Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van L.G. van Renesse tot D. Nauta (1664-1961)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van L.G. van Renesse tot D. Nauta (1664-1961)

Hoe Wezel 1568 werd verwezenlijkt in de Nederlandse kerk(recht)elijke strijd

115 minuten leestijd

Protestantse mythevorming over Wezel?

Tijdens een bijeenkomst van het Amsterdam Centre for the History and Heritage of Protestantism op 20 juni 2018, gewijd aan het thema ‘Image-building. Protestantse mythevorming in heden en verleden’, presenteerde dr. Jesse Spohnholz, verbonden aan de Washington State University, een aantal hoofdlijnen uit zijn boek The Convent of Wesel. The Event that Never was and the Invention of Tradition. 1 Mij was gevraagd om vervolgens op het genoemde boek te reageren. Het onderstaande is de volledige versie van het door mij betoogde.

D. Nauta, Wezel en de Gereformeerde Kerkorde van 1959

In 1948 hield D. Nauta, hoogleraar kerkgeschiedenis en kerkrecht aan de Vrije Universiteit (vu), in het Kerkhistorisch Gezelschap een lezing getiteld ‘Wezel (1568) en Emden (1571)’. Hoewel hij dadelijk verklaarde dat hij geen ‘tot dusver ongebruikt [bronnen]materiaal’ kon presenteren, had hij toch 26 bladzijden nodig om tot een afgewogen resultaat te komen. Hoe stelde hij zich dan voor ‘dat de verhouding tussen Wezel en Emden ongeveer [sic! jv] geweest moe[s]t zijn’? Van een tegenstelling tussen Wezel (‘rekkelijken’) en Emden (‘preciezen’) zoals in 1894 door de Leidse historicus Robert Fruin was aangenomen, was geen sprake. Beide vergaderingen lagen ‘in elkaars verlengde’. Wezel, ‘een convent van particuliere personen’, dat geleid werd door Petrus Datheen en Herman Moded, was het vooral te doen geweest om een regeling van de toestand in de plaatselijke gemeenten; vandaar dat zijn artikelen in den brede spraken over het werk van de ambtsdragers, oftewel ‘de kerkelijke regering’, en de eredienst. De Emder ‘synode … van officiële afgevaardigden’ richtte zich vooral op de volgende stap: ‘een nadere regeling van het kerkverband’. Wezel had zich aangesloten bij de kerkorden van Genève en Londen, bij Calvijn en a Lasco tegelijk; Emden weerspiegelde de invloed van de Franse zusterkerk. Nauta vond dit resultaat wel zo belangrijk dat hij het niet slechts publiceerde in het Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis van 1949, maar het ook opnam in zijn Opera minora van 1961. 2

Dat Wezel Nauta inspireerde, moge uit het volgende blijken. Hij was degene die zijn stempel drukte op de herziening van de Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland (gkn). Welnu hoe opent die kerkorde van 1959? Anders dan de oude van 1905, die op de Dordtse Kerkorde van 1619 (oftewel: dko) terugging, opent haar eerste artikel met een verwijzing naar het apostolisch voorschrift van 1 Cor. 14: 40: dat in de gemeente van Christus alles betamelijk en in goede orde behoort te geschieden. Deze opening moet wel van Nauta stammen, want in de inleiding van zijn Verklaring van de Kerkorde verwijst hij expliciet naar het Convent van Wezel en de preambule van 1568 met 1 Cor. 14. 3

Bij de herdenking van de Synode van Emden in 1971 werd aan het Convent van Wezel niet getwijfeld; Nauta’s artikel werd verschillende malen met ere aangehaald. Zijn leerling J. Plomp, inmiddels hoogleraar te Kampen, eerde Nauta als degene die het onderzoek inzake de relatie tussen Wezel en Emden ‘tot een zekere afsluiting heeft gebracht’. 4 Vandaar dat ik 1961 als einde van mijn verhaal koos.

L.G. van Renesse volgt S.R.: Wezel de eerste nationale kerkorde

Als begin koos ik 1664: het jaar waarin L.G. van Renesse, destijds predikant te Breda, zijn Nederlandse vertaling van de oorspronkelijk in het Latijn gestelde tekst van Wezel publiceerde. Het was deze vertaling (door hem ingedeeld in acht hoofdstukken en 124 artikelen) die nadien vele malen, slechts met modernisering van spelling, in boekjes, boeken en zelfs een fraaie kwarto-editie, tot in de twintigste eeuw in gereformeerd Nederland verspreid zou worden. Van Renesse publiceerde zijn vertaling, inclusief de 53 namen die hij onder de Latijnse tekst aantrof, in het tweede deel van zijn duodecimo-boekje Van het regeer-ouderlinghschap. Dat gebeurde onder het opschrift: Acta Ofte Handelingen der Versamelinge der Nederlantsche Kercken, die onder ’t Cruys sitten (…) gehouden tot Wesel, den 3. Novembris, ende vervolgens [sic! JV] in den jaere M.D.LXVIII. Let wel: dit is Van Renesses eigen creatie! Het originele opschrift luidde immers Certa quaedam Capita seu articuli … oftewel ‘Enige of bepaalde punten of artikelen, …’. Pas aan het slot der artikelen, juist voor de 53 ondertekeningen, vertaalde hij correct ‘Gedaan tot Wezel den 3 November des jaars mdlxviii’.

Waarom deze eigengereide verandering? Spohnholz gaat op die vraag niet in, maar mijns inziens ligt het antwoord voor de hand. Vooral als je let op wat Van Renesse ter introductie schrijft: ‘In (…) 1617 zijn in druck uytgegeven de meeste Nationale Kercken-orde-ninghen, ende eenighe van Hollandt ende Zeelandt; maer de eerste [curs. jv] van Wesel in den jaere 1568 is daer niet by, oock voor desen noyt mynes wetens, uyt het Latijn overgeset, gelijck nu hier gedaen is’. Met ‘1617’ doelt hij op De Kercken-Ordeninghen der Ghereformeerder Nederlandtscher kercken, die in genoemd jaar in tweede editie te Delft waren verschenen. Wezel is voor hem de eerste nationale Kerkenordening. En daarom heeft hij voor Wezel een titel geconstrueerd naar het voorbeeld van de Acta ofte Handelinghen der Versamelinghe enz. van Embden 1571! 5 Daarmee bereikt Van Renesse precies zijn doel. Deze geleerde predikant – revisor Nieuwe Testament bij de Statenvertaling –, die als legerpredikant de inneming van Breda in 1637 had meegemaakt, vervolgens aldaar de eerste predikant was geworden, daarna de opbouw van het gereformeerde kerkelijk leven in de Baronie van Breda ter hand had genomen, kopstuk in de gelijknamige classis was geworden en bij de stichting van de Illustre School in 1646 de eerste rector, kon voor zijn veelzijdige opbouwwerk heel goed terecht bij Wezel, dat nu prachtig aansloot bij Emden en wat daar tot en met de Synode van Dordt 1618/19 aan kerkrechtelijk constructiewerk op was gevolgd. Blijft de vraag: wie of wat inspireerde Van Renesse om Wezel aldus aan een snoer van kerkorden te rijgen dat van 1568 tot 1618/19 loopt? Ik denk dat ik het weet. Immers, na dit snoer neemt hij als allerlaatste tekst de Harmonie van een zekere ‘S.R.’, oftewel de Londense predikant Symeon Ruytinck, op. 6

Nu komen we op bekend terrein. Immers, deze Harmonie is de vertaling van Ruytincks Harmonia synodorum Belgicarum, die in 1618 als bijlage bij Festus Hommius’ Specimen controversiarum Belgicarum uitkwam. De Harmonia-mengtekst werd mede samengesteld – Spohnholz laat dat zien – met behulp van de in Austin Friars te Londen aanwezige originele Wezeltekst. En Ruytinck was de eerste die Wezel rangschikte onder de ‘Synodi nationales’! 7 Hoogstwaarschijnlijk was het dus Ruytinck die Van Renesse tot het ontwerpen van het nadien klassiek geworden opschrift boven de Wezeltekst inspireerde. Zo doet zich het merkwaardige feit voor, dat in Van Renesses Van het regeer-ouderlinghschap ii twee Wezelversies voorkomen. De Harmonie, met stukjes van het origineel, en de Acta Ofte Handelingen, die ‘vermoedelijk’ teruggaan op een afschrift dat door J. Gysius, destijds predikant te Streefkerk, die zelf inmiddels in het bezit was van het origineel, aan de classis Breda was verstrekt. Dat ‘vermoedelijk’ komt van Nauta, die kennelijk zo in de ban van Wezel bleef, dat hij als 85-jarige in 1983 in het Biografisch Lexicon het lemma over Van Renesse leverde. 8

Mede dankzij R. Ens voorgoed opgenomen in het Kerkelijk Handboekje

Omdat Spohnholz de verwijzing naar de Kercken-Ordeninghen heeft gemist, mist hij ook de lijn waarop Van Renesse wilde aansluiten. Laatstgenoemde wilde Wezel inpassen in dat eenvoudige boekje dat in 1612 voor het eerst te Delft was verschenen, in 1617 opnieuw, en in 1648 aldaar zelfs in vijfde druk. Van Renesses missie mislukte evenwel: ook na 1664 kwam Wezel er niet in. Toen in 1732, eveneens te Delft, als opvolger van de Kercken-Ordeninghen bij de destijds bekende uitgever Reinier Boitet het eerste Kerkelyk handboekje uitkwam, ontbraken de artikelen daarin nog steeds.

Voor de Zwolse predikant Regnerus Ens, die in 1733 het Kort historisch berigt van zijn broer Johannes, bij leven hoogleraar theologie te Utrecht, bezorgde, was dat voldoende reden om in een afzonderlijk ‘Naberigt’ daarbij niet slechts de Londense Korte onderzoekinge des geloofs op te nemen, maar ook Van Renesses vertaling van – en nu citeer ik R. Ens – ‘de Handelingen van het Synode[!] Nationaal[!] gehouden te Wezel Anno 1568’. Dit laatste niet alleen omdat zijn broer zaliger ‘zig vaak op de zelve’ beriep, maar ook omdat daarin ‘de grontslag gelegt is, waar op alle de volgende Nationale Synoden vorder gebout hebben’. De orthodoxe Joh. Ens had inderdaad Wezel hoog en Datheen, die als eerste had ondertekend, was volgens hem daar door zijn mede-leraren tot praeses verkozen. 9

Wezel als grondslag aller nationale synoden … De consequentie van die uitspraak werd getrokken in de derde druk van het Kerkelyk Handboekje, dat in 1738 bij Boitet uitkwam. De artikelen van 1568 werden daarin in Van Renesses vertaling – inclusief zijn opschrift – opgenomen vóór de acta van Emden 1571. 10 Het Handboekje van 1738 heb ik niet kunnen inzien, wel een Rotterdamse druk die van 1753 dateert. Wezel opent daarin een rij die eindigt met de Post-acta van Dordt 1618/19. Dit alles was volgens de uitgever ‘zeer dienstig en noodig voor predikanten en kerkenraden’. 11 Nadien zouden tot 1816 nog zeker twee drukken volgen.

