Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De vermeende geschiedenis van een katholieke Statenbijbel

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De vermeende geschiedenis van een katholieke Statenbijbel

Handen af van onze geschiedenis! of pleidooi voor een netwerk van Historische Advies Centra’s

20 minuten leestijd

Het is passend dat deze boekbespreking niet in de rubriek recensies is geplaats maar opgenomen is in de rubriek Mengelwerk. Mijn lezen van het boek zette mij niet zozeer aan tot een bespreking als wel tot een pleidooi. Aanleiding is de historische roman van de Harense journalist Hein Bloemink. Hij treedt met zijn eerste roman in de voetsporen van Willem Frederik Hermans, de architectuurhistoricus Auke van der Woud en schrijver van literaire thrillers Mariëtte Zweers, allen welbekende auteurs die met het Groningse Haren verbonden zijn.

Diefstal

Het verhaal dat Hein Bloemink schreef begint op 4 maart 2019 (u leest het goed). Dan zal het Katholiek Documentatie Centrum van de Radboud Universiteit te Nijmegen een telefoontje krijgen van een ‘welbespraakte oude dame uit Haren’, het fraaie villadorp onder de rook van de stad Groningen. Het kdc, gehuisvest in een gebouw dat er uitziet ‘als een partijbureau in het vroegere Oost-Duitsland van Erich Honecker’, is de werkplaats van de in het boek opgevoerde archivaris Sjef Raemaeckers, die zich bezighoudt met het ontsluiten van historisch materiaal ‘uit de periode 1790-1800’. Het telefoontje komt Raemaekers niet echt goed uit, want hij was net met ‘zijn autistische routine’ aan de slag gegaan. Deze ‘stoffige archivaris’ – in veler ogen een tautologie – krijgt bijzonder nieuws te horen: de dame heeft in de nalatenschap van haar vader in een ebbenhouten kist een ‘katholieke Statenbijbel’ gevonden. In het Bijbelboek Exodus zaten bovendien twee brieven opgeborgen. Een uit 1589 en een uit 1624. De Harense dame heeft blijkbaar geen moeite met het transcriberen van het oude schrift en weet te vertellen dat de brief uit 1589 geschreven is door Florentina Renghers, zuster in het vlak ten zuiden van Groningen gelegen klooster Yesse. Zij schrijft over de twijfels waarmee zij en veel van haar medekloostergenoten op dat moment worstelen. De tweede brief gaat over een diefstal uit het klooster. Raemaekers weet het zo te regelen dat de katholieke Statenbijbel voor een vergoeding van €1.800,- in het Statenbijbelmuseum te Leerdam ten toon wordt gesteld.

Merkwaardig genoeg doet het feit dat de rooms-katholieken ook een Statenbijbel hebben uitgegeven weinig stof opwaaien. Alleen journalist Bart Bos en rechercheur Leo Stadman uit Groningen hebben er belangstelling voor. De laatste mede omdat zijn nicht Annemiek archeologie heeft gestudeerd en opgravingen bij het voormalige klooster Yesse heeft gedaan. Samen gaan zij naar de Groninger Archieven – waar zij worden geholpen door ‘een gortdroge archivaris die naar zweet ruikt’ – om meer over de achtergronden van de brieven te weten te komen. Een ding is de lezer dan al duidelijk: archivarissen moeten toch eens wat doen aan hun imago. Des te meer omdat op blz. 188-189 het archiefpersoneel zo onnozel is een man met een leren tas toe te laten tot de charterzaal en hem alleen te laten met een oorkonde uit 1223, zodat hij die heel eenvoudig kan verwisselen voor een vervalsing.

Het verhaal krijgt een wending als Bos, Stadman en nicht Annemiek op het lumineuze idee komen dat de onteigening van alle kerkelijke- en kloostergoederen, die op de Reductie van 1594 volgde, wel eens onrechtmatig zou kunnen zijn. Ze lichten de provinciaal archeoloog Harry Kompier in, die op zijn beurt contact opneemt met de advocaat Nout Kreek. Hij is ‘van het type vuurvreter’ en heeft ‘de overtuiging dat ieder gelijk te halen is, mits goed bepleit’. Kompier legt de vraag voor: ‘of je uit een zaak van 420 jaar geleden nog miljoenen kunt slepen’. Hij verduidelijkt zijn vraag door de achtergrond van zijn verzoek als volgt in te kleden (blz. 61):

Dat in 1594 katholiek Europa onder de voet werd gelopen door het protestantisme. Beeldenstorm en reformatie. Calvijn en Luther. Een tijd waarin Nederland verkeerde in chaos en wetteloosheid, toen krijgsheren nog regeerden met hun kanonnen en de Tachtigjarige Oorlog gaande was. Om het land van dat juk te bevrijden werden nieuwe bestuursvormen uitgeprobeerd. De soevereine Provinciale Staten werden bedacht als bestuursmodel.

