30 Philippe Vanoutrive, De allerlaatste getuigen van WO I [Tielt 2011] 197. Mogelijk nog steeds in het patronaatsgebouw Sint Aechten aan ’t Zand, maar in 1917 werden nieuwe lokalen voor de Belgische kinderen gebouwd aan de Schimmelpenninckkade (Delahaye 258).

31 Kriegsman 142-143, 175- 180.

32 Zie noot 27. Nagekeken zijn alle nummers van 1915, de nummers rond Kerst, de januarinummers en de laatste nummers van augustus 1918. Van Le Courrier zijn maar 24 exemplaren over; deze heb ik alle gezien, maar hierin staat niets nieuws.

33 De Kampbode 5-12-1915.

34 De Kampbode 24-12- 1916, 23-12-1917.

35 De Kampbode 18-8-1918.

36 De Kampbode 4-2-1918.

37 De Kampbode 18-8-1918.

38 Hans Zijlstra, ‘Een oase in de woestijn: hulpverlening in Zeist tijdens de Grote Oorlog’, Jaarboek Oud-Utrecht (2015) 223-252, ald. 237.

39 Zijlstra, Oase in de woestijn, 232.

40 Idem, 241-245, 249.

41 Een voorbeeld: soldaat Jean van Nieuwenhuyzen uit Brussel zat in Kamp Zeist. Zijn vrouw Marie en zoontje Jean woonden vanaf 1914 in de voorkamer van het huis van Willem en Jannetje Berculo aan de Oude Soesterweg 201 te Amersfoort. Als dank schonk Jean hen twee kistjes die hij zelf had gemaakt. De volgende generaties hebben het contact altijd bewaard.

42 G 5, 20-10-1914; G 371, 3-4-1917. 43 De Kampbode 24- en 31-

12-1916; 7-, 14-, 28-1-1917; 28-1-1918.

44 G 729, x-4- en 14-5-1917.

45 G 729, circulaires 1917/8 en 18-11-1918.

46 G 371, correspondentie 12- en 19-11-1918.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 2018

DNK | 72 Pagina's

Belgische vluchtelingen of onze jongens?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 2018

DNK | 72 Pagina's

PDF Bekijken