Als kerkorde geijkt door de historici-kerkjuristen

A. ’s Gravezande en A. Rutgers

Vóór 1816 gebeurden echter nog twee opmerkelijke dingen. In de eerste plaats dat de Middelburgse predikant A. ’s Gravezande 20 november 1768 ‘het eerste synode der Nederlandsche kerken’ herdacht met een preek over 1 Cor. 14: 40. Liever dan de opening van Dordt 1618/19 te gedenken, zoals Jac. Leydekker in november 1718 in de Zeeuwse hoofdstad had gedaan, herdacht hij Wezel. Voor Spohnholz toont ’s Gravezandes met veel historische aantekeningen uitgegeven preek, die uitdijde tot een boekwerk ruim 250 pagina’s, ‘how profoundly church history was being affected by the Enlightenment culture’. Daarin heeft hij gelijk. ’s Gravezande reisde weliswaar niet zelf naar de Hofstad, maar liet wel zijn Haagse collega Wigbold Muilman Willemsz. de in de Kloosterkerk aanwezige akte uit Londen onderzoeken en concludeerde onder meer op grond van de verschillende signaturen daaronder – die in sommige gevallen door Muilman met andere originele signaturen vergeleken konden worden –, dat dit stuk het origineel was en geen afschrift. Dankzij Muilmans autopsie kon ’s Gravezande bovendien tien ondertekeningen aanvullen die niet bij Van Renesse-Ens voorkwamen. Vooral het ‘Actum Wesaliae 3 o Nouembris anni 1568’ overtuigde hem dat deze vergadering, waarover verder niets bekend was, werkelijk had plaatsgevonden. 12

Zelf zou ik naast het Verlichtings-aspect nog een ander aspect willen noemen. ’s Gravezande was niet alleen historisch, maar ook juridisch geschoold. Alvorens hij predikant werd, werkte hij als procureur en notaris. Vandaar dat het niet vreemd is, dat van zijn hand naast de nodige historische studies, ook twee kerkjuridische werken voor de belangrijke en uitgestrekte classis Walcheren verschenen: in 1752 een reglement voor een nieuw te vormen weduwenbeurs en in 1780 (samen met J.W. te Water, toen nog te Vlissingen) een herziening van het classicale wetboek van 1739. Dat ook ’s Gravezande, evenals Nauta een kleine twee eeuwen later, in de ban was van 1 Cor. 14, blijkt uit de woorden op de rugzijde van het titelblad van de Wetten van de classicaale vergaderinge in Walcheren: ‘Laat alle dingen eerlyk en met orde geschieden. 1 Kor. xiv: 40’. In de Voorrede verwezen hij en Te Water bovendien expliciet naar ‘de twee eerste verzamelingen der Nederlandsche Kerken’ Wezel en Emden, omdat daar de ‘aanleiding’ gelegen was voor het ontstaan der classis Walcheren. Wezel wenste immers in elke Nederlandse provincie classes. Aldus werd Wezel verwezenlijkt in het Zeeuwse, waar overigens niet de dko gold, maar een eigen kerkorde van 1591. 13

De kroon op de ontwikkeling sinds 1664 werd in 1792 geplaatst. Dat jaar verscheen namelijk het eerste van drie aanvullende delen op een (met name op Holland betrekking hebbend) Kerkelyk Placaat-boek uit de jaren 1722-1735. Het deel dat in 1792 uitkwam, opende met een extract uit de Pacificatie van Gent; het derde, dat in 1806 van de pers kwam, besloot met een aantal politieke en kerkelijke stukken die in de eerste jaren na de scheiding van kerk en staat waren uitgekomen. Tussen die cruciale jaren 1576 en 1796 werd een reeks van plakkaten, ordonnanties en resoluties geboden, die samen de kerkelijke gang van zaken hadden bepaald. De drie supplementdelen waren voornamelijk het werk van de Haarlemse predikant Abraham Rutgers (1751-1809), door A. de Groot terecht aangeduid als ‘ongetwijfeld de beste kerkjurist van die dagen’. Welnu, in een speciaal ‘Aanhangsel’ op het 1792- deel had Rutgers alle besluiten van synoden tussen Wezel 1568 en Dordt 1618/19 opgenomen. Voor Wezel volgde Rutgers de tekst van 1664, maar bij de ondertekeningen nam hij de correcties en aanvullingen over die in 1769 door ’s Gravezande waren voorgesteld. 14

Wezel onder het vertrouwde Van Renesse-opschrift opgenomen in een deftig te ’s-Gravenhage uitgegeven plakkaatboek, wat zal dat hebben opgeleverd? In ieder geval: status! Voor de dagelijkse praktijk zal dat overigens weinig hebben uitgemaakt. Daar telden vooral de plakkaten en de dko of andere, meer gewestelijke kerkorden. Wie de provinciale en classicale wetboeken uit het eind van de zeventiende tot het begin van de negentiende eeuw naloopt, vindt daarin veelal weinig of geen expliciete verwijzingen naar Wezel. Wel wordt uit deze meer dan veertig wetboeken en -boekjes duidelijk dat de ontwikkeling van 1618/19 naar 1816 geleidelijker is verlopen is dan A. Kuyper en de zijnen later wel waar wilden hebben. 15

Dit op één uitzondering na: alle genoemde wetboeken die na 1618/19 verschenen bleven – hoewel ze steeds meer richting centraal besturen tendeerden – bottom-up gestructureerd. Dit was zelfs nog het geval bij het nooit ingevoerde Concept-reglement op de organisatie van het Hervormd Kerkgenootschap in het Koningrijk Holland van 1809, opgesteld door een negenkoppige commissie waarvan J.W. te Water, destijds Leids hoogleraar, voorzitter en Abr. Rutgers secretaris was. Eerst bij de invoering van het Algemeen Reglement voor het bestuur der Hervormde Kerk in het Koningrijk der Nederlanden in 1816, waarbij noch Rutgers, noch Te Water was betrokken, ontstond er een breuk, omdat dit reglement top-down was opgezet. 16

Belgische opstand doet Wezel herrijzen

Dat het 7 januari 1816 bij Koninklijk Besluit aan de Hervormde Kerk opgelegde Algemeen Reglement een breuk vormde, blijkt uit het feit dat het Kerkelijk Handboekje nog datzelfde jaar werd vervangen door een Nieuw Kerkelijk Handboekje. Dat nieuwe handboekje bevatte naast het Algemeen Reglement en een aantal daarvan afgeleide reglementen, wel diverse lijsten, maar niet langer de geijkte opsomming van kerkorden vanaf Wezel 1568. 17 Wezel, Emden, enz. zouden vervolgens zo’n twintig jaar naar de achtergrond verdwijnen. Dat ze, Wezel voorop, opnieuw in druk verschenen, was een gevolg van de Belgische opstand van 1830, die in 1839 uiteindelijk tot een definitieve afscheiding van de Zuidelijke provincies zou leiden. De afval van België waardoor Nederland weer overwegend protestants werd, zette binnen de Hervormde Kerk een brede opwekkingsbeweging in gang, die naast de later zo geheten Réveilbeweging en Groninger richting ook de Afscheiding van 1834 voortbracht.

Evenals de hervormden zaten ook degenen die zich afscheidden met het probleem dat de dko op bepaalde punten toch wel erg achterhaald was, bijvoorbeeld op dat van het patronaatsrecht en de approbatie door de plaatselijke magistraat bij de beroeping van predikanten. Vandaar dat de Synode van Utrecht in 1837 daarin tal van veranderingen aanbracht. Als laatste werd besloten deze herziene dko te voorzien van een opschrift ontleend aan de opening der Wezelse artikelen: ‘Kerkeördening, waarin de opzieners der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland vervat hebben hetgeen zij tot welstand derzelve oordeelen, ten deele noodzakelijk, ten deele profijtelijk te zijn’. 18 Daar de ‘Utrechtse Kerkorde’ het tegendeel uitwerkte van hetgeen zij beoogde – namelijk slechts verwarring en spanningen – besloot de volgende synode (Amsterdam 1840), zij het onder bepaalde voorwaarden, terug te keren naar de ‘aloude’ dko. Tevens gaf zij de predikanten A.C. van Raalte, A. Brummelkamp en S. van Velzen opdracht tot heruitgave van het vertrouwde Kerkelijk Handboekje. Aldus kwam in 1841 de complete Wezeltekst van 1664 – hertaald, maar zonder de correcties en aanvullingen van ’s Gravezande – toch weer boven water. 19 Spohnholz vermeldt deze heruitgave niet. Toch werd hier een traditie hersteld die tot op heden voortduurt. De laatste editie van het Kerkelijk Handboekje verscheen namelijk in 2016 als E-book. Het betreft de in 1961 verschenen herziene uitgave van een in 1937 door ds. G.H. Kersten voor de Gereformeerde Gemeenten in Nederland bezorgde en hertaalde versie.

De spanningen rond België riepen echter niet slechts hernieuwde aandacht voor het confessionele verleden wakker, maar ook voor het vaderlandse als zodanig. Iemand die daarbij een belangrijke rol speelde, was de Utrechtse hoogleraar Ph.W. van Heusde, bijgenaamd praeceptor Hollandiae, die niet slechts de grondleggers van de Groninger richting inspireerde, maar ook bekende kerkhistorici als N.C. Kist en H.J. Royaards. Een jongere leerling van Van Heusde was de Utrechtse theologant L.J.F. Janssen, die in januari 1831 te Neerlangbroek opvolger werd van de Heusdiaan L.G. Pareau, die te Groningen hoogleraar was geworden. Erg lang hield Janssen het niet uit in de pastorie; al na tien maanden legde hij zijn ambt neer. In 1835 vond hij een nieuwe baan: conservator bij het Museum van Oudheden te Leiden. De tussentijd besteedde hij aan archeologisch en historisch onderzoek in het gebied ten oosten van zijn geboorteplaats Gerwen: het Kleefsland. Dit resulteerde onder meer in een publicatie in het Archief van Kist en Royaards: ruim 150 pagina’s over de Nederlandse hervormden in Kleefsland in de zestiende eeuw. Janssens artikel van 1834 richtte zich in de eerste plaats op de uitgave van het door hem aangekocht handschrift van een in het Platduits gestelde ‘Oration’. Deze werd in 1578 uitgesproken bij de aanbieding van twee door dankbare Nederlandse vluchtelingen aan de stad Wezel geschonken zilveren bokalen. Ter toelichting bood Janssen in een bijlage de Latijnse tekst van de artikelen van Wezel. Deze eerste gedrukte uitgave van die tekst berustte echter niet op het origineel in het Oud-Synodaal Archief in de Haagse Kloosterkerk, maar op een tweede afschrift van J. Gysius, vervaardigd in 1639, dat zich in het Wezelse kerkarchief bevond. Vandaar het opschrift ‘Acta synodi Wesaliensis’, zodat Janssen en evenzo Royaards, die de publicatie inleidde, onbekommerd spraken van ‘de Synode van 1568’. Dat die synode nog geen tien jaar later onvermeld bleef in de ‘Oration’, schijnt Janssen niet te hebben gedeerd. Eerder was het tegendeel het geval! Hij gebruikte die ‘eerste, algemeene en zoo beroemde Synode’ namelijk als extra extern bewijs voor de Wezelse gastvrijheid voor ‘onze vreemdelingen’. Spohnholz noemt Janssens publicatie in een noot en in zijn literatuurlijst, maar gaat er verder niet op in. Toch verdient ze aandacht. Niet alleen vanwege Janssens merkwaardige bewijsvoering, maar ook vanwege diens oogmerk. Blijkens de ondertitel van zijn artikel – ‘Ter herinnering aan den roem onzer vaderen’ – was dit duidelijk anders dan dat van Van Raalte c.s. Ten derde verdient zijn editie vermelding omdat ze in 1846, en opnieuw in 1871, door de befaamde Berlijnse hoogleraar kerkrecht Ä.L. Richter zonder enige verandering – maar wel zonder de informatieve handtekeningen! – werd overgenomen in diens Evangelische Kirchenordnungen des sechszehnten Jahrhunderts. 20

