Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Klaas van Berkel, Universiteit van het Noorden. Vier eeuwen academisch leven in Groningen deel 2 (de klassieke universiteit 1876-1945). Uitgeverij Verloren, Hilversum 2017, 832 p. isbn 978 90 8704 681 1, €49,00.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Klaas van Berkel, Universiteit van het Noorden. Vier eeuwen academisch leven in Groningen deel 2 (de klassieke universiteit 1876-1945). Uitgeverij Verloren, Hilversum 2017, 832 p. isbn 978 90 8704 681 1, €49,00.

7 minuten leestijd

Al drie jaar na zijn voorganger verscheen in 2017 het bijna even kloeke tweede deel over de geschiedenis van de Groninger universiteit, wederom van de hand van hoogleraar Klaas van Berkel. Sinds de onderwijswet van 1876 is er volgens Van Berkel in Nederland sprake van een academische context die hij als ‘klassiek’ aanduidt. Kenmerken daarvan zijn: een door parlementaire besluitvorming aangegeven wettelijke structuur, met daarbinnen steeds meer verantwoordelijkheden voor senaat, curatoren en in het bijzonder de faculteiten. Gelijk gebleven sinds de ‘oude’ context tussen 1614 en 1876 is de overtuiging dat een universiteit méér behartigt dan zaakkennis, dat wetenschap het morele gehalte van de samenleving dient. Sterker dan voorheen klinkt echter de roep om vrije, kritische reflectie; niet slechts op vaktechnisch terrein, maar ook op maatschappelijke fenomenen (p. 728).

‘Klassiek’ duidde in de vroege twintigste eeuw tevens op een nogal gesloten karakter van de civitas: zowel staf als studenten behoorden doorgaans tot een andere maatschappelijke klasse dan de gewone burgerij. Het overbruggen van deze kloof nam tijd in beslag. Verbeteringen in het lager en middelbaar onderwijs bevorderden het instromen van studenten die niet tot de elite behoorden. Ze konden dat doen op basis van goede schoolprestaties, maar deelname aan het (dure) studentenleven zat er voor deze groep over het algemeen niet in. Belangrijk waren niettemin de verbeterende condities voor niet-gymnasiasten (speciaal abituriënten van de hbs) en vrouwelijke studenten. Ze voelden zich nog geruime tijd nieuwkomers. De eerste vrouwelijke hoogleraar, genetica Tine Tammes, trad pas aan in 1919. Academisch standsbesef bleef een factor om mee rekening te houden, zeker in Vindicat atque Polit met zijn gevreesde ontgroening en rigide gehandhaafde ‘mannelijke’ mos.

Een ander kenmerk van wat Van Berkel de ‘klassieke’ tijd noemt, is de verhouding tot religie. In zijn eerste deel is de spilfunctie van theoloog, Petrus Hofstede de Groot (vgl. diens in DNK 87 gerecenseerde biografie van de hand van Jasper Vree) besproken, in de periode rond het midden van de negentiende eeuw. Na de ‘boedelscheiding van geloof en wetenschap’ in 1876 behoorde dat niet langer tot de mogelijkheden. De kerkelijkheid van de bevolking nam door de bank genomen af, zeker in het liberale en in de twintigste eeuw sociaal-democratische Groningen. Op papier mocht menigeen zijn lidmaatschap handhaven, maar Van Berkel laat duidelijk zien dat theologische leerstellingen al in de late negentiende eeuw geen waarneembare invloed meer uitoefenden op de vakpublicaties van medici, juristen, linguïsten, wiskundigen en fysici. Vanuit het aan de universiteit sterk vertegenwoordigde liberale paradigma bezien, ging het hier om een principiële kwestie. De academische vrijheid verdroeg zich niet met een aansturing vanuit buiten de wetenschap gelegen vooronderstellingen. Kennis diende immers zelfstandig verworven te worden (p. 375), daarin waren de Groningers het geheel eens met de Duitse natuurkundige Hermann von Helmholtz (Ueber die akademische Freiheit der deutschen Universitäten, Berlijn 1877).

De allergie tegen het doordringen van enige vorm van kerkelijk (of synagogaal) leergezag zat diep, dieper zelfs nog dan de aanvankelijke reserves tegen het socialisme. sdap-politici zoals Pieter Jelles Troelstra (in zijn Groninger studentendagen een zeer actief lid van Vindicat) onderbouwden hun voorstellen ter verbetering van de huisvesting en hygiëne van de arbeidersklasse tenminste met statistisch verifieerbare argumenten. Het komt niet als een verrassing dat de grootste coryfeeën van de universiteit rond 1900 methodische atheïsten waren: de psycholoog Gerard Heymans, de fysioloog Hartog Jacob Hamburger en de astronoom Jacobus Cornelius Kapteyn. Tegen religie op eigen terrein, voor wie dat wilde, hadden zij geen bezwaar. Vandaar dat theoloog Isaäc van Dijk voor liefhebbers op zondagavond best een godsdienstoefening mocht houden, in het Academiegebouw (p. 234). De wetenschap diende echter strikt aan de hand van eigen criteria beoefend te worden (p. 226). Voor Hamburger, organisator van het grote internationale congres van 1913, impliceerde dit een fysisch-chemische benadering van de fysiologie. Elk levend wezen was in feite één grote chemische fabriek. Respect voor theologen was gebaseerd op hun superieure beheersing van een vakdiscipline, zoals onder anderen het geval was bij hebraïst F.M.Th. Böhl. Gebruik van geloofstaal in een wetenschappelijke, staatsrechtelijke of medische discussie, zoals Hendrik Pierson deed in het debat over het al dan niet reguleren van prostitutie, wekte daarentegen irritatie.

