Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De goede schepping

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De goede schepping

9 minuten leestijd

De Apostolische Geloofsbelijdenis begint met ‘Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde’. De belijdenis van een goede schepping en een historische zondeval is een aangevochten belijdenis. Dat geldt voor de kerk van nu, maar zeker ook voor de Vroege Kerk.

In n de tweede eeuw wordt de nog prille christelijke kerk opgeschrikt door een ernstige ketterij. Een zekere Marcion komt rond 139 in Rome aan. Hij sluit zich aan bij de christelijke kerk en als rijke koopman doneert hij aan de kerk een groot geldbedrag. Daarnaast begint hij ook een eigen theologie te ontwikkelen. De God en Vader van de Heere Jezus Christus is volgens hem een andere God dan de God van het Oude Testament. De God van het Oude Testament is een strenge, oordelende Schepper-God, maar de Vader van Jezus Christus is een liefdevolle, verlossende God.

De kerk in Rome kan zijn ketterij niet verdragen en excommuniceert hem rond het jaar 144. Dat betekent echter niet het einde van Marcions beweging. Hij stelt zelf een Bijbel samen waarin alleen, met allerlei aanpassingen, het evangelie van Lukas en tien brieven van Paulus zijn opgenomen. Daarnaast sticht hij overal eigen gemeenten. Zijn beweging blijft lange tijd een factor van betekenis. In de vierde eeuw merkt Epiphanius van Salamis op dat de marcionieten nog in grote getale te vinden zijn in Rome, Palestina, Arabië, Syrië, Cyprus, Egypte en Perzië (”Panarion”, 42.1,1). Marcions ideeën kwamen niet uit de lucht vallen. Al enige tijd was de gnostiek in de mode. Daarbij maakte men een scherpe scheiding tussen het geestelijke en het lichamelijke. Marcion gaf van deze gnostiek een christelijke bewerking. Later zouden ook de manicheeërs, die door Augustinus krachtig bestreden werden, in dit spoor verdergaan.

Marcions boodschap is wel omschreven als ‘het evangelie van de vreemde God’. Tertullianus zegt over hem: ‘Zo zijn bij Marcion alle dingen plotseling’ (”Tegen Marcion”, IV.11). De consequenties van Marcions theologie waren enorm. De kerkvaders hebben dit vanaf het begin opgemerkt en zijn leer tot ver na zijn dood veelvuldig bestreden. Wat stond er allemaal op het spel? De hele geloofsleer, maar vooral de goede schepping, de zondeval en het geloof in de opstanding der doden. In deze aflevering staan we stil bij de goede schepping.

Vrije wil

Marcion was vol kritiek op het handelen van God in het Oude Testament. Hoe kan

God nu goed zijn als Hij mensen heeft gemaakt die kunnen zondigen? Tertullianus wijst er in zijn bestrijding op dat het beeld van God, waarnaar de mens geschapen was, bestond uit een vrije wil (”Tegen Marcion”, II.5). Hij bedoelde daarmee dat men niet aan God moet toeschrijven wat de schuld van de mens is. Een mens is verantwoordelijk voor zijn daden. ‘Kan Hij geoordeeld worden de Auteur der zonde te zijn, Die blijkt haar te hebben verboden, ja zelfs veroordeeld heeft?’ (Tegen ”Marcion”, II.9). Bij de kerkvaders is het argument van de vrije wil een steeds terugkerend element ter verdediging van de goede schepping. Soms leidt dit er wel toe dat ze onvoldoende het evenwicht bewaren tussen de oorspronkelijk goede schepping en de verwording door de zondeval. In de uitleg van Johannes 6:44 zegt Johannes Chrysostomus (ca. 345-407) dat wij heer en meester zijn over onze eigen wil en slechts behoefte hebben aan hulp (”Homilie XLVI op Johannes”). De meeste Griekse kerkvaders hebben het pelagianisme nooit echt gekend. Hoe onvoorzichtig ze soms ook spreken, dat kwam niet voort uit de wens om het pelagianisme aan te hangen, maar om de goedheid van de Schepper te verdedigen.

Wilde dieren

De goedheid van de schepping werd door de kerkvaders niet alleen betrokken op de mens, maar ook op dieren en planten. Vóór de zondeval waren zelfs de wilde dieren goed, ze deden de mens geen kwaad.

Theophilus van Antiochië vergelijkt het met een huisheer en zijn personeel. ‘Als de meester van het huis zelf terecht handelt, dan gedragen de bedienden zich noodgedwongen ook goed; maar als de meester zondigt, dan zondigen ook de bedienden met hem’ (”Aan Autolycus”, II.17). Zo ook is het met de mensen. Zolang zij gehoorzaam waren, waren de dieren dat ook.

Volgens Basilius de Grote zijn ook planten die schadelijk zijn voor de mens, nuttig. ‘Wat dan? Zullen wij het belijden van dankbaarheid voor de nuttige planten achterwege laten en de Schepper aanklagen vanwege dingen die voor ons schadelijk zijn? Zullen wij er dan niet aan denken, dat niet alles geschapen is met betrekking tot onze buiken? (...) Maar niets van deze dingen is tevergeefs, niets is nutteloos geschapen. Of ze dienen het vee als voedsel, of de geneeskunde heeft er een remedie in gevonden om verschillende kwalen te verlichten’ (”Over het zesdagenwerk”, V.4).

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 september 2020

De Saambinder | 24 Pagina's

De goede schepping

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 september 2020

De Saambinder | 24 Pagina's

PDF Bekijken