C. Hooijer herziet na het Algemeen Reglement de Wezelse signaturen

Dat Wezel en de daaropvolgende synoden midden jaren zestig voor veel hervormden hadden afgedaan, blijkt uit de tragische geschiedenis van een werk van de emeritus-predikant C. Hooijer van Zaltbommel: Oude kerkordeningen der Nederlandsche Hervormde gemeenten 1563-1638. Hooijer, wiens naam alleen in Spohnholz’ literatuurlijst en noten voorkomt, was in hervormd Nederland bepaald geen onbekende. In 1846 had hij met zijn Kerkelijke wetten voor de hervormden in het Koningrijk der Nederlanden een fantastisch commentaar op het toen geldende kerkrecht geleverd. Vervolgens had hij rond 1850 en de jaren daarna een belangrijke rol gespeeld bij de totstandkoming van het Herzien Algemeen Reglement van de Hervormde Kerk (1851/52) en daarvan afgeleide reglementen. In de inleiding op zijn Kerkelijke wetten had hij al samenvattingen geboden van de Wezelse ‘Kerkordening’ van 1568 tot en met de dko. Midden jaren vijftig wilde hij meer: een complete, kritische teksteditie met inleidingen. Deze oude teksten boden immers ‘de eerste vormen, die de hervormde kerk in ons vaderland heeft aangenomen, … [en] de eerste beginselen, die toen op den voorgrond zijn geplaatst’. Omdat Hooijer ziek werd, verscheen het complete werk eerst in 1865. Het bevatte naast zeventien kerkorden, lopend van 1563-1638, tevens, bij wijze van toegift, het mislukte en daarom niet eerder gepubliceerde Concept-reglement van 1809.

Of Wezel werkelijk had plaatsgevonden, was voor de Bommelse emeritus geen vraag. Voor de gebeurtenissen in 1568 en voorgaande jaren beriep hij zich vooral op ’s Gravezande en Janssen. Van Richter gebruikte hij wel diens Evangelische Kirchenordnungen, maar niet diens Geschichte der evangelische Kirchenverfassung van 1851, waarin Spohnholz het vroegste gebruik van de aanduiding ‘Der Weseler Konvent’ aantrof. Hooijer kwam met een vergelijkbare aanduiding: ‘nur eine vorbereitende Konferenz’. Hij ontleende die aan G.V. Lechlers in 1854 te Leiden verschenen Geschichte der Presbyterial- und Synodalverfassung seit der Reformation. De Nederlandse tekst der artikelen nam Hooijer overigens simpelweg over uit Rutgers’ Kerkelyk placaat-boek. Wel raadpleegde hij in de Kloosterkerk ‘het authentieke manuscript … van deze acten’ om aldus de originele handtekeningen te kunnen ontcijferen. Dit leidde in enkele gevallen tot een eigen lezing van een naam. Ondanks alle zorg die Hooijer aan de Oude kerkenordeningen had besteed, vond dit werk echter lang niet zoveel aftrek als zijn Kerkelijke wetten. 21

Wezel 1868: ‘de scheuringen in de nederlandsche kerk zijn wereldkundig geworden’

In Nederland werd Wezel in 1868 niet herdacht. Het aantal Nederlanders dat de trein naar Wezel nam om daar 3 november te herdenken, hield evenmin over. Mogelijk hing dit samen met de late oproep: ze verscheen pas in de Kerkelijke Courant van 24 oktober. Van Nederlandse zijde was de opwekking om te gaan ondertekend door de predikanten D. Chantepie de la Saussaye, J.H. Gunning jr., J.P. Hasebroek, O.G. Heldring en J.J. van Oosterzee, nu alle vijf aanwezig. Slechts twee deelnemers aan het Jubelfeier der Gründung der Presbyterial-Verfassung waren kerkelijk afgevaardigd: ds. A.H.W. Brandt en ouderling-uitgever H. Höveker, beiden namens de hervormde gemeente van Amsterdam. Andere congresgangers waren: ds. L.J. van Rhijn, namens de Confessioneele Vereeniging en in het bijzonder G. Groen van Prinsterer, nog twee hervormde predikanten, alsmede twee hoogleraren: J.J.P. Valeton sr. van Groningen en de christelijke afgescheidene A. Brummel-kamp van Kampen. De dertiende Nederlander te Wezel was een vreemde eend in de presbyteriale bijt: de lutherse predikant van Nijmegen G.F.C. Herbst. Afgezien van laatstgenoemde en Brummelkamp, waren alle Nederlanders orthodox-hervormde mannen: tien theologen en één leek. De Leidse predikant Chantepie de la Saussaye, die als Leids student nog de ‘Groninger’ J.F. van Oordt J.Wz. als leermeester dogmatiek had gehad, was van dit elftal de linksbuiten. 22

La Saussaye sprak 4 november bij de opening van de Deutsch-Niederländische Pastoral-Conferenz. Hoewel het Jubelfeier slechts een dag achter de rug lag, liet hij 1568 rusten. Zijn verhaal betrof de vraag ‘welke vrucht de duitsche theologie aan de hollandsche en de hollandsche aan de duitsche heeft aan te bieden’? Daarbij stonden de eigen eeuw en Schleiermacher centraal. Wat La Saussaye wel aangaf, was het feit, dat hij en zijn metgezellen niet de volle breedte van de Hervormde Kerk vertegenwoordigden. ‘Onze verdeeldheid, de scheuringen in de nederlandsche kerk’, zo stelde hij, ‘zijn wereldkundig geworden.’ Dat die verdeeldheid nadien nog toenam, blijkt uit hetgeen La Saussaye eind 1871 – kort na de in de Nederlandse kerkelijke pers ‘veel besproken’ (zo La Saussaye) herdenking van de Synode van Emden – bij het afdrukken aan zijn rede van 1868 toevoegde. ‘Ik zoude wellicht, thans, … het gevaar voor onze kerk minder bij de, zoo ik mij niet vergis, halt makende linkerzijde, dan wel bij de onbesuisd voorthollende mannen der uiterste rechterzijde vinden’. 23

A. Kuyper: de stichter der Marnix-Vereeniging die te Wezel ontbrak en Zeist verziekte

La Saussaye noemde geen namen, maar elk die deze toevoeging in de Protestantsche Bijdragen las, wist wie met die ‘mannen der uiterste rechterzijde’ bedoeld werden, en vooral wie hun koploper was: Abraham Kuyper! Laatstgenoemde was binnen enkele jaren van Beesd, via Utrecht, opgeklommen naar de destijds belangrijkste hervormde gemeente in Nederland: Amsterdam. Dankzij de invoering van het kiesrecht voor manslidmaten in 1867 was de kerkeraad aldaar steeds meer een uitgesproken orthodoxe koers gaan varen. De afvaardiging van Brandt en Höveker naar Wezel was slechts een eerste signaal; de beroeping van Kuyper in 1870 sprak des te meer. 24

Kuyper was in 1862 te Leiden gepromoveerd op een proefschrift over het kerkbegrip van Joh. Calvijn en Joh. a Lasco. Zijn in het Latijn gestelde dissertatie had hem niet veel moeite gekost. Het boekje was simpelweg het eerste deel van een veelomvattender, in 1860 bekroonde, beantwoording van een academische prijsvraag, die in 1859 door de Groninger theologische faculteit, in casu P. Hofstede de Groot, was geformuleerd. De arbeid aan de prijsvraag had de 22-jarige student een schat aan kennis aangaande het Reformatie-onderzoek opgeleverd. Zo blijkt uit zijn prijsantwoord dat hij onder meer kennis nam van Janssens stuk uit 1834 en van Richters Evangelische Kirchenordnungen. 25 Gedurende zijn jaren te Beesd onderzocht Kuyper het archief van Austin Friars te Londen en probeerde hij daarnaast nog meer materiaal van en over a Lasco te achterhalen. Als resultaat daarvan verschenen in 1866 twee delen Opera Lasci. Medio 1865 schreef Kuyper tevens twee artikelen voor de populair-wetenschappelijke Geschiedenis der christelijke kerk in Nederland, die echter pas in 1869 zouden worden gepubliceerd. In het eerste, over ‘De eerste kerkvergaderingen … onzer Hervormde Kerk’, beschreef hij Wezel als ‘eene vergadering … van een veertigtal [sic! jv] der meest gevierde mannen’. Kuyper onderstreepte: ‘de vergadering zelve [gevoelde] nog een te zwak mandaat te bezitten, om meer dan voorlopig karakter aan haar besluiten te kunnen geven’. In het tweede artikel, gewijd aan de eredienst en het kerkboek, dat wellicht als eerste werd geschreven, kon hij echter onbekommerd spreken over ‘de synoden van Wezel en Emden’. 26

Vanaf 1867 gingen bij Kuyper actuele kwesties domineren. Zoals propaganda maken voor de invoering van kerkelijk kiesrecht in het pamflet Wat moeten we doen? Dat kiesrecht moest en kon. Immers, volgens Kuyper, was dankzij de Heilige Geest de vox populi – van mannen, maar eigenlijk ook die van vrouwen – gelijk te stellen met de vox Dei. Zo’n democratische instelling sloot volgens hem aan bij de traditie, hoewel hij moest toegeven, dat daarvoor dan wel een sprong gemaakt moest worden. Ik citeer: ‘Dáár [in de Reformatietijd] werd de volkskeuze uitsluitend bij de eerste constitueering te baat genomen. In dien zin besloot de synode van Parijs 1559 en het convent van Wezel 1568 … . Maar eens geconstitueerd, werd de kerk aristocratisch’. 27 Kennelijk vond Kuyper het anno 1867 toch beter om van ‘convent’ te spreken.