De ‘klassieke’ benadering luidde voor de Groninger universiteit (nog lang nadrukkelijk als mindere beschouwd van Leiden, en zelfs in de jaren tachtig nog niet zeker van eigen voortbestaan), tussen 1895 en 1914 een bloeiperiode in, zowel kwalitatief als kwantitatief. Het voor Nederland gunstige economische getij bevorderde de financiering, niet alleen van instellingen van onmiddellijk maatschappelijk belang (zoals het Academisch Ziekenhuis) maar ook van kostbare research-instellingen op het gebied van natuurkunde en psychologie. Goede contacten met Den Haag waren dan onmisbaar. Politiek terdege ingevoerde curatoren, zoals C.C. Geertsema en A.F. de Savornin Lohman, speelden daarbij tot op hoge leeftijd een bemiddelende rol.

Ondanks kritische vragen of de scheiding van kerk en staat zich wel verdroeg met het feit dat aan een rijksuniversiteit een opleiding verbonden werd voor predikanten van slechts één kerkgenootschap (p. 27), namen de bijzondere hoogleraren vanwege de Nederlandse Hervormde Kerk – die overigens van de staat hun salaris ontvingen – een opvallende plaats in de civitas in. De Rooms-katholieke Kerk wilde een dergelijke constructie voor haar priesteropleiding onder geen beding, de gereformeerden hadden hun eigen opleidingen in Kampen en aan de vu. De eerder door de Groninger universiteit met een gouden medaille onderscheiden Abraham Kuyper gold rond 1900 als kampioen van een opvatting die lijnrecht tegen de hare stond: namelijk dat wetenschap nooit vrij en onbevooroordeeld kán zijn, en dat Openbaring daarom evengoed een kenbron vormt als rede of ervaring (p. 83). De nadrukkelijke afwijzing van Kuypers standpunt vormt een contrast met de grote waardering voor de christelijk-historische staatsman A.F. de Savornin Lohman, die zijn invloed ten behoeve van de universiteit pragmatisch en achter de schermen aanwendde. Lohmans borstbeeld siert het Groninger Academiegebouw tot op de huidige dag op een prominente plek, de statietrap (illustratie K9, p.297).

De Nederlandse Hervormde Kerk onderhield zoals gezegd via ‘haar’ hoogleraren een intellectuele band met de universiteit. Dat gold speciaal voor vertegenwoordigers van de ethische theologie, zoals Böhl en Gerardus van der Leeuw. Van een dergelijke geestelijke wisselwerking met de rooms-katholieke instellingen voor hoger onderwijs, de vu of het Nederlands-Israëlitisch Seminarium blijkt nergens iets. Voor zover kerkelijke opvattingen van buiten de nhk in discussie gebracht werden, gebeurde dat vooral door toedoen van buiten Vindicat opererende studentenverenigingen als het katholieke Albertus Magnus en het bij de landelijke Societas Studiosorum Reformatorum (ssr) aangesloten vera (p. 320 e.v.). Zij stonden geestelijk voor de opgave om hun overtuigingen uit te drukken op een manier die de toets van kritiek kon doorstaan van een ‘klassieke’ universiteit. Die wordt in het hier besproken boek uitvoerig in al haar vertakkingen beschreven.

Dat Van Berkel dit omvangrijke werk in een zo korte tijd heeft weten te realiseren mag een prestatie van formaat heten. Het boek vertoont geen spoor van haast. De veelheid aan informatie doet evenmin tekort aan de leesbaarheid. Integendeel: het is prettig en gevarieerd geschreven, kent een glasheldere structuur, en voorziet gevelde waardeoordelen van een evenwichtige argumentatie. Dat is van belang wanneer een hoogleraar onder kritiek kwam te liggen, en zich de vraag aandient in hoeverre die kritiek ook achteraf standhoudt. De auteur kwijt zich van die taak met prijzenswaardige precisie.

Een aandachtpunt voor de kerkgeschiedenis vormt de tussen 1876 en 1945 razendsnel toenemen de invloed van de geneeskundige faculteit op het geheel van het academische discours. Het valt te betreuren dat die trend door de geesteswe-tenschappen zo weinig is gethematiseerd. Van de denkwereld van christelijke wiskundigen en medici is in de literatuur relatief weinig bekend. Wat betekende geloof voor hén in dit ‘klassieke’ tijdvak? Daar zou ook in het geval van de staf van het Diaconessenziekenhuis en Rooms-katholiek Ziekenhuis in Groningen het nodige over te zeggen zijn. De radicale veranderingen in de patiëntenzorg gingen immers ook hier niet onopgemerkt voorbij. Ondanks alle verschillen met de dominante cultuur in de Rijksuniversiteit Groningen. Het uitgangspunt werd zeer breed gedeeld, ook door Albertus Magnus en vera. Het vormt tevens de schakel met het eerste deel van deze geschiedschrijving. Om Van Berkel te citeren: ‘Hoger onderwijs is de beste vorm van kennisbenutting of valorisatie die er is.’ (p. 267) –

Dit artikel werd u aangeboden door: Archief en Documentatiecentrum van de Gereformeerde kerken in Nederland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 2018

DNK | 72 Pagina's

Klaas van Berkel, Universiteit van het Noorden. Vier eeuwen academisch leven in Groningen deel 2 (de klassieke universiteit 1876-1945). Uitgeverij Verloren, Hilversum 2017, 832 p. isbn 978 90 8704 681 1, €49,00.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 2018

DNK | 72 Pagina's