Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

‘Wij hadden een ongekende droogte’

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

‘Wij hadden een ongekende droogte’

8 minuten leestijd

In deze brief spreekt Philpot over de jaarlijkse herdenkingsdiensten te Calne ter gelegenheid van het ontstaan van de gemeente daar. Philpot hield niet zo van gedenkdagen, maar voor Calne maakte hij altijd een uitzondering. Vele kinderen des Heeren kwamen daar samen. Hij schrijft over de zeer droge zomer van 1868. Het preken in die hitte ging zijn krachten eigenlijk te boven. Hoewel hij geen verkoudheid opliep, die hem vaak vanwege zijn longkwaal op het ziekbed bracht, was hij toch ernstig verzwakt.

Aan de heer James Davis, Oakham, 1 oktober 1868

Mijn waarde vriend!

Uw w lieve, vriendelijke en bevindelijke brief, met de ingesloten 5 Pond voor Gods arme kinderen, zijn in goede staat door mij ontvangen. Ik zou u eerder bericht hebben als de post niet al vertrokken was voordat ik ze in handen kreeg. Ik ben u zeer dankbaar voor die gift en zal trachten het goed te besteden. Ik kom vaak in aanraking met grote behoeften onder Gods lieve volk, en soms doe ik er zelf een kleinigheid bij uit wat ik noem mijn ondersteuningsfonds. Op deze wijze ben ik in staat meer te geven. Ik probeer het zoveel mogelijk te verdelen zover en zo goed ik kan.

Met spijt vernam ik dat u zo’n zwaar verlies geleden hebt; doch ik heb meer dan eens ondervonden dat, wanneer ik naar een vermeerderd inkomen uitzag of op enig tijdelijk voordeel, er onverwachts een slag kwam die het weg zweepte. Zo leren wij onze hoop niet te stellen op de onzekerheden van rijkdom die zich vleugelen maken en wegvliegen, maar te vertrouwen op de levende God, Die ons zovele jaren geholpen heeft en niet zal toelaten dat ons het goede zal ontbreken.

De woorden van onze Heere uit Markus 10:29-30 waren mij eens zeer liefelijk, want de vervulling daarvan mocht ik bij ervaring kennen. Maar het dierbaarste van alles was: ‘...en in de toekomende wereld het eeuwige leven’. Dat zet de kroon er op. Al bezaten we al het goud dat ooit in Australië gedolven is, wat voordeel zou dat ons aanbrengen op het sterfbed, of op de grote dag der toekomst als het goud onze god was en wij niets anders hadden om op te zien, in te geloven en om lief te hebben?

Wij hadden in de afgelopen zomer een ongekende hitte en droogte; de thermometer stond veel dagen op 33°, en op enkele plaatsen 34°. Het gehele land was als verschroeid en de grasvelden waren zo bruin als de weg. De hitte en de inspanning van de prediking hadden veel invloed op mij en hebben mijn krachten uitgeput. Tijdens de jaarlijkse gedenkdiensten van Calne chapel hadden wij het ook zeer warm, toch niet de heetste van het seizoen, het was zeer heet aangezien de chapel vol was; doch ik ervaarde des Heeren hulp onder het spreken, en veel vrienden mochten een zegen verkrijgen voor hun ziel. Mijn tekst was Jeremia 32:14, naar welke ik trachtte aan te tonen dat wij tweeërlei bewijzen nodig hebben om te weten dat wij tot de gekochten behoren: verzegelde bewijzen, alleen bekend bij de gelukkige bezitter, en openbare bewijzen die door anderen gelezen kunnen worden. Ik zei dat deze gesteld waren in een aarden vat - ons arm, broos, sterfelijk lichaam - en dat zij in zekere zin met ons begraven worden en met ons zullen verrijzen in de morgen der opstanding.

Er waren veel vrienden van heinde en verre aanwezig. Ik ontmoette u voor het eerst op zo’n gedenkdag, zoals u zich wel zult herinneren. Onze vriend Parry voelde zich redelijk goed; hij heeft mij elke zondag kunnen horen. Hij miste zeer onze waarde vriend Tuckwell, en waarlijk, wie hem kende, achtte hem hoog om der waarheid wil. Zijn heengaan werd gezegend en gelijk onze lieve Tiptaft gewoon was te zeggen: ‘Hij werd goed ten grave gebracht’. Ik ontmoette daar veel oude vrienden; doch de drukte van de oogst en de grote hitte verhinderden velen te komen.

Ik hoop dat de Heere met u zal zijn in het spreken tot het volk. Niet te kunnen spreken, zal zeker zeer beproevend voor u zijn.

Uw toegenegene in de waarheid, J.C.P.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 2020

De Saambinder | 20 Pagina's

‘Wij hadden een ongekende droogte’

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 2020

De Saambinder | 20 Pagina's

PDF Bekijken