Hoewel Beesd vrij conservatief was, kreeg Kuyper daar toch de invoering van het manskiesrecht voor elkaar – zij het slechts voor enkele jaren. Omdat hijzelf – wie zou het anders moeten doen – ook het plaatselijk bestuursreglement schreef, kreeg hij nu officieel te maken met Hooijer, die samen met een tweede predikant namens het Provinciaal Kerkbestuur van Gelderland het bewuste reglement controleerde en al te radicale democratische opvattingen schrapte. Lang zou Kuyper nadien niet in Beesd blijven. November 1867 deed hij intrede in het conservatief-confessionele Utrecht. Die gemeente zou weliswaar nooit zwichten voor zijn aandringen op meer kerkelijke democratie – ze werd nooit het gedroomde Nieuw Londen aan de Rijn –, maar vanwege haar ligging aan een spoorwegknooppunt was ze wel voor hem een uitstekende basis voor nieuwe acties op het gebied van kerkvisitatie, kerkelijk goederenbeheer, dito kiesrecht en christelijk onderwijs. Naast deze activiteiten zette Kuyper te Utrecht ook de Marnix-Vereeniging op stapel. De officiële oprichting vond volgens de door hem opgestelde statuten plaats op 1 april 1868. 28 Let wel: 1 april – de val van Den Briel –, dezelfde datum als die waarop in 1872 het eerste nummer van Kuypers befaamde dagblad De Standaard verscheen. Geen 3 november 1868!

Kuyper was er dan ook niet bij in Wezel, ondanks het feit dat plaatselijke Pastor G. Sardemann hem persoonlijk daartoe had uitgenodigd. Wat daar gebeurde was Kuyper kennelijk niet orthodox genoeg, al noemde hij het Jubelfeier wel even toen hij in de Utrechtse bedestond van 31 oktober zowel de ‘synoden’ (sic! jv) van Wezel 1568 als van Dordt 1618/19 memoreerde. Wat dit betreft geleek hij op S. van Velzen, die zijn collega Brummelkamp niet vergezelde, maar in plaats daarvan op zondag 1 november de Kamper gemeente van Wittenberg, via Wezel, naar Dordt voerde. 29

Kuyper was er evenmin bij toen op 3 en 4 oktober 1871 de synode van Emden werd herdacht. Er waren toen betrekkelijk veel Nederlanders naar deze Oost-Friese havenplaats getogen. Naast bekenden als J.J. van Toorenenbergen, Brandt en Höveker, was ook Hofstede de Groot met enkele tientallen volgelingen en studenten opgekomen. De Groot was inmiddels geen onbekende meer bij de Duits-Nederlandse conferenties. Toen in 1869, opnieuw te Wezel, een tweede conferentie was gehouden, had hij daar eer ingelegd met een rede over de moderne theologie in Nederland. Vooral het feit dat De Groot ’s daags na de herdenking van Emden 1571 de Pastoral-Conferenz had geleid, had gezorgd voor het rumoer in de rechts-orthodoxe pers waar La Saussaye in de Protestantsche Bijdragen op doelde. Confessionele diehards struikelden over de volgens hen onbetrouwbare De Groot, hoewel juist híj het was, die, bij de bespreking van de door de Generalsuperintendent van Oost-Friesland gehouden herdenkingsrede over de kerkpolitieke ideeën van a Lasco en de Emder synode, als enige op Kuypers Lasco-onderzoek had gewezen. Het kon echter nog slechter. Tijdens de Duits-Nederlandse conferentie van september 1872 te Zeist was Kuyper wel van de partij. Niet om een lezing te houden, maar om de onlangs tot De Groots opvolger te Groningen benoemde La Saussaye en diens ethisch-irenische medestanders de pas af te snijden. Want, zo stelde Kuyper meteen bij de opening: deze samenkomst raakte wat Nederland betreft kant noch wal. In feite ging het om een onderonsje van ‘twee kleine factiën’: de ethischen en de Groningers. Dus: óf men nodigde voortaan alle protestantse richtingen – ook de modernen – uit, óf men kwam tot ‘geloovige Schriftaanvaarding’ waarbij men dan – en nu wees hij op de bijna 70-jarige De Groot – ‘de Groningers voor de Gereformeerden inwisselde’. Kuyper had veel aan Groningen, met name aan De Groot, te danken. Nog in november 1868 behoorde deze hoogleraar tot het twaalftal protestantse Nederlanders dat in het Programma der Marnix-Vereeniging zijn ‘ingenomenheid’ met deze poging tot uitgave van ‘de geboorteacten der [Nederlandsche] Reformatie’ betuigde. Kuypers aanval in Zeist 1872 was daarom een geestelijke vadermoord. De gereformeerde voorman bereikte evenwel wat hij wilde. Zeist werd de laatste Duits-Nederlandse conferentie. 30

Zeist werd echter tevens het eerste bedrijf in een langlopend steekspel binnen de hervormde orthodoxie, dat via de oprichting van de vu in 1880 uiteindelijk zou leiden tot de Doleantie van 1886. Toen F.L. Rutgers – een achterneef van Abr. Rutgers – in 1889 als laatste deel van de Marnix-werken de Acta van de Nederlandsche synoden der zestiende eeuw uitbracht, was hij niet alleen kerkrechtman aan de vu, maar ook kerkjuridisch raadsman van laatstgenoemde beweging.

Niet J.J. van Toorenenbergen, maar F.L. Rutgers moet Hooijers werk herzien!

Over de geschiedenis van de Marnix-Vereeniging behoeft hier alleen meegedeeld te worden dat de zelfbenoemde directeur Kuyper vanwege zijn vele andere werkzaamheden in oktober 1874 die taak – overigens niet van harte – overdroeg aan J.J. van Toorenenbergen. Laatstgenoemde was degene die in 1879 in een bestuursvergadering – waarin Kuyper ontbrak – voorstelde dat men de eigendom van Hooijers Oude Kerkenordeningen zou overnemen van de huidige eigenaar fa. Gebr. Koster te Amsterdam. In februari 1881 – Kuyper was opnieuw afwezig en Van Toorenenbergen was inmiddels hoogleraar geworden aan de met vu concurrerende Universiteit van Amsterdam – kon laatstgenoemde het bestuur meedelen dat het copierecht en 144 resterende Hooijer-exemplaren waren overgenomen. Zoals hij in maart 1885 verklaarde, wilde Van Toorenenbergen als zijn laatste bijdrage aan de Marnix-reeks – hij had inmiddels zeven van de negen delen op zijn naam staan, tegenover Kuyper één! – een ‘herziening en aanvulling’ van Hooijer leveren. Onder druk van Kuyper ging dit echter niet door en werd de opdracht aan Rutgers verstrekt. Kuypers argument verried de spanning van die dagen: ‘omdat ik verneem dat de heer v.T. van voornemens is, in de Marn.[ix-] Ver-een.[iging] een 2 e ed. van Hooyer met zulke inleidingen uit te geven, dat op het hoofdpunt van den strijd de m.i. onware historische voorstel-ling op onzen naam in druk zou komen. Dit nu mag m.i. niet’. 31

F.L. Rutgers als modern bezorger en gebruiker van de Wezelse artikelen

Drie van de vijf voorwaarden waarop Rutgers in juni 1885 de opdracht aannam, zijn hier belangrijk: 1. de uitgave zou alleen de authentieke teksten bevatten, zonder verdere inleidingen of toelichtingen, ‘tenzij dan van zuiver kritischen aard, … opdat het objectief karakter van de Werken … bewaard blijve’; 2. op de uitgave zouden geen rechten mogen rusten, zodat het ieder vrij zou staan die te herdrukken, ‘en er alsdan natuurlijk zijne eigene beschouwingen aan toe te voegen’; 3. de uitgave zou tegen een billijke prijs in de handel moeten komen, zodat naast de nog geen vijftig Marnix-leden ook niet-leden zouden kunnen profiteren, m.n. de ‘ruim 200 belangstellenden’ voor de nieuwe, door de theologische faculteit van de vu opgezette reeks, de Bibliotheca Reformata. Je zou Rutgers een vroeg pleitbezorger van ‘open access’ kunnen noemen. Graag zag hij bovendien illustraties opgenomen: facsimiles van de ondertekeningen van de samenkomst te Wezel en van de synoden van 1574 en 1578. Dat Rutgers reeds langer met Wezel bezig was, blijkt uit het feit, dat hij al in november 1885 met drukken hoopte te kunnen beginnen. Vanwege het vertrek van de hoogleraar F.W.J. Dilloo eind 1885, waardoor Rutgers plots ook Oude Testament moest doceren, en met name vanwege zijn aandeel in de Doleantiestrijd, zou het uiteindelijk tot najaar 1889 duren eer de Acta zowel als deel i.4 van de Werken der Marnix-Vereeniging bij Kemink en Zoon te Utrecht alsook onder het impressum van Martinus Nijhoff uitkwamen. Beide edities verschenen evenwel zonder facsimiles. 32

Wie nu Rutgers’ Acta doorneemt, ziet dat deze precies heeft gedaan wat hij had aangegeven. Hij heeft L.J.F. Janssens ‘foutieve en gebrekkige’ (zo Rutgers) tekst van 1834 gecollationeerd aan de hand van het origineel in het Oud-Synodaal Archief. Daarmee was hij na Hooijer de tweede Wezeleditor die in eigen persoon autopsie pleegde. Omdat hij, anders dan Hooijer, zich daarbij niet beperkte tot de ondertekeningen, ontdekte hij de feilen van Van Renesses vertaling, die naast vertaalfouten ook omissies vertoonde. Omdat sinds 1664 steeds diens indeling in hoofdstukken en artikelen was gevolgd, nam Rutgers die (zij het tussen teksthaken) in zijn eigen editie over. Omdat hij slechts de authentieke tekst wilde geven, bracht hij die onder een neutraal opschrift: ‘De artikelen van de samenkomst te Wezel, 3 November 1568’, of korter: ‘de Wezelsche artikelen’. Over ‘synode’ of ‘convent’ liet hij zich niet uit; wel stelde hij dat bedoelde artikelen ‘den 3 en November … te Wezel door betrekkelijk velen [sic! jv] zijn getekend’. Dat Rutgers de artikelen desondanks opnam in een band getiteld Acta van de Nederlandsche synoden, zal een uitvloeisel zijn van het feit dat hij Hooijers werk moest vervangen. Dat Hooijer en diens voorgangers serieuze partners voor hem waren, blijkt bij diverse moeilijk te ontcijferen ondertekeningen. Naast zijn eigen lezing nam Rutgers in noten ook de lezingen van Ens, ’s Gravezande, Janssen en Hooijer op. Hij verwees zelfs naar de namen die in J. Triglands Kerckelycke Geschiedenissen van 1650 voorkwamen, omdat hij – in tegenstelling tot ’s Gravezande – ten onrechte meende dat ook Trigland het originele Wezelmanuscript en geen afschrift onder ogen had gehad. Opvallend is dan wel, dat hij bij de zinsnede voorafgaand aan de signatuur van Reynier de Pestere en veertien anderen ‘Dese naervolghende persoonen de lecture der ouerghezette copie hen ghedaen zynde hebben ooc onderteeckent’ geen toelichtende noot opnam. Hetzelfde was het geval bij de handtekeningen die bij procuratie waren geplaatst. Rutgers nam alleen een noot op bij een zinsnede die, na een stuk wit op de recto-zijde, op de verso-zijde van de laatste pagina volgde, en daarom niet door Hooijer was opgemerkt; een nadere verklaring voor deze zinsnede bood hij echter niet: noch voor de bijzondere plaats in het manuscript, noch voor de inhoud. 33