Zijn conclusie is dan: ‘De kersverse provincie heeft in 1594 de kloosters gewoon beroofd (…) volgens mijn moraal is dat dus diefstal. En jij gaat ze aanklagen’. Het is onteigening zonder rechtsgrond. De kloosters vielen onder de Heilige Stoel en het pauselijk gezag en dus is het Vaticaan is nog dezelfde rechtspersoon als toen. Kreek zal namens het Vaticaan de Provinciale Staten van Gro-ningen aanklagen en een schadeloosstelling eisen van 3,1 miljard euro, want zoveel is al de grond inmiddels waard.

Het Vaticaan ziet de claim wel zitten en gaat met Kreek in zee. Maar er zijn meer mensen, die wel een graantje mee willen pikken. En zo komen de maffia en Amsterdamse criminelen in beeld. Maar ook de direct betrokkenen hebben zo hun eigen ideeën wie er van het vele geld moet profiteren. De Nederlandse Staat is echter niet erg blij met de megaclaim en schakelt de aivd in om de schade te beperken. Dat betekent dat de gebeurtenissen over elkaar heen gaan buitelen, geweld niet wordt geschuwd en zelfs enige romantiek om de hoek komt kijken. Wie van fantasythrillers houdt en meegaat met het verhaal, zal zeker enige genoeglijke uurtjes beleven bij het lezen van dit boek.

Spijkers op laag water?

Of Bloemink een goede thriller heeft afgeleverd laat ik aan het oordeel van deskundigen over. Bij de historische betrouwbaarheid zijn vraagtekens te plaatsten, dat heeft bovenstaande hopelijk wel aangetoond. Doorlopend treft men anachronismen aan. Soldaten lopen met ‘geweren’ en ‘pistolen’ rond, worden de volgelingen van Maarten Luther en Johannes Calvijn ‘opstandelingen’ in plaats van ketters genoemd en zijn Calvijn en Luther ‘de gangmakers van de Beeldenstorm’ Soms worden essentiële zaken voor het gemak maar weggelaten, immers klooster Yesse viel onder de nog bestaande Cisterciënzerorde, zodat het beslist niet logisch is dat de paus eigendomsrechten kan laten gelden.

Klein bier kan men zeggen, maar ook op een dieper niveau vallen er vragen te stellen. Verschillende malen neemt Bloemink de lezer mee naar de tijd – circa 1590 – waarin zuster Florentina leefde en haar overwegingen weergeeft om het klooster te verlaten. De in die tijd actuele thema’s over de Reformatie, pauselijk gezag, aflaten en de eucharistie spelen geen rol. En namen als Luther en Erasmus of Wessel Gansfort worden niet genoemd. In een soort geestelijk testament komen haar overwegingen naar voren. Zij bekent dat zij geld heeft gestolen en verborgen, om daar later goed werk mee te doen. Ook had zij anderen aangespoord in opstand te komen tegen het kloosterregime en te ontsnappen, net zoals zij gedaan had. Haar moeder was haar grote inspiratiebron. Van haar had zij geleerd (blz. 51-52):

Mijn geest altijd vrij te laten vliegen als een zwaluw en te leren houden van mijn eigen gevoelens (…) De weerzin die ik voelde groeien bij de rol die het klooster speelt in de wereld heb ik dus niet weggestopt, maar juist laten bloeien als een bloem. (…) Ga goede werken verrichten, help hongerigen aan voedsel, armen aan geld en zwervers aan een dak. Help de wereld.

Nu heb ik niet veel verstand van kloosterspiritualiteit, maar koppel dergelijke gedachten meer aan onze tijd van zelfverwerkelijking dan aan de kloostergeloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. Het helpen van armen en nooddruftigen is natuurlijk een element van de caritas, maar zoals het hier geformuleerd wordt past het toch beter bij de mentaliteit en idealen van een Oxfam-Novib ontwikkelingswerker, dan een laatmiddeleeuwse religieuze.

Zoek ik spijkers op laag water? Misschien wel. Maar ter mijner verdediging: in het boek stelt rechercheur Leo Stadman: ‘Ik heb me heel goed verplaatst in het denken van deze vrouw, die non’. (blz. 59). Dan mag men van de auteur verwachten dat ook gedaan te hebben. Bovendien verleent het boek zichzelf ook een zekere historische status. Er is een epiloog, waarin in het kort de geschiedenis van het klooster Yesse uit de doeken gedaan wordt. Over de realiteitswaarde van de plot, krijgt hoogleraar kerkgeschiedenis aan de vu te Amsterdam en tu te Kampen, Erik de Boer het woord. Veel meer dan ‘interessant scenario’ weet hij er ook niet van te maken. De beoordeling van het plot lijkt me overigens meer iets voor een rechtshistoricus met een rooms-katholieke achtergrond en met kennis van het burgerlijk en canoniek recht. Maar misschien kunnen het Katholiek Documentatie Centrum en het toekomstig hoofd Sjef Raemaeckers – mocht het tot een tweede druk komen – nog hun diensten verlenen. Het boek sluit af met een verklaring dat Bloemink mr. W.A. Verbeek heeft geraadpleegd over de mogelijkheden en onmogelijkheden van de – fictieve – claim. Omdat diefstal na twintig jaar verjaart, adviseert hij de weg via boek 3 van het Burgerlijk Wetboek artikelen 84 en 89 te volgen. Die hoeft ‘niet geheel kansloos’ te zijn. Er staat ons land dus wellicht nog wat te wachten, wanneer men in het Vaticaan onverhoopt deze thriller leest.

