Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Hogepriester

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Hogepriester

Alzo zal Aäron de namen der zonen van Israël dragen aan den borstlap des gerichts, op zijn hart, als hij in het heilige zal gaan, ter gedachtenis voor het aangezicht des HEEREN geduriglijk. Exodus 28:29

12 minuten leestijd

De borstlap die de hogepriester in het Oude Testament droeg, was een heel belangrijk kledingstuk. Hij droeg die op de efod (schouderkleed). Hoe zag dat eruit?

Het borstkleed was een lap van het allerkunstelijkste werk, die een vierkant vormde van circa 25 bij 25 centimeter. Waarom was deze borstlap nu zo belangrijk? Kijk maar eens mee. Op de borstlap waren twaalf edelstenen vastgehecht. Deze stenen stelden de twaalf stammen van Israël voor. Op elke steen stond de naam van een stam gegraveerd. Door de bovenste ringen, op de hoeken van de borstlap, liep een gouden koord dat werd bevestigd aan de kastjes boven op de schouders van de efod. En door de onderste ringen ging een hemelsblauw koord dat aan de efod werd vastgenaaid, iets boven de gordel.

De hogepriester droeg de borstlap met de stenen die de twaalf stammen vertegenwoordigden dus op zijn hart! Hij was er onafscheidelijk mee verbonden en bracht zo de stammen voor God bij het binnengaan in het heilige. In vers 29 lezen we dan ook: ‘Alzo zal Aäron de namen der zonen van Israël dragen aan den borstlap des gerichts, op zijn hart, als hij in het heilige zal gaan ter gedachtenis voor het aangezicht des HEEREN geduriglijk’. Het wijst alles heen naar de Hogepriester van het Nieuwe Testament, Christus. En die twaalf edelstenen wijzen heen naar het geestelijke Israël, dat over de hele wereld verspreid is en wordt vergaderd uit alle volken en natiën. Die edelstenen gaven een grote verscheidenheid te zien, maar kwamen in bepaalde dingen ook overeen. Wat ze gemeen hadden, was bijvoorbeeld dat ze alle kostbaar waren. Ze schitterden allemaal, al hadden ze een andere schittering, een andere kleur en een andere vorm.

Een hechte eenheid

Is het zo vandaag ook niet met Gods Kerk? Zijn het niet allemaal kostbare edelstenen die door de Hogepriester Christus gedragen worden op Zijn hart? Gods kinderen zijn edelstenen. En ze vormen een hechte eenheid. Ze worden allemaal dicht bij elkaar gedragen op het hart van de Hogepriester Christus. Ze zijn allemaal door Gods genade opgezocht door de Heilige Geest. Ze kennen allemaal doorleefde zondekennis. Ze zijn allemaal door schuldbesef getroffen en geslagen. Ze kennen allemaal een diep schuldgevoel over wie ze zijn en blijven, en stralen iets uit van Gods heerlijkheid in Christus. Ze hebben allen een betrekking op één en dezelfde Zaligmaker, Jezus Christus en Dien gekruisigd. Ze buigen allen in ootmoed neer in het stof voor Gods heilige majesteit. Ze belijden allen één Heere, één geloof, één doop, één God en Vader van allen. Ze zijn allemaal, niet één uitgezonderd, kostbaar, als juwelen in Gods oog. En ze worden allemaal gedragen op het hart van de Middelaar.

Toch zijn er ook verschillen, in karakter, in afkomst, in roeping. Maar het belangrijkste is dat het juwelen zijn die dierbaar zijn in Gods oog. Nee, niet om wat ze in zichzelf zijn, maar om wat Hij van hen gemaakt heeft. Omdat Hij ze van dode stenen levende stenen heeft gemaakt. Omdat ze loon zijn op Zijn arbeid.