Wat opvalt, is dat Rutgers zich in de Acta terughoudender heeft uitgelaten dan toen hij in 1887, in het heetst van de strijd, met beroep op (onder meer) Wezel tegenover orthodox-hervormde theologen als E. César Segers en H.G. Kleyn de rechtsbevoegdheid der dolerende plaatselijke kerken verdedigde. Wezel heette toen ‘de voorbereidende samenkomst van Gereformeerden uit de Nederlanden, die in October, of althans tot 3 Nov. [sic! jv] 1568, te Wezel gehouden werd’; Janssens editie heette ronduit ‘buitengemeen slordig’. Van Hooijers uitgave en inleidingen daarentegen maakte hij – bij gebrek aan beter – in 1887 onbekommerd gebruik. 34 Ook na het verschijnen van de Acta zou Rutgers zich nog herhaaldelijk op ‘de samenkomst te Wezel’ beroepen. Maar dan altijd om zijn kerkrechtelijk standpunt of visie te verdedigen of te verklaren. Zo reeds in de oratie waarmee hij 21 oktober 1889 als vu-rector aftrad: De geldigheid van de oude kerkenordening der Nederlandsche Gereformeerde Kerken. Dat Rutgers daarin mede gebruik maakte van het pas verschenen tweede deel van de door J.H. Hessels bezorgde editie van stukken uit het archief van de hervormde gemeente van Austin Friars, demonstreert nogmaals hoezeer bronnenstudie aangaande de Reformatie in die jaren onmiddellijk werd ingezet voor de kerkelijke strijd. 35 Bij zijn colleges over de dko verwees Rutgers, die eerst in 1910 met emeritaat zou gaan, eveneens geregeld naar Wezel, met als gevolg dat een hele generatie Gereformeerde predikanten precies wist waar het bij We-zel over ging. Kort na Rutgers’ dood in 1917 werd een deel van deze colleges uitgegeven door diens promotus J. de Jong. Dit laatste werd in 1921-1922 tevens gedaan door zijn zoon H.C. Rutgers met een deel van de vele honderden adviezen die de vu-kerkjurist in de loop der jaren aan een breder Gereformeerd publiek had uitgebracht. Zelfs bij deze Kerkelijke adviezen komen verwijzingen naar 1568 voor. Zo heeft dus ook mijn grootvader, ouderling-wasbaas Willem Baart, die beide delen Adviezen in zijn boekenkast had staan, Wezel kunnen ontmoeten. 36

Het Kerkelijk Handboekje van P. Biesterveld en H.H. Kuyper het hoogtepunt van Wezel

Datzelfde had mijn grootvader trouwens al jaren eerder en bovendien uitgebreider kunnen doen via het in 1905 door de vu-hoogleraren P. Biesterveld en H.H. Kuyper bezorgde heruitgave van het Kerkelijk Handboekje. ‘De Wezelsche artikelen van 1568’ waren door hen hertaald en (in het geval van omissies) aangevuld aan de hand van Rutgers’ Acta. Daarmee was Van Renesses tekst voorgoed achterhaald. Bij de synoden van Dordt 1574 en ’s-Gravenhage 1586 hadden Biesterveld en Kuyper Rutgers’ Acta-tekst bovendien nog eens nagelopen aan de hand van de jongste uitgaven van een drietal hervormde onderzoekers: respectievelijk J. Reitsma en S.D. van Veen (1893) en L.A. van Langeraad (1901). Pure wetenschap en gereformeerde rechtzinnigheid gingen hand in hand onder het motto waarmee hun Woord aan de lezers opende: ‘Een ieder, die meeleeft in de kerkelijke wereld, weet, hoe dikwerf het noodig is om de besluiten te raadplegen van de beroemde Synoden der 16 e en 17 e eeuw’. De thans gebundelde besluiten waren daarom tevens voorzien van een uitgebreid register, zodat snel was na te gaan wat in Wezel besloten was aangaande avondmaalsbediening, classis, diaconessen, enz., enz. Samen vormden die besluiten een historische toelichting op de herziene dko, die – eveneens in 1905 – op grond van een door F.L. Rutgers verdedigd concept door de synode van de gkn was aangenomen. 37

Dat de besluiten van Wezel 1568 anno 1905 zowel in een betrouwbare Latijnse als in een dito Nederlandse versie beschikbaar waren, was vooral te danken aan drie vu-hoogleraren, die daarmee in de eerste plaats de in 1892 door afgescheidenen en dolerenden gevormde gkn wilden dienen. Met het handzame Handboekje, waarin onder meer ook de eerste, door H.H. Kuyper bezorgde, wetenschappelijke editie van de Hollandse tekst van de Dordtse Post-Acta (1899) was opgenomen, werd het hoogtepunt van Wezels verwezenlijking wel bereikt. Vergelijk dat eens met het Placaatboek van 1792: dat was een prachtuitgave op kwartoformaat van Wezel en volgende synoden, maar wel als ‘aanhangsel’ op wat werkelijk telde: de vele regels en voorschriften die sinds de Pacificatie van Gent mede van overheidswege waren uitgevaardigd. Maar zij, de vrije gkn, grepen trots terug op wat in 1568 begon. Hoogtepunt. Neem dat maar letterlijk. Want het werkje van Biesterveld en Kuyper werd nadien nimmer opnieuw uitgegeven en het in 1937 door Kersten uitgegeven Handboekje was van een ander gehalte. Voor Wezel bijvoorbeeld volgde laatstgenoemde in hoofdzaak Van Renesses vertrouwde woordkeus. Rutgers’ Acta verschenen eerst in 1980 – dus na de herdenkingscongressen van Wezel 1968, Emden 1971, Dordt 1978 en kort vóór dat van Middelburg 1981 – bij de orthodoxe uitgeverij J.P. van den Tol te Dordrecht in reprint. Niemand nam moeite dit werk te herzien. De reden daarvan zal mede zijn geweest, dat bij het gebruik van Wezel en volgende synoden voor velen uiteindelijk niet de precieze geschiedenis, maar de exacte besluiten telden. De uitgave van de ‘Wezelsche artikelen’ lag zowel vóór als na 1795 waarschijnlijk juist daarom dikwijls in handen van theologen die niet slechts historisch, maar tevens kerkjuridisch geïnteresseerd waren: Van Renesse, ’s Gravezande, A. Rutgers, Hooijer, F.L. Rutgers en de bij laatstgenoemde gepromoveerde H.H. Kuyper.

Hoe Rutgers’ leerlingen J. de Jong en A.A. van Schelven diens werk afrondden

F.L. Rutgers’ leerling, J. de Jong, die zich in de jaren 1898-1911 naast zijn werk als predikant in het Groningse Loppersum in Wezel 1568 verdiepte en daar in laatstgenoemd jaar op promoveerde, moet ook van dat soort geweest zijn. Nadat hij in 1919 zijn ambt had neergelegd, ging hij verder als advocaat. Toen hij in 1928 stierf, werkte hij blijkens de aangifte bij de burgerlijke stand als ‘griffier bij een kantongerecht’. 38 Wie De Jongs door Rutgers ‘nauwkeurig’ begeleid en als laatste onder hem verdedigd proefschrift doorneemt, kan niet anders zeggen dan: hier is zowel door promovendus als promotor grondig werk verricht! Speciaal voor De Jong werd de foliant met het Wezelhandschrift uit het Haagse Oud-Synodaal Archief overgebracht naar de Universiteitsbibliotheek Groningen. De promovendus mocht daar laten vervaardigen wat de promotor een kwarteeuw eerder vergeefs had verlangd: een facsimile, in de vorm van een fotografische weergave van alle ondertekeningen. De Jong bestudeerde naast het origineel alle toenmalig beschikbare oude literatuur en moderne bronnenuitgaven. In die tijd van kaartenbakken en Leidse boekjes kon hij echter tot zijn spijt de in 1877 bij M. Nijhoff geveilde, maar volgens hem ‘thans zoekgeraakte’, kwarto-bundel uit het bezit van wijlen G.D.J. Schotel niet achterhalen. Die bundel met handschriften en gedrukte stukken betreffende de nationale synoden 1568-1586 bevatte immers ook het Dordtse afschrift van de Wezelse artikelen dat ooit door Trigland was geraadpleegd. 39 Evenals zijn leermeester werd De Jong getroffen door het feit dat het ‘ongetwijfeld’ originele ‘protocol’ (vgl. these iii) ‘er nog zoo goed’ uitzag. Deze constatering zal zeker hebben meegespeeld in de conclusie die hij vastlegde in zijn theses i, iv en vi, nadat hij eerst bijna 150 (!) pagina’s lang alle 63 ondertekeningen – persoonlijke en die bij procuratie – had geanalyseerd en op negen na geïdentificeerd. These i luidde: ‘De vergadering van Nederlandsche vluchtelingen te Wezel in 1568 was een nationaal Convent’; iv: ‘Er is alle grond om Moded voor den scriba van het Convent … te houden’; vi: ‘Het protocol van de Wezelsche artikelen heeft niet voor latere onderteekening gereisd’. Met these vi en ook eerder in zijn boek – waar hij de mogelijkheid verwierp dat het protocol ‘door eenige leiders … ontworpen zijnde … [nadien] zou hebben gecirculeerd’ – liet hij zich stelliger uit dan Rutgers. Wat de datum betreft week De Jong eveneens van Rutgers af: het convent begon eind oktober, werd 3 november afgesloten, waarna in enkele dagen het officiële protocol werd geschreven, zodat nadien de ondertekening kon plaatsvinden. De strekking van zijn boek (dat in een vervolgdeel over Emden zou handelen) bleek uit de titel: De voorbereiding en constitueering van het kerkverband der Nederlandsche Gereformeerde Kerken in de zestiende eeuw. 40

