Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

¶ George Harinck en Wim Berkelaar, Domineesfabriek. Geschiedenis van de Theologische Universiteit Kampen. Uitgeverij Prometheus, Amsterdam 2018, 682 pp. isbn 978 90 351 4387 6. €49,99.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

¶ George Harinck en Wim Berkelaar, Domineesfabriek. Geschiedenis van de Theologische Universiteit Kampen. Uitgeverij Prometheus, Amsterdam 2018, 682 pp. isbn 978 90 351 4387 6. €49,99.

12 minuten leestijd

Of dit een boek is geworden ‘vanuit het perspectief van de seculier geworden cultuur’, zoals aangekondigd in de inleiding? Daarop valt wel iets af te dingen. In deze met vaart en kennis van zaken geschreven studie gaat het over een instituut dat met nadruk ánders dan de omringende wereld wilde zijn: de predikantenopleiding van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt. Domineesfabriek concentreert zich op onderwijskundige aspecten, de rol van de personen wordt strak verbonden aan de kaders van het instituut. Titels als Hulpeloos maar schuldig en Door de glazen deur, van hoogleraarsdochter Aleid Schilder, komen in de literatuurlijst niet voor. Een ander opvallend aspect is een zekere strengheid van het boek tegenover het beschreven milieu. Ondanks de functies die Harinck bekleedt aan de beschreven universiteit is het boek geen oratio pro domo geworden. Eerder het tegendeel daarvan, zoals historici uiteraard past. De afstandelijke toon is niettemin opvallend. Maakt deze kritische houding jegens naaste geestverwanten wellicht onderdeel uit van de traditie van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt? Opmerkelijk is in ieder geval dat Harinck en Berkelaar, als goede bekenden van protestants Nederland en zeker ook van de Kamper Broederweg, in menig geval scherper oordelen dan die buitenstaander geneigd zou zijn te doen. Die vreemdeling zou wellicht eerder geneigd zijn om de talrijke strubbelingen binnen de Theologische Universiteit Kampen (tuk) als een interne aangelegenheid op te vatten, om zich in plaats daarvan te beperken tot wat ondanks (of wellicht zelfs: dankzij) de uitvoerig uit de doeken gedane kinnesinne werd bereikt. En dat rendement is, zo laat Domineesfabriek overtuigend zien, per saldo positief.

Deze kleine instelling demonstreert wat er met een combinatie van levensbeschouwelijke overtuiging, financiële offerbereidheid en professionaliteit mogelijk is. Zelfs voor wie zich aan de periferie van de macht en van het nationale establishment bevindt. In dit verband kan tevens gedacht worden aan de brede maatschappelijke waardering voor het functioneren van achtereenvolgens het Gereformeerd Politiek Verbond en de Christen Unie. Terugblikkend vanuit het alter ego van de ‘Domineesfabriek’, namelijk de gereformeerde Theologische Universiteit Kampen (thuk) aan de Oudestraat, koester ik enkel goede herinneringen aan de Broederweg: aan de welvoorziene bibliotheek daar, aan haar steevast behulpzame staf; aan plezierig collegiaal contact en samenwerking op het terrein van de kerkgeschiedenis. Dit soepele contact met de buitenwacht (wellicht bevorderd door een zekere afstand daartoe) maakt des te nieuwsgieriger hoe Harinck en Berkelaar de hoge graad van onderlinge frictie verklaren binnen de senaat en het docentencorps van de tuk. Een mogelijke verklaring is dat de haast buitensporige aandacht voor ruzie en ‘affaires’ kan samenhangen met de manier van communiceren en archiveren. Zoals de auteurs terecht opmerken, vond de kerkelijke Vrijmaking plaats in bezettingsomstandigheden waarin alleen binnen de kerk nog vrij debat mogelijk was. Dat debat kwam er dan ook, waarbij door beide partijen in kerkordelijke discussies een hartstocht betracht werd die achteraf een neveneffect lijkt van een uitzonderlijk tijdsgewricht. Waarin emoties tot uitbarsting kwamen die elders werden gesmoord of strak aan de teugels gehouden. Zo werd het in terugblik zeker door de Gereformeerde Kerken synodaal gezien. Maar niet door het hier beschreven instituut. H.J. Schilder wijdde alleen al aan de kerkstrijd in Bergschenhoek en zijn eigen rol daarin een studie van meer dan vijfhonderd pagina’s. Doordat de Vrijmaking aan de Broederweg tot een paradigma verheven werd, bleef de daarmee verbonden stijl van discussiëren ongewijzigd. Daarbij valt in de kerkhistorische literatuur (waarop Domineesfabriek geen uitzon-dering vormt) op dat consequenties voor families en plaatselijke gemeenschappen minder aandacht krijgen dan de kerkordelijke en theologische discussies. Die gingen als het ware een eigen leven leiden. Ze leverden zo het model voor wat na 1944 nog komen ging, met de afscheiding van de buiten-verbanders (nadien Nederlands Gereformeerden Kerken) in 1967 als culminatiepunt.

