Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gezag in het geding?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Gezag in het geding?

Een verkenning van de handelingsruimte van onderwijsbestuurders 1

5 minuten leestijd

Door decentralisatie en deregulering hebben schoolbesturen de afgelopen decennia meer verantwoordelijkheden en meer vrijheden gekregen. Tegelijkertijd is de ruimte die ze hebben om te besturen, beknot door invoering van medezeggenschap, voorgeschreven overleggen met belanghebbenden en zorgplichten. Is de bevoegdheid van schoolbestuurders inmiddels te ver ingeperkt?

achtsdeling en autonomie passen prima bij reformatorische scholen (zie DRS april 2019). Sterker nog, machtsdeling is een Bijbels principe dat als een waarborg werkt om autonomie te laten functioneren. Het begrip autonomie kan echter gemakkelijk verwarring oproepen. We kennen het in de context waarin het wijst naar de situatie waarin de mens zijn eigen norm is: auto nomos. Dat is niet de autonomie waar het hier over gaat. Het gaat hier om bestuurlijke autonomie; ruimte om te handelen overeenkomstig de eigen principes, binnen het kader dat de overheid aangeeft. Het is te vergelijken met soevereiniteit in eigen kring, een leidend principe in het gereformeerde denken over de relatie tussen overheid en samenleving. De vraag is dan: heeft een schoolbestuurder voldoende ruimte om de keuzes te kunnen maken die passen bij de grondslag en doelstellingen van de schoolorganisatie?

Beeldvorming

Onderwijsbestuurders hebben de beeldvorming tegen. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) schreef in 2015: 'Bestuurders van semipublieke organisaties kunnen heel veel zelf bepalen zonder noemenswaardig weerwerk vanuit de organisatie. Dat is het beeld dat oprijst uit onderzoeken naar recente ontsporingen bij woningcorporaties, onderwijs- en gezondheidszorginstellingen. Veel van die ontsporingen zijn niet, of niet alleen, te wijten aan bewust malafide gedrag van bestuurders, maar vaak ook aan een gebrek aan tegenspraak tegen al te bevlogen bestuurders.’ De WRR pleitte dan ook voor versterking van het interne weerwerk en benoemde drie verdedigingslinies. De eerste gaat over collegiaal bestuur: zorg dat de macht niet bij één bestuurder ligt. De tweede verdedigingslinie betreft de intern toezichthouder: organiseer interne bestuurlijke tegenspraak. De WRR concludeerde echter dat dit onvoldoende is gebleken en suggereerde daarom een derde verdedigingslinie, namelijk de positionering van derde partijen, zo mogelijk met formele bevoegdheden.

Dat advies heeft de wetgever opgevolgd: in 2017 kreeg de medezeggenschapsraad (MR) een gelijkwaardiger positie naast de toezichthouder en bestuurder. Er zijn nog andere voorstellen in de maak om de MR en het personeel meer bevoegdheden te geven, zoals het verlenen van instemmingsrecht aan de MR op de hoofdlijnen van de begroting.

Begrenzing

Mr. dr. Martijn Nolen beschrijft in zijn proefschrift over de juridische positie van de onderwijsbestuurder (2017) aan de hand van drie ontwikkelingen het spanningsveld rond die bestuurder. Ten eerste is er de al genoemde deregulering, de decentralisatie van financiële beslissingsruimte en de autonomievergroting, die de professionele bestuurder in positie hebben gebracht. Ten tweede geeft de overheid blijk van een behoefte aan - vaak op de persoon van de bestuurder gerichte - daadkracht en risicovermijding. Dit spanningsveld wordt ten derde nog complexer door de samenwerkingsverplichtingen waartoe het overheidsbeleid noodzaakt.

De jurist concludeert dat 'de begrenzing van de autonomie van de bestuurder de afgelopen dertig jaar is toegenomen doordat onderwijsorganisaties aan meer en fijnmaziger zorgplichten hebben te voldoen, onderwijsorganisaties afhankelijker zijn geworden van hun bestuurlijk netwerk, het intern en extern toezicht op het individuele functioneren als bestuurder is toegenomen en er meer aandacht is voor zijn bestuurlijk draagvlak.’

Nolen stelt niet dat er te weinig bestuurlijke handelingsruimte is. Wel bevestigt hij het beeld dat onderwijsbestuurders een deel van hun bestuurlijke autonomie hebben verloren aan derden. Ze handelen in een ingewikkeld web van maatschappelijke organisaties, medezeggenschapsraden, inspectie, intervisies et cetera.

Confticterende belangen

Is de bestuurlijke autonomie inmiddels dan inderdaad te veel beperkt? Prof. dr. Paul Zoontjes schrijft in zijn handboek Onderwijsrecht (2019) vanuit een constitutioneel perspectief over de positie van het schoolbestuur. Hij spreekt positief over de ontwikkeling van medezeggenschap en de versterking van de positie van belanghebbenden om de school.

Tegelijk benadrukt hij dat de onderwijswetgeving zodanig is ingericht dat het schoolbestuur - als drager van de onderwijsvrijheid - de eindverantwoordelijkheid draagt, de doorslag geeft en de orde handhaaft bij conflicterende belangen. Zaken als medezeggenschap en de positie van belanghebbenden zijn juridisch ondergeschikt aan de bevoegdheid van schoolbesturen om de besluiten te nemen. Zoontjes acht deze positie van het bestuur ook nodig om rust en stabiliteit in de school te waarborgen.

Verticaal

Om gezag te kunnen dragen zoals de Bijbel dat beschrijft, zijn bevoegdheden en eindverantwoordelijkheid noodzakelijk. In die zin kan de vraag of er nu sprake is van on-Bijbelse verhoudingen ontkennend worden beantwoord worden.

Nolens analyse maakt wel duidelijk dat de eindverantwoordelijkheid aan allerlei bepalingen gebonden is. Is dat erg? In het vorige artikel (april 2019) zagen we dat verantwoording afleggen en toezicht houden voluit Bijbels zijn. Een bestuurder wordt ook geroepen zich te verantwoorden over het hem verleende gezag. In de eerste plaats verticaal, aan God, Die het gezag verleende. Daarnaast ook horizontaal. Schoolbestuurders zitten er niet voor zichzelf. Tot zover geen probleem. Maar het publieke debat over de macht van (onderwijs) bestuurders staat niet stil. Als gevolg van incidenten blijft de politiek-bestuurlijke neiging om incidenten met regels te bestrijden zich herhalen.

Daarbij wordt het debat bij vlagen ook heel ideologisch gevoerd. Voorstellen over de (mede)zeggenschap van leerkrachten en ouders worden vanuit het gelijkheidsdenken gemotiveerd. En dat baart zorgen.

De grens tussen zeggenschap en medezeggenschap is flinterdun geworden. Als deze ontwikkeling doorzet, kan de balans doorslaan naar de verkeerde kant. Dat een bestuurder zó afhankelijk wordt van instemming van anderen en van het wel of niet accepteren van zijn verantwoording, dat hij de facto bestuurder af is. Metterdaad is hij dan ook zijn gezag kwijt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 2019

De Reformatorische School | 48 Pagina's

Gezag in het geding?

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 2019

De Reformatorische School | 48 Pagina's

PDF Bekijken