Kort voordat De Jong zijn proefschrift afrondde, werd hij door zijn collega A.A. van Schelven gewezen op een in 1909 verschenen Franstalig artikel over de beeldenstormers en de calvinisten te Gent in de jaren 1566-1568. Vooral bij de Addenda van zijn boek maakte De Jong vele malen van deze tip gebruik. 41 De predikant Van Schelven, die in 1908 onder Rutgers was gepromoveerd op De Nederduitsche vluchtelingenkerken der XVIe eeuw in Engeland en Duitschland, zal het artikel van de Gentse historicus V. Fris hebben leren kennen toen hij zich voorbereidde voor een bijdrage over Moded in het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek. Mede op grond van de brief waarmee Gysius in 1639 de in 1834 door Janssen uitgegeven kopie van de Wezelse artikelen naar genoemde plaats had gezonden, kwam Van Schelven tot de volgende reconstructie. Moded, die in de tijd dat hij als predikant aan de vluchtelingengemeente te Norwich was verbonden te Wezel als scriba was opgetreden, bracht later het stuk onder bij het kerkarchief van Austin Friars, waar het werd aangetroffen door Ruytinck. Laatstgenoemde op zijn beurt zond het stuk naar Gysius, een verwoed verzamelaar van synodale archivalia. Gysius vervaardigde afschriften voor de classes Dordrecht en Breda en nadien voor Wezel, oftewel juist die afschriften waarvan Rutgers in 1898 indirect (via Trigland, Ens en Janssen) vaststelde dat er tien ondertekeningen ‘abusivelijk [waren] weggelaten’. Via Gysius kwam het origineel vervolgens in het archief van de Synode van Zuid-Holland en in 1816 uiteindelijk in dat van de Algemene Synode. Met zijn artikel ‘Het autographon van het Convent te Wesel’, dat in 1912 in het Nederlandsch Archief voor Kerkgeschiedenis verscheen, bood de latere vu-hoogleraar Van Schelven een mooie aanvulling op het werk van zowel Rutgers als De Jong. Toch moest ook hij bekennen dat hij niet alles aangaande Wezel wist. Hij nam weliswaar aan, dat het autographon later niet had gereisd voor meer handtekeningen, maar maakte tevens een voorbehoud: ‘wat nog niet eens geheel zeker is’. 42

Waarom Nauta vasthield aan een grote vergadering

Met de vermelding van De Jong en Van Schelven is het verhaal over de verwezenlijking van Wezel wel voltooid. De nauwgezette Nauta schatte beider werk hoog. Eén van de verdiensten van De Jongs onderzoek was volgens hem, dat deze ‘het nationale karakter van dit convent in het licht gesteld heeft. … De bij uitstek leidende figuren beraadslaagden er over de belangen der kerk’. 43 Nauta was mijn eerste leermeester kerkgeschiedenis. Waarom, zo vraag je je nu achteraf af, waarom plaatste hij geen vraagtekens, vooral bij die gedachte van een grote vergadering? Bedenk dan dat Nauta, die in 1917 aan de vu aankwam, onder H.H. Kuyper promoveerde en al vrij snel als hoogleraar betrokken raakte bij de strijd die in 1944 tot de Vrijmaking leidde, toen hij zijn verhaal over Wezel en Emden hield, nog helemaal op de strekking der Wezelse artikelen en ‘de belangen der kerk’ was gericht. In eigen huis was net een ruzie over de macht van synode en die van plaatselijke kerk beslecht; in de Hervormde Kerk was anno 1948 nog steeds het omstreden Herzien Algemeen Reglement van 1852 van kracht; pas in 1951 zou daar een nieuw kerkorde komen.

Nauta was overigens niet de enige die vasthield aan het beeld van een vergadering, zij het dat deze bij lateren wel in omvang kromp. De Münsterse hoogleraar J.F.G. Goeters, die in 1968 niet slechts een goede facsimile-uitgave van de originele akte bezorgde, maar dat jaar ook bij de herdenking sprak, dacht aan een bijeenkomst van 36 personen, die bovendien voor acht anderen tekenden; de overige signaturen werden nadien elders geplaatst. 44 De Leidse historicus J.J. Woltjer schreef in 1971, met Goeters’ facsimile voor ogen: ‘Nadat deze artikelen door de opstellers [‘enige predikanten’] te Wezel op 3 november 1568 getekend waren, trachtte men, en niet zonder succes, handtekeningen te verzamelen van anderen die niet bij de vergadering geweest waren’. Woltjer wortelde overigens diep in de vu-wereld: zowel grootvader als een oom Woltjer waren er hoogleraar. Zelf behaalde hij aan de vu een propedeuse theologie en zijn kandidaats geschiedenis. 45

Iets over houtdraad en noesten

De organisatoren van deze bijeenkomst verwachten dat ik mijn mening geef over Spohnholz’ werk, althans voor zover het Nederland betreft en dan met name de negentiende eeuw. De auteur verlangt trouwens ook commentaar, gezien hetgeen hij schrijft aan het slot van zijn inleiding. Terloops heb ik al het nodige opgemerkt, maar nu vat ik mijn kritiek samen in een beeld dat door hemzelf wordt gebruikt.

Zijn zoektocht in deel i naar wat er dan werkelijk in 1568 te Wezel en kort nadien is gebeurd, beschrijft Spohnholz als werken ‘against the grain’, oftewel: tegendraads. In deel ii, waarin hij nagaat wat er van 1618 tot 1994 allemaal over Wezel is geschreven, noemt hij werken ‘along the grain’: met de draad van het hout mee. Maar iedere timmerman weet niet alleen dat met de draad mee schaven gladder resultaat oplevert, maar ook dat de draad rond kwasten / noesten toch nog zo warrig kan zijn, dat je het hout daar met schaven nooit goed glad krijgt.

Wat nu het signaleren van noesten betreft, schiet de auteur tekort. Natuurlijk zo’n dikke kwast als Kuyper heeft hij niet gemist, maar door diens dissertatie te laten berusten op een prijsvraag van een ‘Haagsche Historische Vereniging’, mis je de noest Hofstede de Groot. Evenzo: door in Wezel 1868 de twintig-jarige P.D. Chantepie de la Saussaye te laten optreden in plaats van diens vader, mis je niet slechts een andere belangrijke noest, maar ook de warrige nerven van de hervormde richtingen die na de invoering van het kerkelijk kiesrecht in 1867 tussen die kwast en de overige noesten ontstonden. Die nerven werden scheuren: eerst nog maar haarscheurtjes zoals te Zeist 1872, maar later de grote scheur van de Doleantie, waardoor Van Toorenenbergen en Rutgers in twee kampen terechtkwamen. De jaren rond 1868 waren de jaren waarin zowel in binnen- als buitenland een gigantische nationalistisch getinte, overwegend protestantse herdenkingscultuur opkwam, waaraan ook een man als Hofstede de Groot volop deelnam, maar meer nog telde de richtingenstrijd, waarbij de Wezelse artikelen munitie moesten leveren. Wie hebben in de negentiende en begin twintigste eeuw Wezel het meest verwezenlijkt, echt op de kaart gezet? Vooral orthodox-gereformeerde lieden, waarvan de meesten gelieerd aan de vu. Maar vergeet ook hen niet die in de Hervormde Kerk bleven en aan openbare universiteiten werkten: J.J. van Toorenenbergen en later iemand als Th.L. Haitjema. 46

Daarom zag ik naast ‘the first microhistory of a document’ van deel i, graag ook iets meer ‘microhistory’ der hoofdpersonen die in deel ii een rol spelen. ‘Many had a personal stake in presenting the Convent’ stelt Spohnholz, maar ik had dit (al dan niet kerkjuridische) belang graag meer gearticuleerd gezien, niet alleen bij F.L. Rutgers, maar bijvoorbeeld ook al bij ’s Gravezande en Hooijer. Dat auteur en uitgever geen Nederlandse kerkgeschiedenis beogen te leveren, maar ‘Wezel’ als exempel van ‘historical emplotment’ presenteren, is duidelijk. 47 Maar met iets meer aankleding van de personen die de artikelen al dan niet in vertaling verspreidden, zou het beter te volgen zijn hoe en waarom Wezel dusdanig indaalde, c.q. werd ingekerfd, dat deze artikelen en het verhaal, c.q. de mythe, eromheen zo vanzelfsprekend werden.

Het nu gezegde laat onverlet dat ik bewondering heb voor hetgeen Spohnholz in zijn boek (mede met behulp van een dertiental dikwijls zelfvervaardigde illustraties) te berde brengt. Dat hij op de schouders van vele voorgangers staat, kan na het voorgaande duidelijk zijn. Dat de auteur zelf ook de nodige vondsten heeft gedaan, blijkt onder meer uit het feit dat hij aan de drie door Van Schelven genoemde afschriften nog eens drie heeft kunnen toevoegen. Wat zijn these, tevens boektitel, The Convent of Wesel. The Event that Never was betreft, komt hij dicht bij een lezing die J.P. van Dooren, destijds archivaris van de Nederlandse Hervormde Kerk, 25 september 1971 te ’s-Gravenhage hield. Volgens door Spohnholz in Van Doorens nagelaten aantekeningen aangetroffen notities, uitte laatstgenoemde toen namelijk het vermoeden dat de Wezelse artikelen niet op een afzonderlijke vergadering teruggingen, maar dat ze langs verschillende vluchtelingencentra hadden gereisd totdat ze uiteindelijk in Londen waren opgeborgen. Nu we van deze lezing weten, verstaan we ook beter Van Doorens uitspraak tijdens de herdenking van de synode van Emden kort nadien: ‘Gelukkig behoeven we [hier] niet slechts met hypotheses te werken, daar er een aantal archiefstukken bewaard zijn gebleven’. 48 Dat Van Dooren, wat Wezel betreft, in 1982 met een nieuwe hypothese zou komen – die raadselachtige bijeenkomst, die verder geen sporen naliet, had al rond de jaarwisseling 1566/67 te Antwerpen plaatsgevonden – is bekend, maar toont tevens dat aangaande Wezel moeilijk een sluitend bewijs te leveren valt. 49

Kies eens voor een kopse benadering!

Wat nu het betoog van Spohnholz betreft, dat Datheen de opsteller van de Wezelse artikelen is en daarbij mogelijk werd geholpen door de man die na hem als tweede tekende, Moded – de auteur geeft zelf ruiterlijk toe dat dat hij daarvoor geen enkel onweerlegbaar hard bewijs heeft. Mijn kennis van de zestiende eeuw schiet tekort om aan deze vaststelling iets zinnigs toe te voegen. 50

Stelliger is Spohnholz bij zijn betoog dat Moded degene geweest is die de definitieve tekst op papier heeft gesteld. Wat dit betreft sluit hij zich aan bij De Jong en Van Schelven. Mijn vraag: zou er langs de weg van papier en inkt niet meer zekerheid te verkrij-gen zijn? Niet alleen over Moded als schrijver, maar ook over wat er nadien met het door Moded geschrevene gebeurd is! De Jongs conclusie berust op interne evidentie: de tekst en de drie ondertekeningen door Moded (waarvan twee bij procuratie) stemmen qua handschrift overeen. Maar zijn er inmiddels geen andere stukken van Modeds hand uit deze jaren bekend, zodat externe vergelijking mogelijk wordt? Mij bevreemdt het, dat auteur wel zijn inspectie van papier en inkt van het origineel in het Utrechts Archief (hua, waar het stuk nu berust) vermeldt, maar niet rept van een verzoek om nader onderzoek van het gebruikte papier en de dito inkt. 51 Waar en wanneer werd dit papier geproduceerd, komen alle vellen overeen, en vallen er via spectrometrisch of andersoortig onderzoek verschillende inktsoorten te onderscheiden? Dit laatste zou uitsluitsel kunnen geven over de vraag of Spohnholz’ veronderstelling juist is, dat op 3 november te Wezel alleen Datheen, Moded, een zekere Cornelius Walraven en vervolgens opnieuw Moded, maar nu namens een derde, tekenden. De volgende 25 personen zouden eveneens te Wezel hebben getekend, maar dan op drie verschillende momenten. Het verschil met de 29 leden tellende ‘Wezelsche groep’ van De Jong is, dat Spohnholz in die plaats in totaal vier tijdstippen van tekening onderscheidt. Hetzelfde bij De Jongs ‘Emdensche’ en ‘Engelsche’ groepen, in totaal 42 personen, bij welke dan ook nog de twee personen komen voor wie bij procuratie te Londen werd getekend. Werd in Wezel, ja dan nee, steeds met dezelfde inkt getekend? Zeker Oost-Friese en Londense inkt zal toch in de zestiende eeuw een andere chemische samenstelling hebben gehad dan die uit het Rijngebied! 52

Vandaar mijn voorstel om aan Spohnholz’ against en along een across the grain, oftewel: een kopse benadering, toe te voegen, haaks op het stuk in kwestie. De Jong was de eerste die fotografie toepaste, laten wij de middelen gebruiken die tegenwoordig ook bij oude boekbanden, Rembrandts, enz. worden toegepast om meer te zien dan op het eerste gezicht mogelijk is. 53 De fysiek van een oud stuk zegt soms veel, zelfs enkele simpele vouwen in een brief van Joh. Calvijn uit 1538. 54


1 Cambridge (uk) 2017. In het onderstaande aangehaald als ‘Spohnholz, …’.

2 NedAK 36 (1949), 220- 246; D. Nauta, Opera minora. (…), Kampen 1961, 30-56, m.n. 30v., 52-56. Zie voor D. Nauta (1898- 1994): Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme (BLGNP) vi, 204-206.