Ingegraveerde namen

Kijk nog eens goed naar die edelstenen. Ziet u dat daarin de namen staan ingegra veerd? Nu, zo staan de namen van dat geestelijke Israël ook in Gods boek gegraveerd. Dat is onuitwisbaar. Zij blijven daarin staan tot in eeuwigheid. Ja, het is waar, ze maken het ernaar dat de grote Hogepriester Zich het borstschild met de juwelen van het hart rukt en voor eeuwig van Zich werpt. Maar dat doet Hij niet. O, nee! Hij draagt ze voor altijd op Zijn hart. Hij zorgt voor hen. Door alles heen zullen ze door Gods genade bewaard worden en zelfs na een diepe val weer opgericht worden.

En kijk nog eens naar de borstlap. Hoe zit die vast op de efod? Met gouden koorden aan de bovenzijde en met hemelsblauwe koorden aan de onderkant. Zo is de Kerk nu ook vastgeketend aan de Middelaar. Met gouden koorden van liefde, met koorden van goedertierenheid, met koorden van eeuwige verkiezing. En is er niemand die ze uit Zijn hand kan rukken. Hij laat nooit varen hetgeen Zijn hand begon.

En kijk! Nóg een les. De hogepriester ging in het Oude Testament op gezette tijden in het heiligdom. Daar stelde hij de namen van allen die hij op zijn hart droeg voor Gods heilig aangezicht ‘geduriglijk’. Wel, de Hogepriester Christus woont blijvend in het hemelse heiligdom. En de namen van Zijn kinderen wonen daar met Hem. In Zijn voorbidding stelt Hij ze Zijn Vader ‘geduriglijk’ voor Zijn aangezicht.

Nu gaat het erom of ik daarbij ben. Of mijn naam in die stenen gegraveerd staat. Of ik op dat Middelaarshart gedragen wordt. Zijn er onder ons die met jaloersheid zien op de borstlap en de edelstenen met daarin die namen gegraveerd? Die zien op de schittering van die edelstenen, maar het zelf zo onwaardig zijn? Die niet schitteren in eigen oog, maar in zichzelf zo zwart en vuil van zonden zijn? En die toch zoeken naar die enige Troost? Naar de Middelaar?

Weet u, die mensen kunnen niet getroost worden met het feit dat bij de wedergeboorte de namen al ingegraveerd zijn. Ook niet met feit dat ze al op de borstlap gehecht zijn bij het eerste werk van genade. Al is dat wel waar. Maar zulke mensen zien er naar uit om het zelf uit Zijn mond te mogen horen. Die hebben een Borg en Middelaar nodig en kunnen zonder Christus niet leven en niet sterven. Die moeten gaan sterven aan alles wat van henzelf is. Nee, ze zien in zichzelf geen schitterende edelsteen. In zichzelf zijn ze dof, vuil, zondig en onwaardig! Maar wat een wonder, Christus kwam naar deze aarde om Zijn heerlijkheid af te leggen en om vuile zondaren te formeren tot edelstenen. Hij kwam om vijanden met God te verzoenen.

De tollenaar

O, lezer, staat u daar nu met de tollenaar in de tempel: O, God wees mij zondaar genadig? Heere, ik ben het zo onwaardig dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen? Bidt u in waarheid: Heere, wees mij genadig, wees mij genadig? Dan zegt de Heere: Deze is Mij een uitverkoren vat. Deze is nu zo’n edelsteen.

Nee, dat zeggen ze zélf niet, maar dat zegt God. En het is de Heilige Geest Die de schoonheid van de Hogepriester gaat verkondigen. Wat groot als die armen van geest op Gods tijd mogen gaan zien op Hemzelf! Niet op de borstlap. Niet op de stenen waar ze zo jaloers op zijn. Maar op de Drager. Dat de Middelaar geopenbaard mag worden. Dat ze Zijn hartenklop mogen gaan gevoelen en Zijn gemeenschap mogen proeven en smaken. O, daar gaan goddelozen schitteren. Niet in eigen oog, maar in Gods oog. Daar wordt Christus nu zo dierbaar en beminnelijk. Ja, dan moet u óf sterven, óf Christus moet Zich over u ontfermen. Maar Hij laat Zijn volk niet eindeloos in het verdriet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 2020

De Saambinder | 20 Pagina's

De Hogepriester

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 2020

De Saambinder | 20 Pagina's

PDF Bekijken