Het Historisch Advies Centrum

Een beetje flauw niet, een goedwillende amateur vanuit de ivoren toren van de wetenschap zo af te kraken. Wees blij dat zo interesse voor de lokale geschiedenis wordt gewekt. Zou het mij alleen om het boek van Bloemink gaan, dan had ik een heel ander verhaal geschreven. Op dit moment echter verdiep ik mij veel in lokale geschiedenis en lees menige, meestal door amateurhistorici geschreven en samengestelde boeken. Vaak weten deze schrijver veel boeiend en belangrijk materiaal over dorp, streek of stad boven water te krijgen. Geen kwaad woord daarover.

Maar waar het gaat om die informatie in de bredere context te plaatsen van de bovenlokale, nationale of internationale geschie-denis gaat er nogal eens wat mis. Om het bij de kerkgeschiedenis te houden, is het eenvoudig een staalkaart van fouten, vergissingen en misinterpretaties op te stellen. Het verschil tussen calvinisten, luthersen of doopsgezinden is verschillende schrijvers vaak niet duidelijk, van jaartallen en chronologie wordt nogal eens een potje gemaakt, rooms-katholieken blijken opeens in het protestantse kamp terecht te zijn gekomen en andersom en historische begrippen worden verkeerd of willekeurig gehanteerd. Iedereen die wel eens een lokale of regionale geschiedenis doorneemt zal dit wel herkennen. Van het signaleren en naar buiten brengen, zoals in dit stukje verwacht ik niet veel. Ik ben bang dat het in de sfeer van de tegenstelling tussen amateur- en academische wetenschap geplaatst zal worden. Het kan opgevat worden als: handen af van onze – de door professionals geschreven – geschiedenis.

Daarom lijkt mij een positieve insteek veel meer op te kunnen leveren. Want mijn mening blijft dat geschiedenis – ook als het historische fictie is – in elk geval op feitelijk niveau moet kloppen. Daarom stel ik voor Historische Advies Centra (hac) in het leven te roepen, die amateurhistorici en schrijvers van fictie met een historische component van advies kunnen dienen bij hun werk. De hac’s kunnen vragen beantwoorden op dit terrein, adviezen geven en manuscripten doornemen. De Rijksarchieven zouden deze taak wat de lokale geschiedenis betreft op zich kunnen nemen. En gespecialiseerde instituten zoals het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme en het Katholiek Documentatie Centrum, zouden op hun terrein kunnen meewerken. Andere gespecialiseerde instituten – zoals het niod – en musea zouden hun expertise kunnen inzetten. En waarom geen universiteiten inschakelen? Veel geschiedenisstudenten zullen het onderwijs in gaan. Beoordeling van werkstukken en scripties zal een belangrijk onderdeel worden van hun bestaan. Goed om daar onder begeleiding alvast mee te oefenen.

Er is nog een argument om hac’s van de grond te tillen. Het valt mij in gesprekken heel erg op hoe weinig mensen weten van hun lokale of regionale geschiedenis. Bij de geschiedenisles is er ook weinig of geen aandacht voor. Mijn ervaring is dat het vertellen over lokale geschiedenis juist heel erg stimulerend is om gevoel en belangstelling voor geschiedenis in het algemeen te ontwikkelen. hac’s zouden daarbij stimulerend, coördinerend en misschien wel uitvoerend kunnen optreden.

Maar dat kost menskracht en tijd, hoor ik al roepen. Dat is nu eenmaal niet anders. Beoefenen en genieten van cultuur kost nu eenmaal tijd, geld en inzet. Het is maar waar de prioriteiten gelegd worden.


Hein Bloemink, Verborgen erfenis van klooster Yesse. Meedogenloze jacht op miljoenen, Elikser B.V. Uitgeverij, Leeuwarden 2017, 250 pp. isbn 9789089549631. €18,50

Dit artikel werd u aangeboden door: Archief en Documentatiecentrum van de Gereformeerde kerken in Nederland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 2018

DNK | 4 Pagina's

De vermeende geschiedenis van een katholieke Statenbijbel

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 2018

DNK | 4 Pagina's

PDF Bekijken