3 Verklaring van de Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland, Kampen 1971, 8.

4 J. Plomp, ‘De kerkorde van Emden’, in: De Synode van Emden oktober 1571 (…), o. red. v. D. Nauta, J.P. van Dooren, O.J. de Jong, Kampen 1971, 88-121, m.n. 110. Vgl. Spohnholz, 214 (n. 28).

5 De Kercken-Ordeninghen der Ghereformeerder Nederlandtscher kercken, in de vier Nationale Synoden ghemaeckt ende ghearresteert. Mitsgaders eenige anderen in den Provincialen Synoden van Hollandt ende Zeelandt gheconcipieert ende besloten (…), tweede ed., Delft (Jan Andriesz.) 1617, m.n. 1. Eerste ed. (J. Andriesz) 1612; 4 e Delft (A. Cloeting) 1640. Spohnholz heeft de verwijzing naar 1617 toegepast op een niet te achterhalen ‘reprinting’ van Ant. Thysius’ Leere ende Order der Nederlansche, soo Duytsche als Walsche, Ghereformeerder Kercken, Amsterdam 1615; 134v., vgl. 124, 151 (n. 47), 270.

6 Van het regeer-ouderlinghschap, dat is: Bewijs dat het ampt der regeer-ouderlingen een goddelijck ende dienvolgende noodtsaeckelijck ende deftich beroep is in Godes kercke (…) ii, Utrecht 1664, 99 (citaat), 100-150 (Wezel), 151-287 (Emden – Dordt 1618/19), 289-319 (Harmonie).

7 Spohnholz, 125v. Zie voor S. Ruytinck (ca. 1576-1621) en diens Corpus doctrinae: BLGNP i, 305v.; in Hommius’ Specimen wordt hij slechts aangeduid met ‘S.R.’; o.c., 143, 144-162 (Harmonia).

8 D. Nauta, ‘Renesse, Lodewijk Gerardus van’ (1599- 1671), BLGNP ii, 372-374. Vgl. Spohnholz, 132, 134.

9 ‘… dat hy van hun verkoren is geweest tot Praeses in de Nationale Synode gehouden te Wezel … die de allereerste was, en te Dordrecht Anno 1578’; J. Ens, Kort historisch berigt van de Publieke Schriften, rakende de Leer en Dienst der Nederduytze Kerken van de Vereenigde Nederlanden, zynde de Formulieren van eenigheyt en de liturgie (…), Utrecht 1733, 59, 241v., [241-287: R. Ens, Naberigt: 253-287 (Wezel)]. Spohnholz vermeldt ten onrechte J. Ens als bezorger; 139v.

10 Editie 1738 vermeld bij A. ’s Gravezande, Twee honderd jarige gedachtenis, 111, 116 (zie verder: n. 12). Spohnholz brengt de opname in 1738 in verband met de beschrijving van het autographon van Wezel in 1737 door de archiefcie. van de Prov. Synode van Zuid-Holland o.l.v. de Goudse predikant Q. Noortbergh; 140-143, 153 (n. 78).

11 Kerkelyk Handboekje, zynde een kort uittreksel, van de Voornaamste Actens, der Nationale en Provintiale Synoden, betrekkelyk op de Zuiverheit der Leere, Rust der Kerke, enz. Als mede de Post-Acta of Nahandelingen van het Nationale Synode van Dordrecht, gehouden in de jaren 1618 en 1619, derde druk, Rotterdam 1753, 1-61 (Wezel); ubvu xp 07665.-.

12 Twee honderd jarige gedachtenis van het eerste synode der Nederlandsche kerken onder het kruis; en, zo in, als buiten Nederland, allesins verstrooid; gehouden te Wesel den 3. November 1568. Gevierd in eene kerkreden over 1 Cor. XIV: 40, te Middelburg in Zeeland, den 20. Nov. 1768. (...) Met eenige aanteekeningen en bylagen, betreffende persoonen en zaken, welke dienen konnen ter opheldering van verscheide byzonderheden, behoorende tot de kerkgeschiedenis van Nederland, doch inzonderheid van Zeeland en Middelburg, ten tyde der Nederlandsche beroerten en invoeringe van de Kerkhervorminge in de XVI. eeuwe, Middelburg 1769, 1, 117, 218, 225-228. M. zond 10 maart 1769 uitslag van de autopsie; Spohnholz, die ‘’s-Gravenzande’ en ‘Muiman’ spelt, stelt ten onrechte dat ’s G. zelf het onderzoek verrichtte; 146v., 154 (n. 88).

13 Wetten Walcheren, Middelburg [1780], (ii, iii). Zie voor A. ’s Gravezande (1714-1787): BLGNP iii, 145v.; voor diens preek: J.P. van Dooren, ‘Die Gedenkschrift des Pfarrers Adrianus ’s Gravezande (1768) und einige Besonderheiten über die Kopien der Weseler Akten’, in: W. Stempel, e.a., Weseler Konvent 1568- 1968. Eine Jubiläumschrift, Düsseldorf 1968, 53-59; voor diens reglement en wetboek: C. van den Broeke, Een geschiedenis van de classis. Classicale typen tussen idee en werkelijkheid (1571-2004), Kampen 2005, 90-101; dezelfde, ‘Classicale wetboeken. Schakels tussen de Dordtse Kerkorde van 1619 en het Algemeen Reglement van 1816?’, in: Lidwien van Buren, Peter-Ben Smit (red.), Meester in kerk en recht. Vriendenbundel voor Jan Hallebeek bij zijn 25-jarig jubileum als docent kerkelijk recht, Amersfoort / Sliedrecht 2013, 30-44, m.n. 35.

14 Kerkelyk placaat-boek iii-v, ’s-Gravenhage 1792- 1807, m.n. iii, 1, 377vv (‘Aanhangsel’), 379-405 (Wezel), (551) en v, reg. [slot]; i-ii dateerden van 1722-1735. A. Rutgers en diens arbeid blijft bij Spohnholz onvermeld. A. de Groot, ‘Tussen geloof en revolutie: de Utrechtse coetus in de jaren 1797 en 1798’, in: C.C. de Bruin e.a. (red.), Geloof en Revolutie. (…), Amsterdam 1977, 151-179, m.n. 158.

15 Ik doorzocht Compendium der Kerkelijke Wetten van Vriesland (…), Leeuwarden 1771 (met daarin de kerkordeningen van Emden 1571 t/m ’s-Gravenhage 1586) en Utrechts Synodaal-Handboekje (…), Utrecht 1803. Een overzicht van gedrukte classicale wetboeken en het Friese Compendium bij: V.d. Broeke, ‘Classicale wetboeken’, m.n. 34-36, 40v. Dr. C. van den Broeke doorzocht voor mij de wetboeken van Haarlem, Leiden en Deventer, eveneens met negatief resultaat.

16 P.D. van den Boogaard, ‘Een reglementaire kerk? Een evaluatie van het Concept-Reglement van 1809 en het Algemeen Reglement van 1816’, NTKR. Tijdschrift voor Recht en Religie 2017, 39-54.

17 Nieuw kerkelijk handboekje, of Beredeneerd register op het Algemeen Reglement voor het bestuur der Hervormde Kerk in het Koningrijk der Nederlanden en alle andere daartoe betrekkelijke stukken (…). Ten dienste van alle kerkelijke Collegien, Hoogleeraren, Predikanten, Candidaten, Ouderlingen en andere personen, die met de Kerkelijke Zaken in eenige betrekking staan, Amsterdam 1816.

18 Handelingen … Utrecht 1837, art. 121, in: Handelingen en verslagen van de Algemene Synoden van de Christelijk Afgescheidene Gereformeerde Kerk (1836- 1869) met (…) bijlagen en registers, Houten/Utrecht 1984, 141. Met dank aan dr. C. van den Broeke, die mij op deze plaats wees.

19 Kerkelyk handboekje, zynde een kort uittreksel, van de voornaamste acten der Nationale en Provintiale Synoden, betrekkelyk de zuiverheid der Leere, rust der Kerke, enz., Alsmede de Post-acta of nahandelingen van het Nationale Synode van Dordrecht, gehouden in de jaren 1618 en 1619. Zeer dienstig en noodig voor predikanten en kerkenraden. Met eene voorrede uitgegeven door de Synode der Afgescheiden Gereformeerde Gemeente, gehouden te Amsterdam, anno MDC-CCXL, Amsterdam 1841, 1-43 (Wezel).

20 ‘De Nederlandsche hervormden in Kleefsland, vooral te Wezel, in de xvi eeuw; en derzelver tienjarige vreemdelingschap aldaar. Gegrond op een hs. uit die dagen’, Archief voor Kerkelijke Geschiedenis, inzonderheid voor Nederland v (1834), 307-460, m.n. 310v., 359, 422, 426-460 (Wezel). Zie voor L.J.F. Janssen (1806-1869): Biographisch woordenboek van protestantsche godgeleerden in Nederland iv, 506-509. Ä.L. Richter, Die evangelische Kirchenordnungen des sechszehnten Jahrhunderts ii, Weimar 1846, 310-318. Spohnholz, 12 (n. 7), 174 (foto bokalen), 192v., 259, 266.

21 C. Hooijer, Oude kerkordeningen der Nederlandsche Hervormde gemeenten 1563- 1638 (…), Zaltbommel 1865, 24-32, 52v. K. Hooijer-Bruins, Domineesdochter in ’s-Graveland. Domineesvrouw in Zaltbommel. 1817-1866 ii, Batavia 1884 [repro: Zaltbommel 1981], 27v., 93v., 151. Zie voor C. Hooijer (1802-1873): BLGNP v, 260v. Spohnholz, 35 (n. 8), 59-62 (n. 7, 26, 44), 192, 257.