De auteurs verhalen tot in detail tot welke hoogten de stafleden aan de Broederweg de onderlinge psychologische druk lieten oplopen. Voor de buitenwacht had dat, zoals gezegd, geen consequenties. Die kon de geschillen gevoegelijk negeren. Scherpe kritiek en bittere verwijten kwamen in de jaren vijftig en zestig van binnenuit, van naaste collega’s en bekenden. Ds. Wopke de Boer, die Schilder in Den Haag in datzelfde jaar 1944 nog de acte van Wederkeer en Afscheiding had horen voorlezen, noemde dat op zijn oude dag in 2002 een geestelijk klimaat ‘van elkaar de maat nemen’. Een verrassende uitkomst van het onderzoek voor Domineesfabriek is dat deze adat blijkbaar niet werd ingegeven door animositeit maar door idealisme. Berkelaar en Harinck benadrukken terecht dat de door K. Schilder geleide reformatorische beweging van de jaren dertig de geestelijke grondslag vormde voor wat later de tuk zou worden. Die beweging krijgt bij L. de Jong vooral aandacht in de Nederlandse zomer van 1940. Het was hét moment dat de gaven en scherpte van pen van ‘ks’ in De Reformatie optimaal tot hun recht kwamen, en hij kortstondig uitgroeide tot een figuur van nationale importantie. Schilder behoorde op dat moment tot de weinigen die zonder mitsen en maren durfden te schrijven dat tegen wet en geweten indruisende bevelen door overheidsambtenaren geweigerd dienden te worden.

Hoezeer deze verzetshouding inspireerde blijkt uit in het boek genoemde voorbeelden als van lector klassieke talen J. Dam en anderen. Zó wilde de vrijgemaakt gereformeerde opleiding blijkbaar ook na de bezetting blijven functioneren: scherp, dapper, consequenties trekkend, compromisloos. En aldus tot heil des volks. Een principiële houding werd als gezonder voor de mens beschouwd dan het compromis. In de polemiek kwam kortom veel liefde mee. Een toon die ook onderling werd gebruikt, en waar de nadrukkelijkheid waarmee eerdere coryfeeën als H.J. Schilder, J. Kamphuis en D.K. Wielenga op hun tekortkomingen gewezen worden in Domineesfabriek nog een echo van lijkt te vormen. De paradox (om een door Schilder graag gebezigde uitdrukking te gebruiken) was dat het effect van polemiek in de stijl van ks in bevrijd Nederland het omgekeerde leek van dat in 1940. Waar Schilders antwoord op de Duitse inval deel werd van de nationale geschiedenis, verloor diezelfde argumentatiestijl bij terugkeer naar een democratie al snel elke relevantie voor iedereen die niet tot de vrijgemaakte Gereformeerde Kerken behoorde. Harinck en Berkelaar demonstreren aan de hand van menig voorbeeld dat de buitenwereld de aan de Broederweg ontwikkelde vaardigheden maar al te goed kon gebruiken. De hoekige argumentatiestijl, die Harinck en Berkelaar haarfijn uit de doeken doen, had zeker ook constructieve kanten. Aanleg voor organisatie en een gestaald vermogen om ruzies te verduren hoorden daar allebei bij. Maar zeker ook een hoog niveau van competentie, bijgebracht door bekwame docenten als J.P. Lettinga. Anders dan vaak aangenomen, vormde de ‘Domineesfabriek’ in dat opzicht geen enclave – het daar ontwikkelde talent kon desgewenst ook elders terecht. Het voortgaande zoeken naar de eigen identiteit, waar dit boek mee besluit, kan dan ook worden samengevat als een streven om de aansluiting aan de samenleving te hervinden. Niet om daarin op te gaan (de gevreesde assimilatie), maar om er een principiële en constructieve bijdrage aan te leveren. Zoals in 1940, maar dan niet met een misdadige dictatuur maar met secularisme en democratie als voornaamste achtergrondkaders. –

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 2018

DNK | 4 Pagina's

¶ George Harinck en Wim Berkelaar, Domineesfabriek. Geschiedenis van de Theologische Universiteit Kampen. Uitgeverij Prometheus, Amsterdam 2018, 682 pp. isbn 978 90 351 4387 6. €49,99.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 2018

DNK | 4 Pagina's

PDF Bekijken