22 H. Höveker, Feestviering te Wezel den 3 den en 4 den November 1868, z.p., z.j., passim = De Vereeniging: Christelijke stemmen 1869, 385vv. G. Groen van Prinsterer aan L.J. van Rhijn, 31 okt. 1868; GvP, Briefwisseling iv, 276v.

23 ‘Over het verband van duitsche en nederlandsche theologie’, Protestantsche Bijdragen 3 (1872), 1-32, m.n. 1-3, 32; ook in: Verzameld werk iii, 486-506.

24 Voor het nu volgende: Vree, Kuyper in de kiem. De precalvinistische periode van Abraham Kuyper 1848- 1874, Hilversum 2006. Daar ook de volledige titels der aangehaalde publicaties van Kuyper.

25 Abraham Kuyper’s Commentatio (1860). The Young Kuyper about Calvin, a Lasco, and the Church, ed. by J. Vree and J. Zwaan, ii, Leiden/Boston 2005, [21], [283].

26 ‘De eerste kerkvergaderingen’, 76; ‘De eeredienst’, 90, 110.

27 Wat moeten wij doen?, m.n. 8-10, 16.

28 J. Vree, ‘The Marnix-Vereeniging: Abraham Kuyper’s first national organisation (1868-89)’, Dutch Review of Church History 84 (2004), 388-475, m.n. 417.

29 Kuyper had Sardemann benaderd om gegevens inzake archivalia te Wezel; [G.] Sardemann aan A. Kuyper, 20 okt. 1868; Arch. Kuyper vin 76; Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden), Amsterdam. Kuyper, ‘Bedestond op den Hervormingsdag, tevens gedenkdag der synoden van Wezel en Dordt. 1568-1618- 1868’; Zestal leerredenen, (30)-(58), m.n. 41. S. van Velzen, Wittenberg-Wesel-Dordrecht, Kampen 1868; vgl. Spohnholz, 177.

30 J. Vree, Kerk, huis, school en staat. Leven, werk en vriendenkring van P. Hofstede de Groot (1844-1886), Hilversum 2017, 544-546, 576-578, 589v. Zie voor de aanbeveling van het twaalftal, waartoe naast De Groot o.m. R. Fruin behoorde: Vree, ‘Marnix-Vereeniging’, 423.

31 Vree, ‘Marnix-Vereeniging’, 416, 419v., 447-449, 452-454, 456, 459-461.

32 Vree, ‘Marnix-Vereeniging’, 461-465.

33 Acta van de Nederlandsche synoden der zestiende eeuw, ’s-Gravenhage 1889, 1-8, 36-41. Zie voor Rutgers’ misvatting inzake Trigland: Van Dooren, ‘Gedenkschrift und Kopien’, 56.

34 A.F. de Savornin Lohman, F.L. Rutgers, De rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken. Met volledige repliek aan C. Segers, Kleyn, Gooszen enz., Tweede, veel vermeerderde, uitgave, Amsterdam 1887, 18v., 51, 55, 65, 193.

35 De geldigheid (…), Amsterdam 1890, o.a. 9,11, 14v. Ecclesiae Londino-batavae Archivum ii. Epistulae et tractatus cum Reformationis tum Ecclesiae Londino-Batavae historiam illustrantes (1544-1622), ed. J.H. Hessels, Cantabrigiae 1889.

36 Verklaring van de Kerkenordening van de Nationale Synode van Dordrecht van 1618-1619. College-voordrachten over het Gereformeerd Kerkrecht, bew. en uitg. door J. de Jong. (Deel iv, Artt. 71-86. Van de Censuur en Kerkelijke Vermaning), Rotterdam 1918 [Niet verder verschenen; N.B. De Jongs register gebruikt ‘Convent’]. Kerkelijke adviezen, i-ii, Kampen 1921-1922, m.n. i, 238, 247; ii, 108.

37 Kerkelijk handboekje bevattende de Bepalingen der Nederlandsche Synoden en andere stukken van beteekenis voor de Regeering der Kerken, Kampen 1905, (3-5). Zie voor het ontstaan van de gkn, de dko 1905, en de rol van F.L. Rutgers, Biesterveld en H.H. Kuyper daarbij: J. Vree, ‘Hoe de citadel ontstond. De consolidatie der Vereniging 1892- 1905’, in: C. Augustijn, J. Vree, Abraham Kuyper: vast en veranderlijk. De ontwikkeling van zijn denken, Zoetermeer 1998, 200-242.

38 J. de Jong, ,*Rotterdam 29 maart 1872, †Enschede 22 juni 1928. Stud. vu 1890/91 (no. 126), prop. 1891, cand. 1895, doct. 1897, kand. 1898, Loppersum 23 okt 1898, Winsum 30 juli 1911, prom. 26 juni 1911, 1919 bed. neergelegd. Joh. de Haas, Gedenkt uw voorgangers iii, Haarlem 1984, 115v. https://www. wiewaswie.nl._http://www. geheugenvandevu.nl/application/files/2315/1610/7955/ Studenten_Gegevens_1880_ tot_1940_jan_2018.pdf.

39 De voorbereiding en constitueering (…). Historische studiën over het Convent te Wezel (1568) en de Synode te Emden (1571). Eerste gedeelte, Groningen 1911 [niet verder verschenen], (vii-ix), (xiii)-xx (literatuur), 234v. Spohnholz, 194v. De bewuste bundel (Spohnholz, 221v.) werd in 1877 niet aangekocht door Schotel (zo Spohnholz, 180), maar door de kb en in 1906 ondergebracht bij de Hss.-collectie (thans: 131 G 45). Meer over de bundel bij Van Dooren, ‘Gedenkschrift und Kopien’, 56v., en Spohnholz, 222 (Fig. 8.2: Dordtse afschrift ingebonden bij Kercken-ordeninghen ed. 1612!).

40 Voorbereiding en constitueering, 52-54, 73-210 (m.n. 88, 193-204), Stellingen. Vgl. ‘… den 3 en Nov. … door betrekkelijk veelen geteekend’ en ‘Indien het stuk voor latere onderteekeningen nog heeft moeten reizen, is het blijkbaar altijd goed behandeld geworden’; Rutgers, Acta, 1, 7.

41 Voorbereiding en constitueering, (ix), 237-242.

42 Rutgers, Acta, 1v., 39. Van Schelven, ‘Het autographon (…)’, NAK IX (1912), 165-183, m.n. 167-170, 181v.; ‘Moded’, NNBW iii, 862-874, m.n. 873. Zie voor A.A. van Schelven (1880- 1954), zoon van de pres.-curator van de vu, prom. op De Nederduitsche vluchtelingenkerken der XVIe eeuw in Engeland en Duitschland in hunne beteekenis voor de Reformatie in de Nederlanden (’s-Gravenhage 1908), die vanaf 1918 een nieuwe leerstoel alg. en vaderlandse geschiedenis (M.E. en tijd der Reformatie en Contrareformatie) zou bekleden: BLGNP ii, 386-389 en Spohnholz, 82 (Austin Friars), 112, 131, 150, 183, 195v.

43 Nauta, ‘Wezel en Emden’, 35.

44 Die Beschlüsse des Weseler Konvents von 1568 [Faksimile der Hs.], hrsg. (…) von J.F.G. Goeters, Düsseldorf 1968; dezelfde, ‘Der Weseler Konvent niederländischer Flüchtlinge vom 3. November 1568’, in: Stempel e.a., Weseler Konvent, 88-114, m.n. 88.

45 J.J. Woltjer, ‘De politieke betekenis van de Emdense Synode’, in: Nauta e.a., Synode Emden, 22-49, m.n. 42v. Die Beschlüsse des Weseler Konvents von 1568 [Faksimile der Hs.], hrsg. (…) von J.F.G. Goeters, Düsseldorf 1968. H. van Nierop, ‘Jan Juliaan Woltjer Leiden 24 januari 1924 – Oegstgeest 20 april 2012’, Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 2013-2014, 208-217, m.n. 208-212. Vgl. Spohnholz, 202, 216.

46 Spohnholz, 8, 11, 173v., 177, 183 (n. 32). Zie voor herdenkingscultuur: o.a. P. Hofstede de Groot, ‘Het feest der Kerkhervorming’, Waarheid in Liefde (WiL) 1867, 719-736, en A. van Toorenenbergen, ‘Heiligerlee-litteratuur’, WiL 1869, 356-375. F. Groot, ‘Vlaggen in top en stenen door de ruiten. De natie in de steigers, 1850-1940’, in: J.C.H. Blom, J. Talsma (red.), De verzuiling voorbij. Godsdienst, stand en natie in de lange negentiende eeuw, Amsterdam 2000, 171-200. Vree, Kerk, huis, school en staat, 514, 530, 532v., 544-546. Zie voor Th.J. Haitjema’s bijdrage van 1925: Nauta, ‘Wezel en Emden’, 36-38.

47 Spohnholz, 7, 121. Vgl. Cambridge University Press: ‘Appropriately, this book offers not just a fascinating snapshot of Reformation history but a reflexion on the nature of historical inquiry itself’; Spohnholz, (i).

48 Spohnholz, 200, 219-228, J.P. van Dooren, ‘Voorbereiding en deelnemers’, in: Nauta e.a., Synode Emden, 75-87, m.n. 75. Het Arch. J.P. van Dooren berust op dit moment bij de Theol. Faculteit vu.

49 Zie voor Van Doorens verklaring van 1982 en die van O. Boersma (de artikelen zouden stammen van een voorbereidende bijeenkomst voor Emden in de zomer van 1571) van 1994: Spohnholz, 204-212.

50 ‘I cannot point to any specific piece of evidence that proves beyond doubt that Dathenus wrote these articles’; Spohnholz, 57. Hetzelfde geldt voor het recente onderzoek naar de relatie tussen Datheen en het Wilhelmus; zie: https:// www.meertens.knaw.nl/cms/ nl/nieuws-agenda/nieuws- overzicht/231-2016/145026- onderzoekers-werpen-metde-computer-nieuw-licht-opauteurschap-wilhelmus.

51 Spohnholz, 56, 64 (n. 71), 220.

52 Spohnholz, 70-82. De Jong, Voorbereiding en constitueering, 198v.

53 Na de lezing konden de organisatoren der bijeenkomst, prof. dr. M.G.K. van Veen en prof. dr. A.A. den Hollander, die reeds wisten van mijn voorstel, meedelen dat een dergelijk onderzoek inderdaad zal plaatsvinden.

54 Zie Ioannis Calvini epistolae. Volumen I (1530- sep. 1538), ediderunt C. Augustijn, F.P. van Stam (…), Genève 2005, (9), 381, 467.

Dit artikel werd u aangeboden door: Archief en Documentatiecentrum van de Gereformeerde kerken in Nederland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 2018

DNK | 106 Pagina's

Van L.G. van Renesse tot D. Nauta (1664-1961)

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 2018

DNK | 106 Pagina's

PDF Bekijken